Samenvatting kennisbasis rekenen- wiskunde BT4.2
- Rekenen wiskunde in de praktijk: kerninzichten, 1, 9, 10
- Rekenen wiskunde in de praktijk: onderbouw, 1 t/m 9, 14, 15
KERNINZICHTEN
HFDSTK 1 Hele getallen
, Kinderen moeten leren dat je bij het tellen van voorwerpen, steeds 1 voorwerp
moeten aanwijzen. Bijvoorbeeld bij het spelen van spelletjes. Dit noemen we
Synchroon tellen.
Dit is nodig om dobbelsteenogen te tellen. Synchroon tellen is de basisstap, om
hierna te begrijpen dat het laatste cijfer wat ze noemen de hoeveelheid aangeeft.
Dit heet Resultatief tellen (het tel resultaat).
1,2,3,4,5, etc. is de Telrij.
Ordeningsfunctie: gaat om volgorde → tellen van voorwerpen
Kardinale functie: gaat om de uitkomst → hoeveel zijn het er?
GETALFUNCTIES: Een getal kan meerdere functies hebben.
Hoeveelheidsgetal: hoeveelheid van iets.
Telgetal: volgorde nummer, bladzijde 5.
Meetgetal: alles wat met maten te maken heeft. 7 meter, 3 kg.
Naamgetal: bus 15
Rekengetal: 5+3=8
Je kunt herkennen wanneer kinderen hoeveelheid kunnen representeren
(uitbeelden/ benoemen) wanneer ze:
- Het juiste getal uitspreken
- Het juiste cijfersymbool aanwijzen
- Het juiste aantal vingers opsteken
Akoestisch tellen
Het zonder betekenis, ritmisch opnoemen van de telrij. Tellen van 1- 10, 10-1.
Natuurlijk getal: 1,2,3,4,5,6,7,8,9
Negatief getal: -1,-2 etc.
Dit samen heten de gehele getallen
Getalbeeld: automatiseren van een patroon → dobbelsteenogen, aantal vingers
Vijfstructuur: het verder tellen vanaf 5. Gebruiken kleuters bij plussommen:
5+3= (5 vingers weet je, vanaf daar tel je er 3 bij. 6,7,8)
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
-------
HFDSTK 9 Meten
Grootheid: het gewicht van een voorwerp in woorden: zwaarder, lichter, groter,
kleiner
Samengestelde grootheid: snelheid heeft 2 grootheden: de afstand en
tijdeenheid
Kwantificeren: koppelen van getal aan grootheid: 2 kilo zwaarder
Afpassen: schattend meten. Bv: hoeveel voeten lang is jouw tafel?
Waaraan kun je zien dat een leerling beschikt over het kwantificeren van
grootheden?
- Kan meten door het afpassen: hoeveel stappen naar de zee?
- Rekenen wiskunde in de praktijk: kerninzichten, 1, 9, 10
- Rekenen wiskunde in de praktijk: onderbouw, 1 t/m 9, 14, 15
KERNINZICHTEN
HFDSTK 1 Hele getallen
, Kinderen moeten leren dat je bij het tellen van voorwerpen, steeds 1 voorwerp
moeten aanwijzen. Bijvoorbeeld bij het spelen van spelletjes. Dit noemen we
Synchroon tellen.
Dit is nodig om dobbelsteenogen te tellen. Synchroon tellen is de basisstap, om
hierna te begrijpen dat het laatste cijfer wat ze noemen de hoeveelheid aangeeft.
Dit heet Resultatief tellen (het tel resultaat).
1,2,3,4,5, etc. is de Telrij.
Ordeningsfunctie: gaat om volgorde → tellen van voorwerpen
Kardinale functie: gaat om de uitkomst → hoeveel zijn het er?
GETALFUNCTIES: Een getal kan meerdere functies hebben.
Hoeveelheidsgetal: hoeveelheid van iets.
Telgetal: volgorde nummer, bladzijde 5.
Meetgetal: alles wat met maten te maken heeft. 7 meter, 3 kg.
Naamgetal: bus 15
Rekengetal: 5+3=8
Je kunt herkennen wanneer kinderen hoeveelheid kunnen representeren
(uitbeelden/ benoemen) wanneer ze:
- Het juiste getal uitspreken
- Het juiste cijfersymbool aanwijzen
- Het juiste aantal vingers opsteken
Akoestisch tellen
Het zonder betekenis, ritmisch opnoemen van de telrij. Tellen van 1- 10, 10-1.
Natuurlijk getal: 1,2,3,4,5,6,7,8,9
Negatief getal: -1,-2 etc.
Dit samen heten de gehele getallen
Getalbeeld: automatiseren van een patroon → dobbelsteenogen, aantal vingers
Vijfstructuur: het verder tellen vanaf 5. Gebruiken kleuters bij plussommen:
5+3= (5 vingers weet je, vanaf daar tel je er 3 bij. 6,7,8)
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
-------
HFDSTK 9 Meten
Grootheid: het gewicht van een voorwerp in woorden: zwaarder, lichter, groter,
kleiner
Samengestelde grootheid: snelheid heeft 2 grootheden: de afstand en
tijdeenheid
Kwantificeren: koppelen van getal aan grootheid: 2 kilo zwaarder
Afpassen: schattend meten. Bv: hoeveel voeten lang is jouw tafel?
Waaraan kun je zien dat een leerling beschikt over het kwantificeren van
grootheden?
- Kan meten door het afpassen: hoeveel stappen naar de zee?