Breinkennis
BT4.7
Naam: Isabelle Smeele
Student: 9010293
Klas: D21
SLB: Martijn van Baarsen
Vakgebied: keuzevak breinkennis
Versie: 1
,Inleiding
Dit is mijn verslag voor het keuzevak breinkennis. Ik heb onderzoek gedaan naar de theorie rondom
het brein, de executieve functies en neuromythes. Ik heb drie leerlingen uitgekozen die signalen
vertoonde van zwakke executieve functies. Deze leerlingen heb ik geobserveerd en aan de hand
hiervan twee interventies meegedaan. Op die manier heb ik de leerlingen geholpen om de
ontwikkeling bij zijn of haar zwakke executieve functie te bevorderen. De opbouw van het verslag
wijst zich uit in de inhoudsopgave. De hoofdstukken van de gekozen leerlingen zijn verdeeld in de
volgende onderwerpen:
1. Achtergrondinformatie van de leerling
2. Betrokken executieve functie en theorie
3. Observaties
4. Interventies
5. Evaluatie
6. Vervolg
Onderaan in het verslag is mijn eigen reflectie terug te vinden. Daaronder staan de gebruikte bronnen
en bijlagen.
2
,Inhoudsopgave
Inleiding....................................................................................................................................................... 2
Theoretisch aspect........................................................................................................................................ 4
Leerling A...................................................................................................................................................... 6
Leerling B.................................................................................................................................................... 11
Leerling C.................................................................................................................................................... 16
Eigen reflectie............................................................................................................................................. 20
Bibliografie................................................................................................................................................. 22
Bijlagen....................................................................................................................................................... 23
Observatielijst zien in de klas leerling A............................................................................................................23
Interventie leerling A.........................................................................................................................................24
Observatielijst zien in de klas leerling B.............................................................................................................25
Interventie leerling B..........................................................................................................................................27
Observatielijst zien in de klas leerling C.............................................................................................................28
Interventie leerling C..........................................................................................................................................29
Vragenlijst executieve functies..........................................................................................................................32
Gebruikte bron bij observaties...........................................................................................................................34
3
, Theoretisch aspect
Vanuit een neuro-anatomisch perspectief maken neurologen Zezalo en Muller onderscheid tussen
twee typen executieve functies die voortkomen uit verschillende gebieden in het brein:
- Cognitieve executieve functies. Hieronder vallen werkgeheugen, inhibitie, plannen en
organiseren, flexibiliteit en verdeelde aandacht. Deze executieve functies komen
voornamelijk voort uit de dorsolaterale gebieden van de prefrontale cortex.
- Affectieve executieve functies. Hieronder vallen emotieregulatie, motivatie en zelfregulatie.
Deze executieve functies komen voornamelijk voort uit de ventrale en mediale gebieden van
de prefrontale cortex.
De executieve functies ontwikkelen zich al vanaf de vroege kindertijd tot ver in de adolescentie. De
rijping van de prefrontale cortex speelt hierbij een belangrijke rol. In de kleuterperiode zijn aandacht,
impulscontrole, zelfregulatie en werkgeheugen de voornaamste executieve functies die zich
ontwikkelen.
Problemen met de executieve functies op school kunnen zowel cognitief als affectief zijn. De
cognitieve tekorten uiten zich vaak in leerproblemen terwijl de affectieve tekorten meestal worden
gezien als een gedragsprobleem (van der Donk et al., 2020).
Op RKBS de Vogelweid (mijn stageschool) wordt er gebruik gemaakt van de methode: Beter bij de
les. Beter bij de les is een neuropsychologische behandeling waarbij executieve functies van het kind
worden getraind. Deze training is opgebouwd en voorgegeven vanuit een neuropsychologische
benadering over informatieverwerking. In het neuropsychologisch denkmodel, dat wordt gebruikt,
wordt een relatie gelegd tussen het gedrag van het kind en het functioneren van de hersenen. In dit
hersen-gedragmodel worden de cognitieve vaardigheden als een afspiegeling gebruikt die het gedrag
van een kind beïnvloeden en aansturen. Iedere trainingssessie verloopt op een gestandaardiseerde
manier waarbij achtereenvolgens de volgende elementen aangeboden worden:
1. Psycho-educatie
Het doel van dit onderdeel is om het kind meer inzicht te geven in het functioneren van het
eigen brein. De technieken die worden gebruikt worden op een speelse en aantrekkelijke
manier aangeboden gedurende de hele training. Zo leren kinderen dat je in het breinkasteel
veel valkuilen tegen kan komen. Deze valkuilen worden breinbandieten genoemd.
Voorbeelden hiervan zijn de afleid-bandiet en de te snel-bandiet.
2. Neuropsychologische oefening
In iedere sessie wordt er een ‘zin van de dag’ aangeboden. Deze zin is gekoppeld aan de
specifieke neuropsychologische vaardigheid die week. Aan de hand van deze ‘zin van de dag’
gaat het kind oefenen met een neuropsychologische taak. De opdrachten hebben een speels
karakter waarbij er geen goed of fout antwoord is. Het is de bedoeling dat het kind de psycho-
educatie gaat toepassen in de opdracht.
3. Schooloefeningen
De schoolse oefeningen bestaat elke dag uit een oefening waarmee het kind ook te maken
krijgt in de klas. Voor de onderbouw zijn dit knutsel-, constructie- en overige
speeloefeningen. Voor de bovenbouw zijn dit taal- en rekenoefeningen die lijken op het taal-
en rekenwerkboek. Het doel van deze schooloefeningen is enerzijds om metacognitie te
bevorderen en anderzijds om de generalisatie naar situaties in de klas te vergroten.
4. De werkgeheugentraining
Bij de ontwikkeling van de methode Beter bij de les is ervoor gekozen om specifiek het
werkgeheugen te trainen. Er is een bewuste keuze gemaakt voor het samenstellen van de
werkgeheugenoefeningen zodat alle systemen uit het werkgeheugen worden getraind:
- De visuele oefening
4
BT4.7
Naam: Isabelle Smeele
Student: 9010293
Klas: D21
SLB: Martijn van Baarsen
Vakgebied: keuzevak breinkennis
Versie: 1
,Inleiding
Dit is mijn verslag voor het keuzevak breinkennis. Ik heb onderzoek gedaan naar de theorie rondom
het brein, de executieve functies en neuromythes. Ik heb drie leerlingen uitgekozen die signalen
vertoonde van zwakke executieve functies. Deze leerlingen heb ik geobserveerd en aan de hand
hiervan twee interventies meegedaan. Op die manier heb ik de leerlingen geholpen om de
ontwikkeling bij zijn of haar zwakke executieve functie te bevorderen. De opbouw van het verslag
wijst zich uit in de inhoudsopgave. De hoofdstukken van de gekozen leerlingen zijn verdeeld in de
volgende onderwerpen:
1. Achtergrondinformatie van de leerling
2. Betrokken executieve functie en theorie
3. Observaties
4. Interventies
5. Evaluatie
6. Vervolg
Onderaan in het verslag is mijn eigen reflectie terug te vinden. Daaronder staan de gebruikte bronnen
en bijlagen.
2
,Inhoudsopgave
Inleiding....................................................................................................................................................... 2
Theoretisch aspect........................................................................................................................................ 4
Leerling A...................................................................................................................................................... 6
Leerling B.................................................................................................................................................... 11
Leerling C.................................................................................................................................................... 16
Eigen reflectie............................................................................................................................................. 20
Bibliografie................................................................................................................................................. 22
Bijlagen....................................................................................................................................................... 23
Observatielijst zien in de klas leerling A............................................................................................................23
Interventie leerling A.........................................................................................................................................24
Observatielijst zien in de klas leerling B.............................................................................................................25
Interventie leerling B..........................................................................................................................................27
Observatielijst zien in de klas leerling C.............................................................................................................28
Interventie leerling C..........................................................................................................................................29
Vragenlijst executieve functies..........................................................................................................................32
Gebruikte bron bij observaties...........................................................................................................................34
3
, Theoretisch aspect
Vanuit een neuro-anatomisch perspectief maken neurologen Zezalo en Muller onderscheid tussen
twee typen executieve functies die voortkomen uit verschillende gebieden in het brein:
- Cognitieve executieve functies. Hieronder vallen werkgeheugen, inhibitie, plannen en
organiseren, flexibiliteit en verdeelde aandacht. Deze executieve functies komen
voornamelijk voort uit de dorsolaterale gebieden van de prefrontale cortex.
- Affectieve executieve functies. Hieronder vallen emotieregulatie, motivatie en zelfregulatie.
Deze executieve functies komen voornamelijk voort uit de ventrale en mediale gebieden van
de prefrontale cortex.
De executieve functies ontwikkelen zich al vanaf de vroege kindertijd tot ver in de adolescentie. De
rijping van de prefrontale cortex speelt hierbij een belangrijke rol. In de kleuterperiode zijn aandacht,
impulscontrole, zelfregulatie en werkgeheugen de voornaamste executieve functies die zich
ontwikkelen.
Problemen met de executieve functies op school kunnen zowel cognitief als affectief zijn. De
cognitieve tekorten uiten zich vaak in leerproblemen terwijl de affectieve tekorten meestal worden
gezien als een gedragsprobleem (van der Donk et al., 2020).
Op RKBS de Vogelweid (mijn stageschool) wordt er gebruik gemaakt van de methode: Beter bij de
les. Beter bij de les is een neuropsychologische behandeling waarbij executieve functies van het kind
worden getraind. Deze training is opgebouwd en voorgegeven vanuit een neuropsychologische
benadering over informatieverwerking. In het neuropsychologisch denkmodel, dat wordt gebruikt,
wordt een relatie gelegd tussen het gedrag van het kind en het functioneren van de hersenen. In dit
hersen-gedragmodel worden de cognitieve vaardigheden als een afspiegeling gebruikt die het gedrag
van een kind beïnvloeden en aansturen. Iedere trainingssessie verloopt op een gestandaardiseerde
manier waarbij achtereenvolgens de volgende elementen aangeboden worden:
1. Psycho-educatie
Het doel van dit onderdeel is om het kind meer inzicht te geven in het functioneren van het
eigen brein. De technieken die worden gebruikt worden op een speelse en aantrekkelijke
manier aangeboden gedurende de hele training. Zo leren kinderen dat je in het breinkasteel
veel valkuilen tegen kan komen. Deze valkuilen worden breinbandieten genoemd.
Voorbeelden hiervan zijn de afleid-bandiet en de te snel-bandiet.
2. Neuropsychologische oefening
In iedere sessie wordt er een ‘zin van de dag’ aangeboden. Deze zin is gekoppeld aan de
specifieke neuropsychologische vaardigheid die week. Aan de hand van deze ‘zin van de dag’
gaat het kind oefenen met een neuropsychologische taak. De opdrachten hebben een speels
karakter waarbij er geen goed of fout antwoord is. Het is de bedoeling dat het kind de psycho-
educatie gaat toepassen in de opdracht.
3. Schooloefeningen
De schoolse oefeningen bestaat elke dag uit een oefening waarmee het kind ook te maken
krijgt in de klas. Voor de onderbouw zijn dit knutsel-, constructie- en overige
speeloefeningen. Voor de bovenbouw zijn dit taal- en rekenoefeningen die lijken op het taal-
en rekenwerkboek. Het doel van deze schooloefeningen is enerzijds om metacognitie te
bevorderen en anderzijds om de generalisatie naar situaties in de klas te vergroten.
4. De werkgeheugentraining
Bij de ontwikkeling van de methode Beter bij de les is ervoor gekozen om specifiek het
werkgeheugen te trainen. Er is een bewuste keuze gemaakt voor het samenstellen van de
werkgeheugenoefeningen zodat alle systemen uit het werkgeheugen worden getraind:
- De visuele oefening
4