First-pass effect
Stof komt via de orale/sublinguaal/buccaal (via mond) route binnen.
De stof gaat langs de maag waar die opgenomen kan worden of hij gaat via de darm waar het door de
darmslijmvlies wordt opgenomen in de bloedbaan.
De bloedbaan komt altijd langs de vena porta (Aanvoer bloed voor de
lever)
De lever metaboliseert de stof uit het bloed, waardoor er minder van
de oorspronkelijke stof de lever weer verlaat. Een groot deel wordt
omgezet door de lever.
Er is een uitzondering waar de first pass effect niet optreed en dit zijn
stoffen die via de rectale route (via anus) binnen komen. -> stof komt
volledig in de bloedbaan terecht
Enterohepatische kringloop
Stoffen die uitgescheiden worden door de lever gaan naar de galblaas.
De galblaas komt via de galgang uit op de duodenum
Aan de darm inhoud worden galzouten toegevoegd -> zo
kunnen vetten beter oplossen (emulgerende werking)
Bepaalde stoffen die in de lever worden gemetaboliseerd
kunnen worden afgegeven aan de galblaas -> dit zorgt ervoor
dat de stoffen weer terugkomen in het darmkanaal.
In het darmkanaal kunnen de stoffen weer worden opgenomen in het bloed -> via de vene porta
weer naar de lever.
Dit zorgt ervoor dat de stof langer in het lichaam achterblijft
(voordeel enterohepatische kringloop)
Voorbewerken stoffen
Stoffen die vettig zijn worden makkelijker
opgenomen/verspreid door het lichaam. Dit maakt het
moeilijk om deze stoffen te verwijderen uit het lichaam.
,Oplossing: lipofiele stoffen worden in de lever aangepast naar een wateroplosbare stof -> minder
lipofiele stoffen in het lichaam
Lipofiele stoffen gaan via de nieren weer terug in de bloedbaan.
Een wateroplosbare stof lost bij de nieren op in de urine -> zo wordt de stof afgevoerd uit het lichaam
Fase I en II reacties
Nieuwe groepen plaatsen aan vettige stoffen (farmacon) gaat via fase I reactie
Groepen worden aan de stof toegevoegd om de stof meer hydrofiel te maken
Er wordt een soort aangrijpingspunt in het farmacon gemaakt, waardoor er een groep aan
vastgemaakt kan worden Vb: suikermolecuul
Farmacon wordt dan beter oplosbaar
Tussenfase (derivative)
Farmacon aangepast (fase I) en is al water oplosbaar genoeg?
Farmacon kan meteen worden uitgescheiden
Fase II
Stoffen die al wateroplosbaar zijn slaan deze reactie over en worden meteen uitgescheiden
Nog niet hydrofiel genoeg?
Conjugaat (polair molecuul: mol verschil in lading) wordt aan farmacon vastgeplakt
Fase 1: oxidatie: cytochroom P-450
Speciale groep enzymen die een molecuul kunnen aanpassen -> oxidorelatase enzymen van de
cytochroom P-450.
cytochroom P-450 enzymen. (CYP)
Grote eiwitten/enzymen die bij 450 nm in de spectrofotometer meetbaar zijn.
, Ze zijn instaat om een begin te maken van wateroplosbaar maken van moleculen
Met behulp van oxidoreductatie reacties -> vb: hydrolyse (toevoegen OH-groep)
Vb:
Ring structuren zijn vettig en moeilijk oplosbaar -> er wordt een OH groep aan gekoppeld-> meer
wateroplosbaar
Dit gebeurd in de lever.
De stoffen die vettig zijn neigen ernaartoe om naar vettige membranen te gaan. -> Het
cytochroom enzym bevinden zich in het ER membraan.
Fase 1: CYP: lokalisatie (+ fase 2)
Vettige stoffen worden aangepakt door cytochroom P-450 enzymen
Deze reacties gebeuren in de lever.
Vettige stoffen neigen ernaartoe om naar vettige membranen te gaan
Het cytochroom enzym bevindt zich in het SER membraan. -> handig, want vettige stoffen zullen dan
in aanraking komen met het enzym in de lever
cytochroom P-450 enzym kan steeds rondjes draaien.
Tijdens het draaien kan het enzym een OH-groep inbouwen bij een vettige farmacon
Oxidoreductase reactie -> kost energie (NAPDH)
NAPDH wordt geoxideerd -> geeft elektron af aan cytochroom P-450 enzym -> Houdt NADP over
Met verkregen elektron kan O2 ingebouwd worden -> farmacon wordt geoxideerd -> farmacon meer
wateroplosbaar
Farmacon komt vervolgens in contact met glucuronidase -> aan farmacon wordt er een
suikermolecuul aan gekoppeld -> farmacon
wordt hydrofieler -> via gal verdwijnt farmacon
in de galblaas -> uitscheiding via darmkanaal
Stof komt via de orale/sublinguaal/buccaal (via mond) route binnen.
De stof gaat langs de maag waar die opgenomen kan worden of hij gaat via de darm waar het door de
darmslijmvlies wordt opgenomen in de bloedbaan.
De bloedbaan komt altijd langs de vena porta (Aanvoer bloed voor de
lever)
De lever metaboliseert de stof uit het bloed, waardoor er minder van
de oorspronkelijke stof de lever weer verlaat. Een groot deel wordt
omgezet door de lever.
Er is een uitzondering waar de first pass effect niet optreed en dit zijn
stoffen die via de rectale route (via anus) binnen komen. -> stof komt
volledig in de bloedbaan terecht
Enterohepatische kringloop
Stoffen die uitgescheiden worden door de lever gaan naar de galblaas.
De galblaas komt via de galgang uit op de duodenum
Aan de darm inhoud worden galzouten toegevoegd -> zo
kunnen vetten beter oplossen (emulgerende werking)
Bepaalde stoffen die in de lever worden gemetaboliseerd
kunnen worden afgegeven aan de galblaas -> dit zorgt ervoor
dat de stoffen weer terugkomen in het darmkanaal.
In het darmkanaal kunnen de stoffen weer worden opgenomen in het bloed -> via de vene porta
weer naar de lever.
Dit zorgt ervoor dat de stof langer in het lichaam achterblijft
(voordeel enterohepatische kringloop)
Voorbewerken stoffen
Stoffen die vettig zijn worden makkelijker
opgenomen/verspreid door het lichaam. Dit maakt het
moeilijk om deze stoffen te verwijderen uit het lichaam.
,Oplossing: lipofiele stoffen worden in de lever aangepast naar een wateroplosbare stof -> minder
lipofiele stoffen in het lichaam
Lipofiele stoffen gaan via de nieren weer terug in de bloedbaan.
Een wateroplosbare stof lost bij de nieren op in de urine -> zo wordt de stof afgevoerd uit het lichaam
Fase I en II reacties
Nieuwe groepen plaatsen aan vettige stoffen (farmacon) gaat via fase I reactie
Groepen worden aan de stof toegevoegd om de stof meer hydrofiel te maken
Er wordt een soort aangrijpingspunt in het farmacon gemaakt, waardoor er een groep aan
vastgemaakt kan worden Vb: suikermolecuul
Farmacon wordt dan beter oplosbaar
Tussenfase (derivative)
Farmacon aangepast (fase I) en is al water oplosbaar genoeg?
Farmacon kan meteen worden uitgescheiden
Fase II
Stoffen die al wateroplosbaar zijn slaan deze reactie over en worden meteen uitgescheiden
Nog niet hydrofiel genoeg?
Conjugaat (polair molecuul: mol verschil in lading) wordt aan farmacon vastgeplakt
Fase 1: oxidatie: cytochroom P-450
Speciale groep enzymen die een molecuul kunnen aanpassen -> oxidorelatase enzymen van de
cytochroom P-450.
cytochroom P-450 enzymen. (CYP)
Grote eiwitten/enzymen die bij 450 nm in de spectrofotometer meetbaar zijn.
, Ze zijn instaat om een begin te maken van wateroplosbaar maken van moleculen
Met behulp van oxidoreductatie reacties -> vb: hydrolyse (toevoegen OH-groep)
Vb:
Ring structuren zijn vettig en moeilijk oplosbaar -> er wordt een OH groep aan gekoppeld-> meer
wateroplosbaar
Dit gebeurd in de lever.
De stoffen die vettig zijn neigen ernaartoe om naar vettige membranen te gaan. -> Het
cytochroom enzym bevinden zich in het ER membraan.
Fase 1: CYP: lokalisatie (+ fase 2)
Vettige stoffen worden aangepakt door cytochroom P-450 enzymen
Deze reacties gebeuren in de lever.
Vettige stoffen neigen ernaartoe om naar vettige membranen te gaan
Het cytochroom enzym bevindt zich in het SER membraan. -> handig, want vettige stoffen zullen dan
in aanraking komen met het enzym in de lever
cytochroom P-450 enzym kan steeds rondjes draaien.
Tijdens het draaien kan het enzym een OH-groep inbouwen bij een vettige farmacon
Oxidoreductase reactie -> kost energie (NAPDH)
NAPDH wordt geoxideerd -> geeft elektron af aan cytochroom P-450 enzym -> Houdt NADP over
Met verkregen elektron kan O2 ingebouwd worden -> farmacon wordt geoxideerd -> farmacon meer
wateroplosbaar
Farmacon komt vervolgens in contact met glucuronidase -> aan farmacon wordt er een
suikermolecuul aan gekoppeld -> farmacon
wordt hydrofieler -> via gal verdwijnt farmacon
in de galblaas -> uitscheiding via darmkanaal