sociale (on)gelijkheid
1. structuur en cultuur
elke samenleving heeft een sociale structuur
⇒ verzameling van geordende relaties, geheel sociale verhoudingen die invloed hebben op ons
● zodat samenleven ordelijk verloopt
● we nemen verschillende sociale posities op
○ elke positie heeft een sociale rol, status, rolpartners, rolgedrag en positieset
sociale positie → verschillende plaatsen die we opnemen in de samenleving. Plaats in
verschillende maatschappelijke groepen (trainer, dochter,..)
sociale rol → verwachtingen die bij positie horen (behalen van diploma)
sociale status → het aanzien/ waardering dat je hebt (leerkracht = veel vakantie)
rolpartners → mensen die in dezelfde groep zitten, waarmee je een positie deelt (medeleerlingen)
rolgedrag → gedrag dat bij jou rol hoort (studeren als lln)
positieset → al je verschillende rollen samen
hogere sociale positie = meer macht → beïnvloed status
● boven- en ondergeschikte relatie tussen mensen = sociale ongelijkheid
objectieve ongelijkheid:
● schaarse, algemeen gewaardeerde zaken
○ economisch, cultureel en sociaal kapitaal
subjectieve ongelijkheid:
● ongelijke waardering en behandeling obv sociale positie en levensstijl
sociale ongelijkheid onderzoeken door mate waarin sociale mobiliteit mogelijk is
⇒ mate waarin je kan verschuiven van lagere naar hogere positie of omgekeerd
sociale positie → bepaald door toegang tot belangrijke middelen (eigendom, kapitaal en
onderwijs)
elke samenleving heeft overkoepelende cultuur → bestaat uit cultuurcomponenten:
● recht
● godsdienst
● materiële voorwerpen
● instituties
● waarden en normen
● symbolen
● rituelen
● kunst
● wetenschap en techniek
● taal
variaties in cultuur:
● subcultuur → eigen cultuur volgen
● tegencultuur → afzetten tegen cultuur
, socialisatie → levenslang proces waarbij waarden, normen, kennis, gewoontes en vaardigheden
worden doorgegeven
● primaire socialisatie → gezin (beleefdheid, op tijd komen)
● secundaire socialisatie → school, vrienden, leeftijdsgenoten (discipline)
● tertiaire socialisatie → sociale media (jongerentaal)
2. socialisatie
maatschappij evolueert voortdurend en geleidelijk → MAAR bewaard specifieke aard
● door cultuuroverdracht = socialisatie
○ nieuwe leden passen zich aan → worden vermaatschappelijkt
○ continuïteit van maatschappij gegarandeerd
niet gedrag aanleren, maar overnemen (anders pedagogiek)
2 manieren om gesocialiseerd te worden:
● enculturatie → in samenleving waar we geboren worden
● acculturatie → bij mensen die in andere cultuur worden gevormd (migratie, andere plek,
gaan studeren)
socialisatie = continu proces (primaire = belangrijk)
● wanneer sociale omstandigheden veranderen → socialisatieproces
● wanneer sociale positie veranderd → andere sociale rollen aanleren
2.1. mead
socialisatie = ontwikkeling van mens als sociale wezens via sociale interactie tussen kind en omgeving
2 fasen → vanaf jonge leeftijd al personen uit omgeving onbewust imiteren:
● play-stadium
○ 3-4j → reeks dubbele rollen (zichzelf en van iemand uit omgeving)
■ = role-taking → door rol van significant other over te nemen leert kind zichzelf
vanuit standpunt van anderen te zien en zelfbewustzijn te ontwikkelen
○ leert rudimentair normbesef → leert wat mag en niet mag en hoe het zich moet
gedragen
● game stadium
○ vanaf 5j → met meerdere anderen tegelijk rekening houden
○ leert zichzelf zien vanuit standpunt als groep als geheel = generalized other
■ taking the role of the other
→ inzicht in groepsleven
→ meer zelfkennis
○ waarden & normen internaliseren (deel van individu)
wanneer kind alle rollen van leden van groepen heeft aangeleerd en geïnternaliseerd → soort
van volwassene
● het Me = voltooid
○ gesocialiseerde deel van de persoonlijkheid
○ afspiegeling van maatschappij
● het /
○ impulsieve, spontane gedeelte van persoonlijkheid
⇒ meeste mensen ‘me’ ontwikkeld → continuïteit van normatieve aspecten van maatschappij
gegarandeerd
1. structuur en cultuur
elke samenleving heeft een sociale structuur
⇒ verzameling van geordende relaties, geheel sociale verhoudingen die invloed hebben op ons
● zodat samenleven ordelijk verloopt
● we nemen verschillende sociale posities op
○ elke positie heeft een sociale rol, status, rolpartners, rolgedrag en positieset
sociale positie → verschillende plaatsen die we opnemen in de samenleving. Plaats in
verschillende maatschappelijke groepen (trainer, dochter,..)
sociale rol → verwachtingen die bij positie horen (behalen van diploma)
sociale status → het aanzien/ waardering dat je hebt (leerkracht = veel vakantie)
rolpartners → mensen die in dezelfde groep zitten, waarmee je een positie deelt (medeleerlingen)
rolgedrag → gedrag dat bij jou rol hoort (studeren als lln)
positieset → al je verschillende rollen samen
hogere sociale positie = meer macht → beïnvloed status
● boven- en ondergeschikte relatie tussen mensen = sociale ongelijkheid
objectieve ongelijkheid:
● schaarse, algemeen gewaardeerde zaken
○ economisch, cultureel en sociaal kapitaal
subjectieve ongelijkheid:
● ongelijke waardering en behandeling obv sociale positie en levensstijl
sociale ongelijkheid onderzoeken door mate waarin sociale mobiliteit mogelijk is
⇒ mate waarin je kan verschuiven van lagere naar hogere positie of omgekeerd
sociale positie → bepaald door toegang tot belangrijke middelen (eigendom, kapitaal en
onderwijs)
elke samenleving heeft overkoepelende cultuur → bestaat uit cultuurcomponenten:
● recht
● godsdienst
● materiële voorwerpen
● instituties
● waarden en normen
● symbolen
● rituelen
● kunst
● wetenschap en techniek
● taal
variaties in cultuur:
● subcultuur → eigen cultuur volgen
● tegencultuur → afzetten tegen cultuur
, socialisatie → levenslang proces waarbij waarden, normen, kennis, gewoontes en vaardigheden
worden doorgegeven
● primaire socialisatie → gezin (beleefdheid, op tijd komen)
● secundaire socialisatie → school, vrienden, leeftijdsgenoten (discipline)
● tertiaire socialisatie → sociale media (jongerentaal)
2. socialisatie
maatschappij evolueert voortdurend en geleidelijk → MAAR bewaard specifieke aard
● door cultuuroverdracht = socialisatie
○ nieuwe leden passen zich aan → worden vermaatschappelijkt
○ continuïteit van maatschappij gegarandeerd
niet gedrag aanleren, maar overnemen (anders pedagogiek)
2 manieren om gesocialiseerd te worden:
● enculturatie → in samenleving waar we geboren worden
● acculturatie → bij mensen die in andere cultuur worden gevormd (migratie, andere plek,
gaan studeren)
socialisatie = continu proces (primaire = belangrijk)
● wanneer sociale omstandigheden veranderen → socialisatieproces
● wanneer sociale positie veranderd → andere sociale rollen aanleren
2.1. mead
socialisatie = ontwikkeling van mens als sociale wezens via sociale interactie tussen kind en omgeving
2 fasen → vanaf jonge leeftijd al personen uit omgeving onbewust imiteren:
● play-stadium
○ 3-4j → reeks dubbele rollen (zichzelf en van iemand uit omgeving)
■ = role-taking → door rol van significant other over te nemen leert kind zichzelf
vanuit standpunt van anderen te zien en zelfbewustzijn te ontwikkelen
○ leert rudimentair normbesef → leert wat mag en niet mag en hoe het zich moet
gedragen
● game stadium
○ vanaf 5j → met meerdere anderen tegelijk rekening houden
○ leert zichzelf zien vanuit standpunt als groep als geheel = generalized other
■ taking the role of the other
→ inzicht in groepsleven
→ meer zelfkennis
○ waarden & normen internaliseren (deel van individu)
wanneer kind alle rollen van leden van groepen heeft aangeleerd en geïnternaliseerd → soort
van volwassene
● het Me = voltooid
○ gesocialiseerde deel van de persoonlijkheid
○ afspiegeling van maatschappij
● het /
○ impulsieve, spontane gedeelte van persoonlijkheid
⇒ meeste mensen ‘me’ ontwikkeld → continuïteit van normatieve aspecten van maatschappij
gegarandeerd