Oefentoets Inleiding Behandelmethoden
HC0 - Introductie
, 1. Wat is het doel van de klassieke psychoanalyse volgens Freud?
A. Het leren omgaan met angsten
B. Inzicht verkrijgen in onbewuste conflicten
C. Actief veranderen van gedrag
D. Herstructureren van cognities
2. Welk kenmerk past NIET bij de cliëntgerichte therapie?
A. Empathie
B. Onvoorwaardelijke acceptatie
C. Directieve aanpak
D. Gelijkwaardigheid in de relatie
3. Wat is de belangrijkste techniek binnen gedragstherapie?
A. Cognitieve herstructurering
B. Exposure
C. Droomanalyse
D. Interpretatie van overdracht
HC1 - Algemene factoren
4. Wat stelt het Dodo Bird Verdict?
A. Alle therapieën zijn ongeveer even effectief
B. Alleen CGT is evidence-based
C. EMDR werkt beter dan ACT
D. De therapeutische relatie is irrelevant
5. Wat is een voorbeeld van een common factor?
A. Traumaverwerking
B. Therapeutische alliantie
C. Diagnostiek
D. Conditionering
6. Wat is epistemisch vertrouwen?
A. Vertrouwen in de effectiviteit van medicijnen
B. Het vermogen om via relaties te leren
C. Vertrouwen in de DSM-diagnose
D. Zelfredzaamheid van de cliënt
HC2 - Cliëntgerichte psychotherapie
7. Wie is de grondlegger van cliëntgerichte therapie?
A. Carl Rogers
B. Aaron Beck
C. Sigmund Freud
D. B.F. Skinner
8. Wat is geen basisprincipe van Rogers?
A. Congruentie
B. Interpretatie
C. Empathie
D. Onvoorwaardelijke acceptatie
HC0 - Introductie
, 1. Wat is het doel van de klassieke psychoanalyse volgens Freud?
A. Het leren omgaan met angsten
B. Inzicht verkrijgen in onbewuste conflicten
C. Actief veranderen van gedrag
D. Herstructureren van cognities
2. Welk kenmerk past NIET bij de cliëntgerichte therapie?
A. Empathie
B. Onvoorwaardelijke acceptatie
C. Directieve aanpak
D. Gelijkwaardigheid in de relatie
3. Wat is de belangrijkste techniek binnen gedragstherapie?
A. Cognitieve herstructurering
B. Exposure
C. Droomanalyse
D. Interpretatie van overdracht
HC1 - Algemene factoren
4. Wat stelt het Dodo Bird Verdict?
A. Alle therapieën zijn ongeveer even effectief
B. Alleen CGT is evidence-based
C. EMDR werkt beter dan ACT
D. De therapeutische relatie is irrelevant
5. Wat is een voorbeeld van een common factor?
A. Traumaverwerking
B. Therapeutische alliantie
C. Diagnostiek
D. Conditionering
6. Wat is epistemisch vertrouwen?
A. Vertrouwen in de effectiviteit van medicijnen
B. Het vermogen om via relaties te leren
C. Vertrouwen in de DSM-diagnose
D. Zelfredzaamheid van de cliënt
HC2 - Cliëntgerichte psychotherapie
7. Wie is de grondlegger van cliëntgerichte therapie?
A. Carl Rogers
B. Aaron Beck
C. Sigmund Freud
D. B.F. Skinner
8. Wat is geen basisprincipe van Rogers?
A. Congruentie
B. Interpretatie
C. Empathie
D. Onvoorwaardelijke acceptatie