Homofonen: klinken hetzelfde maar betekenen andere dingen = reizen/rijzen
Homografen: schrijven hetzelfde maar de uitspraak verschillen = vóórkomen/voorkómen
Beeldspraak:
- Relatie tussen beeld en object maar geen overeenkomst
- Overeenkomst tussen beeld en object
Vergelijking: overeenkomst tussen beeld en object = koud en nat als glibberige paling
asyndetische vergelijking: maakt de vergelijking niet expliciet = Milaan, de fashionstad
homerische vergelijking: uitgebreid beschreven beeld = een waskaars en een koekoek
metafoor: alleen het beeld = vrouwen stoten vaak tegen het glazen plafond
personificatie: levenloze zaak wordt levend gemaakt
synesthesie: twee verschillende zintuigen worden samen gebruikt = het klinkt (oren) zo groen (ogen)
in het struikgewas
metonymia: wordt een beeld genoemd maar geen vergelijking = er moet meer blauw op straat
(agenten)
Stijlfiguren:
Eufemisme: ‘verzachtende uitdrukking’ = dronken > te diep in het glaasje gekeken
Understatement: grote zaken minder ernstig maken
Litotes: door het tegendeel iets proberen te ontkennen = deze film heeft een Oscar gewonnen, hij is
zeker niet slecht
Ironie: sarcastische opmerking die niet kwetsend is
Sarcasme: kritischer dan ironie
Hyperbool: overdrijving
Repetitio: herhaling
Anafoor: beginnen meerdere zinnen met dezelfde woorden
Tautologie: woorden worden herhaald alleen als synoniemen
Pleonasme: eigenschap wordt extra benadrukt = uiterste limiet
Opsomming in drieën: opsomming van 3 elementen
Drieslag: drie elementen die bij elkaar horen = kip, patat en appelmoes
Enumeratie: lange opsomming
Homografen: schrijven hetzelfde maar de uitspraak verschillen = vóórkomen/voorkómen
Beeldspraak:
- Relatie tussen beeld en object maar geen overeenkomst
- Overeenkomst tussen beeld en object
Vergelijking: overeenkomst tussen beeld en object = koud en nat als glibberige paling
asyndetische vergelijking: maakt de vergelijking niet expliciet = Milaan, de fashionstad
homerische vergelijking: uitgebreid beschreven beeld = een waskaars en een koekoek
metafoor: alleen het beeld = vrouwen stoten vaak tegen het glazen plafond
personificatie: levenloze zaak wordt levend gemaakt
synesthesie: twee verschillende zintuigen worden samen gebruikt = het klinkt (oren) zo groen (ogen)
in het struikgewas
metonymia: wordt een beeld genoemd maar geen vergelijking = er moet meer blauw op straat
(agenten)
Stijlfiguren:
Eufemisme: ‘verzachtende uitdrukking’ = dronken > te diep in het glaasje gekeken
Understatement: grote zaken minder ernstig maken
Litotes: door het tegendeel iets proberen te ontkennen = deze film heeft een Oscar gewonnen, hij is
zeker niet slecht
Ironie: sarcastische opmerking die niet kwetsend is
Sarcasme: kritischer dan ironie
Hyperbool: overdrijving
Repetitio: herhaling
Anafoor: beginnen meerdere zinnen met dezelfde woorden
Tautologie: woorden worden herhaald alleen als synoniemen
Pleonasme: eigenschap wordt extra benadrukt = uiterste limiet
Opsomming in drieën: opsomming van 3 elementen
Drieslag: drie elementen die bij elkaar horen = kip, patat en appelmoes
Enumeratie: lange opsomming