BOEK| STRAF (PROCES) RECHT
HOOFDSTUK 7
FORMEEL STRAFRECHT: INLEIDING EN HOOFDROLSPELERS IN HET
STRAFPROCESRECT
Inleiding
In de vorige hoofdstukken ging het vooral over materieel strafrecht:
Dat regelt wanneer gedrag strafbaar is.
En welke personen strafbaar zijn als dader.
In hoofdstuk 7 gaat het over het formeel strafrecht (ook wel:
strafprocesrecht):
Dit regelt hoe en wanneer de overheid iemand mag opsporen,
aanhouden, vervolgen en berechten.
Ook wel de ‘spelregels’ van het strafproces genoemd.
Het strafprocesrecht
Waarom is strafprocesrecht belangrijk?
Het strafprocesrecht brengt de vrijheid van burgers in gevaar, daarom
zijn er strenge ‘spelregels’ nodig.
Deze regels bepalen hoe, wanneer en door wie mensen mogen worden
opgespoord, vervolg en berecht.
Gematigd accusatoir procesvoering
Er zijn twee typen strafprocessen:
1. Accusatoir : de rechter is passief. Twee partijen strijden tegenover
elkaar.
2. Inquisitoir: de rechter is actief op zoek naar de waarheid en stelt zelf
vragen aan getuigen of de verdachte.
Nederland: gematigd accusatoir
In Nederland is er geen volledige gelijkwaardigheid tussen partijen:
- Het Openbaar Ministerie (OM) heeft veel bevoegdheden (arrestatie,
dwangmiddelen).
- De verdediging is meer afhankelijk van de rechter.
Daarom noemen we het Nederlandse systeem: gematigd accusatoir.
Doelen van het strafprocesrecht
1. Voorkomen van eigenrichting : Burgers mogen niet zelf straffen
uitdelen.
2. Bewaken van rechtsbescherming: zorgen dat verdachte eerlijk wordt
behandeld.
3. Bevorderen van materiele waarheid: uitzoeken of het strafbare feit is
gepleegd.
4. Zorg voor slachtoffer en maatschappij ; erkenning voor het slachtoffer
en rust in de samenleving.
5. Preventie: strafproces moet anderen afschrikken (generale preventie) en
de dader heropvoeden (speciale preventie). belangrijkste 2 doelen !
Bronnen van het Nederlandse strafprocesrecht
1. Grondwet : biedt basisregels, zoals recht op een eerlijk proces (art. 113
en 17 Gw).
2. Wetboek van Strafvordering (Sv): hierin staat de gedetailleerde
uitwerking van het strafproces: bevoegdheden OM, politie, rechter,
termijnen, dwangmiddelen etc.
,3. Aanvullende bronnen: internationale verdragen, beleidsregels,
jurisprudentie, richtlijnen en aanwijzingen.
,Hoofdrolspelers in het strafprocesrecht: de verdachte, het OM, de
politie, de rechter en de advocaat.
De verdachte
De verdachte is de centrale figuur in het strafproces.
Zonder verdachte kan het strafproces niet starten, want alleen tegen een
verdachte kunnen strafproceshandelingen worden toegepast.
Wanneer ben je een verdachte?
Volgens artikel 27 Sv is iemand verdachte als aan drie voorwaarden is voldaan:
1. Er is sprake van een enig strafbaar feit
De handeling moet verboden zijn (bijv. diefstal, mishandeling).
Iemand kan geen verdachte zijn van iets wat niet strafbaar is (bijv.
grap maken, kleding dragen).
2. Er is een redelijk vermoeden van schuld
Er moet meer zijn dan alleen een onderbuikgevoel van een agent.
Het vermoeden moet objectief en redelijk zijn op basis van
feiten/omstandigheden.
Voorbeeld: Een mishandelde persoon bloedt, de politie ziet een persoon
met bebloede handen redelijk vermoeden.
3. De feiten of omstandigheden wijzen daarop
Het gaat er om wat er feitelijk is gebeurd of gezien is.
Belangrijk:
De verdachte hoeft nog niet precies te weten welk strafbaar feit hij
mogelijk heeft gepleegd.
Het onderzoek mag juist starten om dat uit te zoeken.
De betekenis van artikel 129 Sv
Normaal start het strafprocesrecht bij een verdachte, maar in bepaalde
gevallen mag de overheid ook optreden zonder verdachte:
Artikel 129 Sv laat toe dat de overheid eerder ingrijpt:
Bijvoorbeeld als er nog geen verdachte is, maar wel een vermoeden
van een strafbaar feit.
Zoals bij ernstige misdrijven (terrorisme, georganiseerde misdaad) of
onduidelijke situaties (bijv. een verdacht overlijden).
Dit heet: afwijkend criterium (Wet BOB).
Toegestaan bij zware of georganiseerde misdaad.
Er hoeft dn nog geen concreet persoon verdacht te zijn.
Voor bepaalde bevoegdheden (bijv. afluisteren of observeren) is alleen een
redelijk vermoeden van een gepland misdrijf voldoende.
Rechten van de verdachte
Zodra iemand als verdachte is aangemerkt (art. 27 Sv), krijgt hij niet alleen
te maken met dwangmiddelen, maar ook met speciale rechten om het
evenwicht in het strafproces te waarborgen.
1 Zwijgrecht – Art. 29 lid 1 en 2 Sv
Elke verdachte heeft het recht om te zwijgen tijdens het verhoor.
De verdachte hoeft geen vragen te beantwoorden.
Cautieplicht: voor ieder verhoor moet aan de verdachte worden verteld
dat hij niet verplicht is om te antwoorden.
Plastic boodschappentas-arrest:
Hieruit blijkt dat de cautieplicht geldt vanaf het moment dat iemand als
verdachte wordt aangemerkt. Zo niet, dan is het verhoor ongeldig.
, Let op! : iemand die nog geen verdachte is, hoeft niet gewezen te worden
op het zwijgrecht, want dat recht geldt pas bij status ‘verdachte’.
2 Recht op een eerlijk proces (fair trial)
Verdachte mag niet onder dwang, bedrog of druk worden verhoord.
Hij moet vrij en bewust verklaringen kunnen afleggen.
3 Recht op bijstand van een advocaat – Art. 28 Sv
De verdachte heeft het recht op een advocaat tijdens het verhoor.
Dit geldt ook bij voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling.
De advocaat moet toegang hebben tot het dossier en met zijn client
kunnen overleggen.
4 Recht op informatie – Art. 27c Sv
De verdachte moet geïnformeerd worden over:
Zijn rechten (bijv. zwijgrecht, recht op advocaat),
De verdenking tegen hem,
Wat hem wordt verweten,
Zijn procespositie.
Dit moet in een begrijpelijke taal gebeuren.
5 Recht op inzage in processtukken – Art. 30 Sv
De verdachte mag documenten bekijken die van belang zijn voor zijn
verdediging.
Zo kan hij zich voorbereiden en zijn rechten uitoefenen.
6 Recht op vertaling en tolk – Art. 28c Sv
Verdachten die geen Nederlands begrijpen hebben recht op:
Vertaling van processtukken,
Een tolk tijdens het verhoor en in de rechtszaal.
7 Algemene rechtsbeginselen
a. Onschuldpresumptie (presumptio innocentiae)
Elke verdachte wordt als onschuldig beschouwd tot het tegendeel is
bewezen.
b. Nemo tenetur-beginsel
De verdachte hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Hij mag zwijgen of informatie achterhouden over zijn eigen gedrag.
Het Openbaar Ministerie en de officier van justitie
De Officier van Justitie treedt namens de maatschappij op als eisende
partij in het strafproces.
De Officier maakt deel uit van het Openbaar Ministerie, een belangrijke
organisatie binnen het Nederlandse strafprocesrecht.
De 5 hoofdtaken van het Openbaar ministerie
1 Handhaven van de strafrechtelijke orde
Politie is ondergeschikt aan het OM bij optreden ter handhaving van de
rechtsorde.
2 Opsporen van strafbare feiten
De Officier van Justitie is opsporingsambtenaar (art. 141 Sv).
Heeft leiding over het onderzoek (art. 148 Sv), maar laat het echte
speurwerk vaak aan de politie.