MAW Samenvatting examen
Concepten en vaardigheden
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1:
Maatschappijleer = een vak dat zich bezighoudt met de bestudering van de maatschappij: hoe ze is
opgebouwd en hoe ze functioneert.
2 Uit de definitie blijkt dat maatschappijleer elementen uit het verleden en heden laat zien.
3 Maatschappijleer werd in 1968 bij de invoering van de Mammoetwet geplaatst.
4 Vier periodes kun je onderscheiden in de geschiedenis van maatschappijleer:
1. Brainstorming 1960-’70. Welke kant moet maatschappijleer op gaan was onduidelijk. Er
was weinig inhoud.
2. Ministeriële commissies en chaos 1970-’80. Doel, inhoud en methode van het vak kregen
inhoud. Docenten wisten niet wat ze inhoudelijk moesten doen. Op uni’s en hogescholen
ontstonden opleidingen.
3. Op weg naar een eindexamenvak jaren ’80. Het vak kon vanaf 1990-’91 als examenvak
worden aangeboden, maar dat hoefde niet. Er kwam duidelijkheid over de inhoud.
4. Maatschappijleer een volwaardig en volwassen vak 1998. Als examenvak werd
maatschappijleer 2 genoemd (maatschappijwetenschappen in 2007). Vanaf 2017-’18 heeft
MAW een nieuwe inhoud gekregen.
5 Bij de invoering van de Tweede Fase, een onderwijsvernieuwing waarbij 4 profielen werden
ingevoerd in 1998, bleef maatschappijleer een verplicht vak. In 2017-2018 heeft het vak een nieuwe
inhoud gekregen, dat leerlingen nog meer voorbereidt op een studie sociale wetenschappen.
Paragraaf 2:
Sociale wetenschappen = houden zich bezig met de relaties tussen mensen, de processen die zich
daarin voordoen en welk patroon van gedragsvormen (instituties) en organisatievormen daaruit
voortvloeien. (Economie, sociologie, sociale psychologie, politicologie, culturele antropologie)
Instituties = afspraken tussen mensen die samen regelen hoe ze met elkaar omgaan
Natuurwetenschappen = hebben betrekking op de natuur, waaronder we de ervaringswereld
verstaan zoals die door de mens wordt aangetroffen.
Generaliserend = het afzonderlijke en individuele is slechts van belang als een geval van algemene
verhoudingen en wetten. (Natuurwetenschappen)
Individualiserend = Personen en individuelen zijn in hun concrete gedrag niet alleen maar
herhalingen of exemplaren van algemene structuren en verhoudingen, maar ze hebben ook hun
eigen individualiteit en waarde. (Sociale wetenschappen)
Cultuur = het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen, die
mensen zich als lid van een groep of samenleving hebben verworven.
Gedragswetenschappen = gedrag van de individuele mens bestuderen. (Psychologie)
,Cultuurwetenschappen = alles bestuderen wat de mens aan de natuur toevoegt. (Taalkunde)
Theocentrische wereld = een wereldbeeld waarin God centraal staat.
Antropocentrisch wereldbeeld = een wereld waarin de mens centraal staat.
11 Tot sociale wetenschappen rekenen we de sociologie, economie, culturele antropologie, sociale
psychologie en de politicologie.
12 Een voorbeeld van gedragswetenschappen Psychologie.
13 Een voorbeeld van cultuurwetenschappen Taalkunde.
14 Door te doen van de Franse en Industriële Revolutie in de 18 e en 19e eeuw kwamen de sociale
wetenschappen op, die zich in de 20 e eeuw tot op de dag van vandaag ontwikkelden.
15 Sociale wetenschappen hebben nog niet het stadium bereikt waarin van een algemene
overeenstemming over methoden en resultaten gesproken kan worden en bij natuurwetenschappen
wel.
Paragraaf 3:
Culturele antropologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van culturen van
niet-westerse volken in al hun aspecten.
Geschiedenis = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het verleden.
Economie = de wetenschap die zich bezighoudt met de behoeftebevrediging van mensen.
Geografie = verzamelnaam voor een aantal meer of minder op zichzelf staande wetenschappen die
studie maken van de ruimtelijke orde die in allerlei natuurlijke (fysische) en culturele (sociale)
verschijnselen van en op het aardoppervlak te onderkennen.
Filosofie = wetenschap die zich bezighoudt met het streven naar een totale uitleg van mens en
wereld. Het bestudeert de oorsprong van mens en wereld en vraagt naar de zin van bestaan.
Psychologie = wetenschap die zich bezighoudt met de aard en de eigenschappen van de menselijke
ziel in relatie tot sociale processen. Aspecten die belangrijk zijn: gevoelens, emoties, motieven en
drijfveren.
Sociale psychologie = het bestuderen van de invloed van de maatschappij op de mens en zijn
gedragingen.
Theologie = wetenschap die de verhouding van de mens tot God besturdeert.
Rechtsgeleerdheid = de wetenschap die zich bezighoudt met kennis of studie van het recht. Je kan
richtingen onderscheiden: Nederlands, Europees, privaat, internationaal, straf, belastingrecht,
criminologie enzovoort.
Multidisciplinair = betrekking op een aantal vakken van de wetenschap.
Attitude = houding/mening
Objectief = onpartijdig
Subjectief = partijdig
Intersubjectiviteit = je probeert onpartijdig te zijn, maar het zal je niet helemaal lukken.
,Pluri-interpretabiliteit = gegevens kun je op diverse manieren opvatten en uitleggen.
10 Bij MAW heb je basiswetenschappen en hulpwetenschappen. Uit basiswetenschappen haalt MAW
de meeste kennis uit en hulpwetenschappen de nodige stof.
11 De twee basiswetenschappen zijn nu:
Sociologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het sociaal gedrag en
sociaal handelen van de mens in de samenleving.
Politicologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van de
totstandkoming, het voeren en de effecten van het overheidsbeleid. (Machtsverhoudingen)
12 Er zijn acht hulpwetenschappen van MAW:
Culturele antropologie
Geschiedenis
Economie
Geografie
Filosofie
Psychologie
Theologie
Rechtsgeleerdheid
13 De grondleggers van sociologie waren Auguste Comte (1798-1857) en Karl Marx (1818-1883).
14 In NL ontstond de 1ste leerstoel van sociologie in 1922.
15 Specialisaties zijn bijv. gezin/organisatie/godsdienstsociologie.
16 Politicologie kreeg zijn 1ste leerstoel in 1947 in Amsterdam.
17 Interessegebieden van politicologie zijn bijvoorbeeld: de geschiedenis van politieke ideeën en
stromingen, het nationale politieke stelsel, de betrekkingen tussen staten, politieke elites en
verkiezingsonderzoek.
18 Synoniemen zijn volkenkunde of etnologie van culturele antropologie.
19 Aspecten die aan bod komen bij culturele antropologie zijn: sociale structuur, verwantschap,
politieke machtsverhoudingen, techniek, economie, religie enzovoort.
20 Lonen, prijzen, vraag en aanbod, ondernemingen en de manieren van bedrijfsvoering komen bij
economie aanbod.
21 Een synoniem van geografie is aardrijkskunde.
22 Een synoniem van filosofie is wijsbegeerte.
23 Men houdt zich bij psychologie bezig met geestelijke structuren van mens en wereld. Het kennen
en kunnen van de mens en de maatschappij is belangrijk: gevoelens, emoties, motieven en drijfveren.
24 Bij rechtsgeleerdheid kan je richtingen onderscheiden zoals: Nederlands, Europees, privaat,
internationaal, straf, belastingrecht enzovoort.
25 Bij MAW staan een paar domeinen centraal:
Vaardigheden (hoofdconcept)
, Vorming (hoofdconcept)
Verhouding (hoofdconcept)
Bindingen (hoofdconcept)
Verandering
Een sociale actualiteit
Analyse van een politieke actualiteit
26 Het is belangrijk dat je uiteindelijk over bepaalde maatschappelijke kwesties zelf een mening gaat
vormen.
27 Belangrijk is het steeds om je mening kracht bij te zetten door deugdelijke argumenten.
28 Docenten vinden het moeilijk om objectief te zijn. Hun eigen meningen spelen ook een rol. Het is
dus onmogelijk om objectief te zijn bij dit vak.
Bij MAW krijg je 5 zaken bewust aangeleerd:
Feiten
Achtergronden
Visies en theorieën over hoe problemen ‘op te lossen’ zijn
Sociaalwetenschappelijk onderzoek
Meningsvorming
Hoofdstuk 2
Paragraaf 1
Concepten = Abstracte basisbegrippen die nodig zijn om je de grondbeginselen van het vak eigen te
maken.
Hoofdconcepten = De belangrijkste abstracte basisbegrippen die nodig zijn om de grondbeginselen
van het vak MAW eigen te maken.
Kernconcepten = Concepten die van de hoofdconcepten zijn afgeleid. Het zijn abstracte begrippen
die nodig zijn om grondbeginselen van het van MAW eigen te maken.
Context = Andere situatie
5 Om het bestuderen van de maatschappij gemakkelijker te maken gaan we uit van een vaste
structuur, een vaste benaderingswijze van die maatschappij, zodat we problemen kunnen analyseren.
6 De vaste structuur (benaderingswijze) laten we altijd los op die problematiek in de maatschappij.
7 In de maatschappij komen veel sociale en politieke verschijnselen voor die we allemaal beschreven,
begrepen en verklaard willen hebben.
8 Maatschappelijke problemen zijn bijvoorbeeld: prioriteitswijken, criminaliteit, werkloosheid en
discriminatie.
9 De problemen doen zich voor in kleine verbanden zoals gezinnen, klassen, sportclubs en een dorp,
of in groter verband zoals in een land of wereldgemeenschap.
10 Er zijn twee soorten van concepten in MAW:
Hoofdconcepten
Kernconcepten
Concepten en vaardigheden
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1:
Maatschappijleer = een vak dat zich bezighoudt met de bestudering van de maatschappij: hoe ze is
opgebouwd en hoe ze functioneert.
2 Uit de definitie blijkt dat maatschappijleer elementen uit het verleden en heden laat zien.
3 Maatschappijleer werd in 1968 bij de invoering van de Mammoetwet geplaatst.
4 Vier periodes kun je onderscheiden in de geschiedenis van maatschappijleer:
1. Brainstorming 1960-’70. Welke kant moet maatschappijleer op gaan was onduidelijk. Er
was weinig inhoud.
2. Ministeriële commissies en chaos 1970-’80. Doel, inhoud en methode van het vak kregen
inhoud. Docenten wisten niet wat ze inhoudelijk moesten doen. Op uni’s en hogescholen
ontstonden opleidingen.
3. Op weg naar een eindexamenvak jaren ’80. Het vak kon vanaf 1990-’91 als examenvak
worden aangeboden, maar dat hoefde niet. Er kwam duidelijkheid over de inhoud.
4. Maatschappijleer een volwaardig en volwassen vak 1998. Als examenvak werd
maatschappijleer 2 genoemd (maatschappijwetenschappen in 2007). Vanaf 2017-’18 heeft
MAW een nieuwe inhoud gekregen.
5 Bij de invoering van de Tweede Fase, een onderwijsvernieuwing waarbij 4 profielen werden
ingevoerd in 1998, bleef maatschappijleer een verplicht vak. In 2017-2018 heeft het vak een nieuwe
inhoud gekregen, dat leerlingen nog meer voorbereidt op een studie sociale wetenschappen.
Paragraaf 2:
Sociale wetenschappen = houden zich bezig met de relaties tussen mensen, de processen die zich
daarin voordoen en welk patroon van gedragsvormen (instituties) en organisatievormen daaruit
voortvloeien. (Economie, sociologie, sociale psychologie, politicologie, culturele antropologie)
Instituties = afspraken tussen mensen die samen regelen hoe ze met elkaar omgaan
Natuurwetenschappen = hebben betrekking op de natuur, waaronder we de ervaringswereld
verstaan zoals die door de mens wordt aangetroffen.
Generaliserend = het afzonderlijke en individuele is slechts van belang als een geval van algemene
verhoudingen en wetten. (Natuurwetenschappen)
Individualiserend = Personen en individuelen zijn in hun concrete gedrag niet alleen maar
herhalingen of exemplaren van algemene structuren en verhoudingen, maar ze hebben ook hun
eigen individualiteit en waarde. (Sociale wetenschappen)
Cultuur = het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen, die
mensen zich als lid van een groep of samenleving hebben verworven.
Gedragswetenschappen = gedrag van de individuele mens bestuderen. (Psychologie)
,Cultuurwetenschappen = alles bestuderen wat de mens aan de natuur toevoegt. (Taalkunde)
Theocentrische wereld = een wereldbeeld waarin God centraal staat.
Antropocentrisch wereldbeeld = een wereld waarin de mens centraal staat.
11 Tot sociale wetenschappen rekenen we de sociologie, economie, culturele antropologie, sociale
psychologie en de politicologie.
12 Een voorbeeld van gedragswetenschappen Psychologie.
13 Een voorbeeld van cultuurwetenschappen Taalkunde.
14 Door te doen van de Franse en Industriële Revolutie in de 18 e en 19e eeuw kwamen de sociale
wetenschappen op, die zich in de 20 e eeuw tot op de dag van vandaag ontwikkelden.
15 Sociale wetenschappen hebben nog niet het stadium bereikt waarin van een algemene
overeenstemming over methoden en resultaten gesproken kan worden en bij natuurwetenschappen
wel.
Paragraaf 3:
Culturele antropologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van culturen van
niet-westerse volken in al hun aspecten.
Geschiedenis = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het verleden.
Economie = de wetenschap die zich bezighoudt met de behoeftebevrediging van mensen.
Geografie = verzamelnaam voor een aantal meer of minder op zichzelf staande wetenschappen die
studie maken van de ruimtelijke orde die in allerlei natuurlijke (fysische) en culturele (sociale)
verschijnselen van en op het aardoppervlak te onderkennen.
Filosofie = wetenschap die zich bezighoudt met het streven naar een totale uitleg van mens en
wereld. Het bestudeert de oorsprong van mens en wereld en vraagt naar de zin van bestaan.
Psychologie = wetenschap die zich bezighoudt met de aard en de eigenschappen van de menselijke
ziel in relatie tot sociale processen. Aspecten die belangrijk zijn: gevoelens, emoties, motieven en
drijfveren.
Sociale psychologie = het bestuderen van de invloed van de maatschappij op de mens en zijn
gedragingen.
Theologie = wetenschap die de verhouding van de mens tot God besturdeert.
Rechtsgeleerdheid = de wetenschap die zich bezighoudt met kennis of studie van het recht. Je kan
richtingen onderscheiden: Nederlands, Europees, privaat, internationaal, straf, belastingrecht,
criminologie enzovoort.
Multidisciplinair = betrekking op een aantal vakken van de wetenschap.
Attitude = houding/mening
Objectief = onpartijdig
Subjectief = partijdig
Intersubjectiviteit = je probeert onpartijdig te zijn, maar het zal je niet helemaal lukken.
,Pluri-interpretabiliteit = gegevens kun je op diverse manieren opvatten en uitleggen.
10 Bij MAW heb je basiswetenschappen en hulpwetenschappen. Uit basiswetenschappen haalt MAW
de meeste kennis uit en hulpwetenschappen de nodige stof.
11 De twee basiswetenschappen zijn nu:
Sociologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het sociaal gedrag en
sociaal handelen van de mens in de samenleving.
Politicologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van de
totstandkoming, het voeren en de effecten van het overheidsbeleid. (Machtsverhoudingen)
12 Er zijn acht hulpwetenschappen van MAW:
Culturele antropologie
Geschiedenis
Economie
Geografie
Filosofie
Psychologie
Theologie
Rechtsgeleerdheid
13 De grondleggers van sociologie waren Auguste Comte (1798-1857) en Karl Marx (1818-1883).
14 In NL ontstond de 1ste leerstoel van sociologie in 1922.
15 Specialisaties zijn bijv. gezin/organisatie/godsdienstsociologie.
16 Politicologie kreeg zijn 1ste leerstoel in 1947 in Amsterdam.
17 Interessegebieden van politicologie zijn bijvoorbeeld: de geschiedenis van politieke ideeën en
stromingen, het nationale politieke stelsel, de betrekkingen tussen staten, politieke elites en
verkiezingsonderzoek.
18 Synoniemen zijn volkenkunde of etnologie van culturele antropologie.
19 Aspecten die aan bod komen bij culturele antropologie zijn: sociale structuur, verwantschap,
politieke machtsverhoudingen, techniek, economie, religie enzovoort.
20 Lonen, prijzen, vraag en aanbod, ondernemingen en de manieren van bedrijfsvoering komen bij
economie aanbod.
21 Een synoniem van geografie is aardrijkskunde.
22 Een synoniem van filosofie is wijsbegeerte.
23 Men houdt zich bij psychologie bezig met geestelijke structuren van mens en wereld. Het kennen
en kunnen van de mens en de maatschappij is belangrijk: gevoelens, emoties, motieven en drijfveren.
24 Bij rechtsgeleerdheid kan je richtingen onderscheiden zoals: Nederlands, Europees, privaat,
internationaal, straf, belastingrecht enzovoort.
25 Bij MAW staan een paar domeinen centraal:
Vaardigheden (hoofdconcept)
, Vorming (hoofdconcept)
Verhouding (hoofdconcept)
Bindingen (hoofdconcept)
Verandering
Een sociale actualiteit
Analyse van een politieke actualiteit
26 Het is belangrijk dat je uiteindelijk over bepaalde maatschappelijke kwesties zelf een mening gaat
vormen.
27 Belangrijk is het steeds om je mening kracht bij te zetten door deugdelijke argumenten.
28 Docenten vinden het moeilijk om objectief te zijn. Hun eigen meningen spelen ook een rol. Het is
dus onmogelijk om objectief te zijn bij dit vak.
Bij MAW krijg je 5 zaken bewust aangeleerd:
Feiten
Achtergronden
Visies en theorieën over hoe problemen ‘op te lossen’ zijn
Sociaalwetenschappelijk onderzoek
Meningsvorming
Hoofdstuk 2
Paragraaf 1
Concepten = Abstracte basisbegrippen die nodig zijn om je de grondbeginselen van het vak eigen te
maken.
Hoofdconcepten = De belangrijkste abstracte basisbegrippen die nodig zijn om de grondbeginselen
van het vak MAW eigen te maken.
Kernconcepten = Concepten die van de hoofdconcepten zijn afgeleid. Het zijn abstracte begrippen
die nodig zijn om grondbeginselen van het van MAW eigen te maken.
Context = Andere situatie
5 Om het bestuderen van de maatschappij gemakkelijker te maken gaan we uit van een vaste
structuur, een vaste benaderingswijze van die maatschappij, zodat we problemen kunnen analyseren.
6 De vaste structuur (benaderingswijze) laten we altijd los op die problematiek in de maatschappij.
7 In de maatschappij komen veel sociale en politieke verschijnselen voor die we allemaal beschreven,
begrepen en verklaard willen hebben.
8 Maatschappelijke problemen zijn bijvoorbeeld: prioriteitswijken, criminaliteit, werkloosheid en
discriminatie.
9 De problemen doen zich voor in kleine verbanden zoals gezinnen, klassen, sportclubs en een dorp,
of in groter verband zoals in een land of wereldgemeenschap.
10 Er zijn twee soorten van concepten in MAW:
Hoofdconcepten
Kernconcepten