Leerdoelen module E Chat
Inhoudsopgave
Leerdoelen module E Chat.............................................................................................. 1
Anatomie........................................................................................................................ 2
Pathologie....................................................................................................................... 4
AZT................................................................................................................................. 7
ST-depressie.................................................................................................................... 8
Herkenning op het ECG:.............................................................................................. 8
Mogelijke oorzaken:..................................................................................................... 8
Ernst:........................................................................................................................... 8
Behandeling:............................................................................................................... 8
ST-elevatie...................................................................................................................... 8
Herkenning op het ECG:.............................................................................................. 8
Mogelijke oorzaken:..................................................................................................... 8
Ernst:........................................................................................................................... 9
Behandeling bij STEMI:................................................................................................ 9
Samenvattende vergelijking:.......................................................................................... 9
Anesthesiologie.............................................................................................................. 9
Overwegingen bij de keuze van de anesthesietechniek............................................17
Overwegingen bij de keuze van de farmaca..............................................................17
Aandachtspunten bij anesthesie en monitoring.........................................................18
Thermoregulatie........................................................................................................ 18
Vochtbalans............................................................................................................... 18
Complicaties (anesthesiologisch relevant)................................................................18
Perioperatieve verwikkelingen...................................................................................18
Specifieke procedures............................................................................................... 19
Postoperatieve zorg................................................................................................... 19
Samenvattende tabel: Aandachtspunten bij vaatchirurgie...........................................19
Overwegingen bij de keuze van de soort anesthesie.................................................19
Lever- en nierfunctie................................................................................................. 20
Veranderingen in de ventilatie..................................................................................20
Het zenuwstelsel....................................................................................................... 20
Cardiovasculaire veranderingen................................................................................20
Algehele conditie en vochtbalans..............................................................................20
Postoperatief delier................................................................................................... 20
Samenvatting tabel: Anesthesiologische aandachtspunten geriatrische patiënt..........21
Chirurgie....................................................................................................................... 35
Farmacologie................................................................................................................ 42
,Anatomie
Fysiologische pijn
Hoe ontstaat een pijnprikkel (nociceptie)?
Een pijnprikkel ontstaat als volgt:
Transductie: weefselschade of dreigende schade activeert
nociceptoren (pijnreceptoren) die chemische stoffen detecteren
zoals prostaglandines, histamine, en bradykinine.
Transmissie: het signaal wordt via perifere zenuwen (A-delta en C-
vezels) naar het ruggenmerg en vervolgens naar de hersenen
geleid.
Perceptie: de hersenen interpreteren het signaal als pijn.
Modulatie: het centrale zenuwstelsel kan de pijnprikkel versterken
of dempen via dalende banen.
Delen van de hersenen betrokken bij pijnperceptie
Thalamus: filtert en geleidt pijnsignalen naar de juiste
hersengebieden.
Somatosensorische cortex: lokaliseert de pijn en bepaalt de
intensiteit.
Limbisch systeem: geeft een emotionele lading aan de pijn.
Prefrontale cortex: betrokken bij het cognitief beoordelen van pijn.
Fysiologische factoren die invloed hebben op pijngewaarwording
Neurotransmitters (zoals serotonine, noradrenaline, endorfines)
kunnen pijn onderdrukken of versterken.
Zenuwbanen: schade aan zenuwen kan leiden tot veranderde
pijnwaarneming (zoals bij neuropathische pijn).
Centraal zenuwstelsel: centrale sensitisatie kan zorgen voor
verhoogde gevoeligheid.
Hormonale invloeden, bijvoorbeeld bij stress (meer cortisol en
adrenaline → beïnvloeding pijnervaring).
Individuele factoren: genetica, eerdere pijnervaringen, stemming.
Functie van pijn
Beschermende functie: waarschuwt voor (dreigende)
weefselschade.
Lerend effect: leidt tot vermijding van schadelijke situaties.
Signalerende functie: kan wijzen op een onderliggend medisch
probleem.
Onderscheid tussen soorten pijn en hun behandelingen
Acute pijn
Beschrijving: kortdurend, voorspelbaar, duidelijke oorzaak.
, Behandeling: paracetamol, NSAID's, eventueel opioïden, rust,
wondverzorging.
Chronische pijn
Beschrijving: >3 maanden aanhoudend, vaak zonder duidelijke
oorzaak.
Behandeling: pijnmedicatie (lage dosering), antidepressiva,
cognitieve gedragstherapie, fysiotherapie, multidisciplinaire aanpak.
Maligne pijn (kankergerelateerd)
Beschrijving: veroorzaakt door tumorinvasie, metastasen, of
behandeling.
Behandeling: WHO-pijnladder (paracetamol → NSAID's → opioïden),
adjuvante medicatie (zoals antidepressiva, anticonvulsiva),
palliatieve zorg.
Benigne pijn
Beschrijving: pijn bij niet-kwaadaardige aandoeningen.
Behandeling: afhankelijk van oorzaak, vaak NSAID’s, fysiotherapie,
leefstijladviezen.
Nociceptieve pijn
Beschrijving: door directe weefselschade; somatisch of visceraal.
Behandeling: paracetamol, NSAID's, opioïden bij ernstige pijn.
Neuropathische pijn
Beschrijving: door beschadiging van zenuwen of het zenuwstelsel.
Behandeling: anticonvulsiva (zoals gabapentine), antidepressiva
(zoals amitriptyline), lidocaïnepleisters, TENS.
Ventilatie perfusie
Verandering van de ventilatie/perfusie (V/Q) verhouding bij
longchirurgie
Ventilatie/perfusie (V/Q) verhouding – basisbegrip:
Ventilatie (V): hoeveelheid lucht die de longblaasjes bereikt.
Perfusie (Q): hoeveelheid bloed die langs de longcapillairen
stroomt.
Normale V/Q-verhouding: ongeveer 0,8 – lichte mismatch is
normaal.
Veranderingen tijdens longoperaties of ingrepen:
Eenzijdige beademing (bij bijv. thoracotomie):
o De niet-geventileerde long ontvangt vaak nog wel bloed
→ intrapulmonale shunt.
o Hierdoor daalt de zuurstofopname (V/Q = 0 in dat deel).
Verwijdering van longweefsel (bijv. lobectomie):
o Minder longoppervlak → lagere totale V/Q-verhouding.
Verandering in houding (bijv. zijligging):
, o Perfusie wordt beïnvloed door zwaartekracht → mismatch
tussen ventilatie en perfusie.
Compensatiemechanismen:
o Hypoxische vasoconstrictie: bloedvaten in slecht
geventileerde gebieden trekken samen → stuurt bloed naar
beter geventileerde gebieden → vermindert shuntvorming.
Begrippen: shunting en dode ruimte ventilatie
Shunting
Definitie: bloed stroomt door de longen zonder zuurstof op te
nemen.
Oorzaken:
o Longontsteking, atelectase, longoedeem, of eenzijdige
beademing.
V/Q-verhouding: V = 0 → V/Q = 0.
Gevolg: hypoxemie die niet goed reageert op extra zuurstof.
Dode ruimte ventilatie
Definitie: ventilatie van longgebieden zonder dat er perfusie is.
Oorzaken:
o Longembolie, lage cardiac output, mechanische ventilatie met
hoge druk.
V/Q-verhouding: Q = 0 → V/Q = ∞ (oneindig).
Gevolg: inefficiëntie in gaswisseling, verhoogd CO₂, mogelijk
respiratoire alkalose bij hyperventilatie.
Pathologie
Zwangere
Effecten van zwangerschap op de moeder – vanuit pathofysiologie
Tijdens de zwangerschap ondergaat het lichaam van de moeder
fysiologische aanpassingen, o.a.:
Cardiovasculair:
Toename bloedvolume (+30–50%)
Toename hartminuutvolume
Afname perifere vaatweerstand door progesteron → lichte
bloeddrukdaling in 2e trimester
Respiratoir:
Verhoogde zuurstofbehoefte
Toename ademminuutvolume
Compensatoire respiratoire alkalose
Renale systeem:
Verhoogde GFR (glomerulaire filtratiesnelheid)
Verhoogde doorbloeding nieren
Lichte proteïnurie kan fysiologisch zijn
Hematologisch:
Verdunning door toename plasma → fysiologische anemie
Inhoudsopgave
Leerdoelen module E Chat.............................................................................................. 1
Anatomie........................................................................................................................ 2
Pathologie....................................................................................................................... 4
AZT................................................................................................................................. 7
ST-depressie.................................................................................................................... 8
Herkenning op het ECG:.............................................................................................. 8
Mogelijke oorzaken:..................................................................................................... 8
Ernst:........................................................................................................................... 8
Behandeling:............................................................................................................... 8
ST-elevatie...................................................................................................................... 8
Herkenning op het ECG:.............................................................................................. 8
Mogelijke oorzaken:..................................................................................................... 8
Ernst:........................................................................................................................... 9
Behandeling bij STEMI:................................................................................................ 9
Samenvattende vergelijking:.......................................................................................... 9
Anesthesiologie.............................................................................................................. 9
Overwegingen bij de keuze van de anesthesietechniek............................................17
Overwegingen bij de keuze van de farmaca..............................................................17
Aandachtspunten bij anesthesie en monitoring.........................................................18
Thermoregulatie........................................................................................................ 18
Vochtbalans............................................................................................................... 18
Complicaties (anesthesiologisch relevant)................................................................18
Perioperatieve verwikkelingen...................................................................................18
Specifieke procedures............................................................................................... 19
Postoperatieve zorg................................................................................................... 19
Samenvattende tabel: Aandachtspunten bij vaatchirurgie...........................................19
Overwegingen bij de keuze van de soort anesthesie.................................................19
Lever- en nierfunctie................................................................................................. 20
Veranderingen in de ventilatie..................................................................................20
Het zenuwstelsel....................................................................................................... 20
Cardiovasculaire veranderingen................................................................................20
Algehele conditie en vochtbalans..............................................................................20
Postoperatief delier................................................................................................... 20
Samenvatting tabel: Anesthesiologische aandachtspunten geriatrische patiënt..........21
Chirurgie....................................................................................................................... 35
Farmacologie................................................................................................................ 42
,Anatomie
Fysiologische pijn
Hoe ontstaat een pijnprikkel (nociceptie)?
Een pijnprikkel ontstaat als volgt:
Transductie: weefselschade of dreigende schade activeert
nociceptoren (pijnreceptoren) die chemische stoffen detecteren
zoals prostaglandines, histamine, en bradykinine.
Transmissie: het signaal wordt via perifere zenuwen (A-delta en C-
vezels) naar het ruggenmerg en vervolgens naar de hersenen
geleid.
Perceptie: de hersenen interpreteren het signaal als pijn.
Modulatie: het centrale zenuwstelsel kan de pijnprikkel versterken
of dempen via dalende banen.
Delen van de hersenen betrokken bij pijnperceptie
Thalamus: filtert en geleidt pijnsignalen naar de juiste
hersengebieden.
Somatosensorische cortex: lokaliseert de pijn en bepaalt de
intensiteit.
Limbisch systeem: geeft een emotionele lading aan de pijn.
Prefrontale cortex: betrokken bij het cognitief beoordelen van pijn.
Fysiologische factoren die invloed hebben op pijngewaarwording
Neurotransmitters (zoals serotonine, noradrenaline, endorfines)
kunnen pijn onderdrukken of versterken.
Zenuwbanen: schade aan zenuwen kan leiden tot veranderde
pijnwaarneming (zoals bij neuropathische pijn).
Centraal zenuwstelsel: centrale sensitisatie kan zorgen voor
verhoogde gevoeligheid.
Hormonale invloeden, bijvoorbeeld bij stress (meer cortisol en
adrenaline → beïnvloeding pijnervaring).
Individuele factoren: genetica, eerdere pijnervaringen, stemming.
Functie van pijn
Beschermende functie: waarschuwt voor (dreigende)
weefselschade.
Lerend effect: leidt tot vermijding van schadelijke situaties.
Signalerende functie: kan wijzen op een onderliggend medisch
probleem.
Onderscheid tussen soorten pijn en hun behandelingen
Acute pijn
Beschrijving: kortdurend, voorspelbaar, duidelijke oorzaak.
, Behandeling: paracetamol, NSAID's, eventueel opioïden, rust,
wondverzorging.
Chronische pijn
Beschrijving: >3 maanden aanhoudend, vaak zonder duidelijke
oorzaak.
Behandeling: pijnmedicatie (lage dosering), antidepressiva,
cognitieve gedragstherapie, fysiotherapie, multidisciplinaire aanpak.
Maligne pijn (kankergerelateerd)
Beschrijving: veroorzaakt door tumorinvasie, metastasen, of
behandeling.
Behandeling: WHO-pijnladder (paracetamol → NSAID's → opioïden),
adjuvante medicatie (zoals antidepressiva, anticonvulsiva),
palliatieve zorg.
Benigne pijn
Beschrijving: pijn bij niet-kwaadaardige aandoeningen.
Behandeling: afhankelijk van oorzaak, vaak NSAID’s, fysiotherapie,
leefstijladviezen.
Nociceptieve pijn
Beschrijving: door directe weefselschade; somatisch of visceraal.
Behandeling: paracetamol, NSAID's, opioïden bij ernstige pijn.
Neuropathische pijn
Beschrijving: door beschadiging van zenuwen of het zenuwstelsel.
Behandeling: anticonvulsiva (zoals gabapentine), antidepressiva
(zoals amitriptyline), lidocaïnepleisters, TENS.
Ventilatie perfusie
Verandering van de ventilatie/perfusie (V/Q) verhouding bij
longchirurgie
Ventilatie/perfusie (V/Q) verhouding – basisbegrip:
Ventilatie (V): hoeveelheid lucht die de longblaasjes bereikt.
Perfusie (Q): hoeveelheid bloed die langs de longcapillairen
stroomt.
Normale V/Q-verhouding: ongeveer 0,8 – lichte mismatch is
normaal.
Veranderingen tijdens longoperaties of ingrepen:
Eenzijdige beademing (bij bijv. thoracotomie):
o De niet-geventileerde long ontvangt vaak nog wel bloed
→ intrapulmonale shunt.
o Hierdoor daalt de zuurstofopname (V/Q = 0 in dat deel).
Verwijdering van longweefsel (bijv. lobectomie):
o Minder longoppervlak → lagere totale V/Q-verhouding.
Verandering in houding (bijv. zijligging):
, o Perfusie wordt beïnvloed door zwaartekracht → mismatch
tussen ventilatie en perfusie.
Compensatiemechanismen:
o Hypoxische vasoconstrictie: bloedvaten in slecht
geventileerde gebieden trekken samen → stuurt bloed naar
beter geventileerde gebieden → vermindert shuntvorming.
Begrippen: shunting en dode ruimte ventilatie
Shunting
Definitie: bloed stroomt door de longen zonder zuurstof op te
nemen.
Oorzaken:
o Longontsteking, atelectase, longoedeem, of eenzijdige
beademing.
V/Q-verhouding: V = 0 → V/Q = 0.
Gevolg: hypoxemie die niet goed reageert op extra zuurstof.
Dode ruimte ventilatie
Definitie: ventilatie van longgebieden zonder dat er perfusie is.
Oorzaken:
o Longembolie, lage cardiac output, mechanische ventilatie met
hoge druk.
V/Q-verhouding: Q = 0 → V/Q = ∞ (oneindig).
Gevolg: inefficiëntie in gaswisseling, verhoogd CO₂, mogelijk
respiratoire alkalose bij hyperventilatie.
Pathologie
Zwangere
Effecten van zwangerschap op de moeder – vanuit pathofysiologie
Tijdens de zwangerschap ondergaat het lichaam van de moeder
fysiologische aanpassingen, o.a.:
Cardiovasculair:
Toename bloedvolume (+30–50%)
Toename hartminuutvolume
Afname perifere vaatweerstand door progesteron → lichte
bloeddrukdaling in 2e trimester
Respiratoir:
Verhoogde zuurstofbehoefte
Toename ademminuutvolume
Compensatoire respiratoire alkalose
Renale systeem:
Verhoogde GFR (glomerulaire filtratiesnelheid)
Verhoogde doorbloeding nieren
Lichte proteïnurie kan fysiologisch zijn
Hematologisch:
Verdunning door toename plasma → fysiologische anemie