Luistervaardigheid en spreekdoelen
Globaal luisteren: Een bepaald gevoel willen ondergaan en de grote lijnen
volgen.
Intensief luisteren: Iets te weten willen komen; details zijn belangrijk.
Kritisch luisteren: Een mening willen vormen.
Gericht luisteren: Specifieke informatie oppikken; selecterend luisteren om een
bepaalde handeling uit te voeren.
Spreekdoel amuseren: Toehoorders vermaken.
Voorbeeld: een mop vertellen.
Spreekdoel informeren: Feitelijke informatie overbrengen.
Voorbeeld: de weg wijzen.
Spreekdoel instrueren: Iets uitleggen of verduidelijken.
Voorbeeld: vertellen hoe laat het is.
Spreekdoel overtuigen: De luisteraar overhalen.
Voorbeeld: “Dit boek móét je lezen!”
Taalfuncties
Sociale/communicatieve taalfunctie: Taal als communicatiemiddel voor
interactie met anderen.
Zelfhandhaving Zichzelf ‘’Die had ik!’’
verdedigen/beschermen
Zelfsturing Aangeven wat je gaat ‘’Ik ga eerst naar de
doen bakker’’
Sturing van anderen Eigen handelen sturen, ‘’Zullen we gaan
maar ook het gedrag van zwemmen?’’
anderen beinvloeden
Structurering van het Gespreksverloop te ‘’Mag ik even wat
gesprek beinvloeden zeggen?’’
Cognitieve taalfunctie: Taal als hulpmiddel om je gedachten te ordenen en grip
te krijgen op de werkelijkheid.
Rapporteren Verslag doen van iets ‘’Dat is rond’’
wat voorkomt: ‘’Die hond is groter dan
benoemen, etiketteren, die andere’’
beschrijven en
vergelijken.
Redeneren Beschrijving waarin extra ‘’Als we de deur
denkstappen worden opendoen, gaat de cavia
verwoord: chronologisch piepen, want dan wil hij
ordenen, concluderen, ook eten’’
oplossen probleem,
oorzaak-gevolg etc.
Projecteren Je proberen te ‘’Esra heeft geen zin om
verplaatsen in de ander. te spelen, want ze is
verdrietig’’
, Expressieve taalfunctie: Taal gebruiken om gevoelens te uiten, te
experimenteren of iets nieuws te zeggen. Het is een expressiemiddel,
bijvoorbeeld in een dagboek schrijven
Taalverwerving
Eerste taalverwerving: Het proces van het leren van de moedertaal.
Tweede taalverwerving: Het leren van een tweede taal naast de moedertaal.
Simultane tweetaligheid: Twee talen tegelijk leren vóór het derde levensjaar.
Successieve tweetaligheid: Een tweede taal leren nádat de eerste taal al
verworven is.
Interferentiefout: Fouten in de tweede taal door invloed van de eerste taal.
Voorbeeld: verkeerde lidwoorden gebruiken.
Creatieve constructietheorie: Kinderen hebben een aangeboren taalvermogen
waarmee ze zinnen opbouwen.
Interactionele benadering: Taal ontstaat door interactie tussen kind en
omgeving. Taalaanbod moet aansluiten bij de mogelijkheden van het kind.
Behaviorisme: Taal leren door imitatie; kinderen bootsen taal van hun omgeving
na.
Taalontwikkelingsfasen
Prelinguale / preverbale periode (0–1 jaar)
Huilen (0–6 weken) Baby geeft een signaal, bijvoorbeeld honger of pijn
Vocaliseren (6–20 weken) Baby produceert zelf klanken en oefent
spraakmechanisme
Vocaal spel (4–6 maanden) Klanken worden gevarieerder, verschillen in
toonhoogte, luidheid en duur.
Brabbelen (vanaf 7 maanden) Kind herhaalt klankgroepen, bijvoorbeeld
dadada of mamama
Linguale periode:
Vroeglinguale fase (1–2 jaar) Van brabbelen naar betekenisvol taalgebruik.
Woorden worden vaak nog niet correct uitgesproken. 1 jaar = eenwoordzin,
met losse woorden spreken. 1,5 jaar = tweewoordzin, woorden worden
gecombineerd. 2 jaar = meerwoordzin, kleine zinnen van meer dan twee
woorden.
Differentiatiefase (2,5–5 jaar) Kinderen leren dat woorden van vorm
kunnen veranderen en dat dat iets betekent. In deze periode maken
kinderen fouten als gevolg van over generalisatie.
Voltooiingsfase (vanaf 5 jaar) Ze beheersen taal op dezelfde manier als
volwassenen, maar de woordenschat is veel kleiner.
Overgeneralisatie: Taalregels woorden onterecht toegepast, bijvoorbeeld loopte
en gevald.
Taalniveaus (taalverwerving)
Fonologisch: (KLANK) Klanken en uitspraak van woorden
Morfologisch: (VORM) Woordopbouw (voor- en achtervoegsels). Vorming van