H1 – Waarom sociaalwetenschappelijk onderzoek?
INTRO
Methodologie heb je niet alleen nodig als academisch onderzoeker, zowel op de
arbeidsmarkt als in je rol van betrokken burger is het belangrijk om
methodologische bagage te hebben.
Doelstellingen:
Kritisch omgaan met resultaten
Leren basisprocedures
Aanreiken woordenschat
Deel 1 = basisconcepten + wetenschapsfilosofie en ethiek in onderzoek
Deel 2 = planning en voorbereiding (meten en observeren, selecteren van
steekproeven)
Deel 3 = kwantitatieve methoden (experimenten, survey-onderzoek, niet-
reactieve data)
Deel 4 = kwalitatieve methoden (etnografisch onderzoek, diepte-interview,
historisch vergelijkend onderzoek)
H2 – Bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
INTRO
Als sociale wetenschapper ben je geïnteresseerd in kennis van het sociale, maar
van waar komt die kennis?
Denken = de bron van alle kennis, om de wereld rondom ons te kennen
moeten we diep reflecteren om zo tot een verhaal te komen over hoe de
wereld in elkaar zit, dit perspectief legt de nadruk op het belang van
theorie
VS
Observeren = met behulp van onze zintuigen vaststellen hoe de wereld in
elkaar steekt, hierbij is empirische observatie van cruciaal belang
Tegenstelling tussen denken en observeren is vals, goede kennis is op beide
gebaseerd
Wel denken, niet observeren => wereldvreemde kennis die losstaat van de
realiteit
Niet denken, wel observeren => niet in staat te begrijpen wat hij/zij ziet
Sociaal wetenschappelijk onderzoek heeft beide componenten nodig en
beïnvloeden elkaar
=> empirische cyclus van onderzoek
Op welke wijze kunnen we theorie en empirie combineren om tot goede kennis te
komen?
,Naast wetenschap bestaan er nog andere kennissystemen
Persoonlijke ervaring
Media
Ideologie / religie
Niet al deze bronnen van kennis leveren correcte informatie op
Wat maakt wetenschappelijke kennis dan superieur? => observeerbare
fenomenen (niet bovennatuurlijke) + systematische observatie volgens
methodologische spelregels + enkel geïnteresseerd in de waarheid (enige
criterium om kennis te evalueren)
Overtuigend tegenbewijs? => bereid om stelling op te geven of aan te passen
THEORIE EN EMPIRIE
Theorie = een verhaal dat verklaart hoe de wereld rondom ons in elkaar zit, een
geheel van samenhangende uitspraken of proposities die bepaalde fenomenen
beschrijven/verklaren
Job demand-control model Karasek verklaart waarom sommige jobs tot meer
stress leiden dan andere:
Werkdruk
Autonomie (mate waarin werkgever zelf beslissingen kan nemen)
4 types:
slopende job = job waarbij de werkdruk hoog ligt, maar weinig autonomie
(bv. bandwerker) => zullen dus hoogste stress ervaren
zinloze job
actieve job
passieve job
naarmate de werkdruk hoger ligt en werknemers minder autonomie hebben zal
er meer werkstress ontstaan
concepten = abstract idee, label om ganse klasse aan concrete observeerbare
zaken mee te categoriseren (bv. werkdruk, autonomie, 4 types jobs)
proposities = veronderstelde relaties tussen concepten, hoe ze met elkaar
gerelateerd zijn (bv. slopende job is gelinkt aan stress)
wetenschappelijke theorie moet voldoen aan een aantal kenmerken:
logisch consistent (proposities mogen elkaar niet tegenspreken)
verklaringskracht (theorie is beter naarmate ze meer succesvol is
om de wereld rondom ons te verklaren)
veralgemeenbaar (niet 1 specifieke case, maar ruimer
toepassingsgebied)
spaarzaam (hoe minder concepten en proposities je nodig hebt om
een fenomeen goed te verklaren hoe beter)
, empirisch toetsbaar (via observatie kunnen nagaan of theorie wel
overeenstemt met de realiteit, verifieerbaar &
falsifieerbaar/weerlegbaar)
Empirie = het ervaren van de wereld rondom ons door waarnemingen, d.m.v.
onze zintuigen observeren de realiteit
GOED observeren is niet simpel, uitdagingen:
In welke mate is het mogelijk objectief te zijn (gekleurd door
vooringenomenheden en verwachtingen)
Sociale wetenschappers zijn vaak geïnteresseerd in fenomenen die we niet zo
makkelijk kunnen observeren (bv. waarden en attitudes, deviant gedrag)
INDUCTIE EN DEDUCTIE
Deductie = gevolgtrekking van het algemene naar het specifieke (theorie =>
empirie)
Verwachtingen/voorspellingen voor specifieke gevallen (hypothese)
Die hypotheses confronteren we met empirisch materiaal met observaties
bv. alle zwanen zijn wit => deze ene zwaan is dus ook wit
Inductie = op basis van het specifieke proberen we algemene conclusies te
trekken (empirie => theorie)
uit concrete observaties destilleren we een algemene wetmatigheid
bv. zwaan 1, 2 en 3 zijn wit => alle zwanen zijn wit
Bv. Durkheim stelt theorie op om oorzaak zelfdoding te zoeken in het sociale (niet
psychologische)
4 types zelfdoding:
Egoïstisch (zwakke integratie)
Fatalistisch (sterke regulatie)
Altruïstisch (sterke integratie)
Anomisch (zwakke regulatie) = vinden we terug in samenlevingen waar
regulerend karakter te zwak is en mensen in anomie leven
Onderzoekers observeren en stellen op inductieve wijze theorieën op, uit deze
theorieën wordt dan via deductie een hypothese afgeleid en die hypothese wordt
dan getoetst aan nieuw empirisch materiaal
Wanneer de theorie er niet in slaagt om de nieuwe observaties te verklaren dan
moet de theorie worden bijgesteld, waarna ze opnieuw kan worden getoetst
Cyclus gaat steeds verder, er wordt steeds betere kennis geproduceerd
GELDIGHEID EN BETROUWBAARHEID
2 criteria om de kwaliteit van onderzoek te beoordelen
Beide te maken met afwezigheid van fouten:
, Geldigheid = afwezigheid van systematische fouten
Betrouwbaarheid = afwezigheid van toevallige fouten
Bv. je staat in een schietkraam
Lage betrouwbaarheid, want zwakke schutter (er boven, er naast…=> veel
toevalsfouten)
Lage geldigheid (alle schoten liggen links van de roos, systematische fout)
Wanneer schoten stuk dichter bij elkaar liggen, zijn ze consistenter en
betrouwbaarder, maar de geldigheid blijft wel een probleem, de schutter heeft
nog steeds te kampen met een systematische afwijking => DUS hoge
betrouwbaarheid maar lage geldigheid
Wanneer schoten opnieuw dicht bij elkaar liggen, maar geen systematische
afwijking kennen (in de buurt van de roos) is er sprake van hoge
betrouwbaarheid en hoge geldigheid
Bv. onderzoeksvoorbeeld – peilingen stemintenties VS 2016
Allemaal als doel om te voorspellen wie de verkiezingen zouden winnen
Heel veel ruis (Trump-percentage wordt ene keer hoog ingeschat, dan weer lager)
=> toevalligheidsfouten => onbetrouwbaarheid in de peiling
Als we de peilingen naast het werkelijke resultaat van Trump leggen, zien we een
systematische fout in de resultaten => ongeldigheid in de peiling
Systematische fouten kunnen door vele redenen ontstaan, we onderscheiden
daarom verschillende vormen van geldigheid:
concept A heeft een invloed op concept B (theorie)
om deze theorie te testen gaan we concepten A en B meten, observeren
(empirie)
=> Kan er een effect worden gevonden?
Doel: bevindingen veralgemenen (wat je observeert naar een ruimere
context/populatie brengen dan het onderzoek zelf)
Meetgeldigheid = de vraag of de theoretische concepten wel
goed gemeten zijn, is wat we observeren wel een goede indicator
om iets te zeggen over die concepten?
Externe geldigheid = de vraag of de resultaten van het onderzoek
wel toepasbaar zijn op een ruimere context, zijn onze
observaties wel representatief voor een ruimere populatie?
Interne geldigheid = de vraag of de relatie tussen concepten binnen het
onderzoek wel op een correcte wijze wordt voorgesteld, kunnen we
wel degelijk besluiten dat concept A een invloed
heeft op concept B? verloopt de causaliteit misschien in de
omgekeerde richting?
INTRO
Methodologie heb je niet alleen nodig als academisch onderzoeker, zowel op de
arbeidsmarkt als in je rol van betrokken burger is het belangrijk om
methodologische bagage te hebben.
Doelstellingen:
Kritisch omgaan met resultaten
Leren basisprocedures
Aanreiken woordenschat
Deel 1 = basisconcepten + wetenschapsfilosofie en ethiek in onderzoek
Deel 2 = planning en voorbereiding (meten en observeren, selecteren van
steekproeven)
Deel 3 = kwantitatieve methoden (experimenten, survey-onderzoek, niet-
reactieve data)
Deel 4 = kwalitatieve methoden (etnografisch onderzoek, diepte-interview,
historisch vergelijkend onderzoek)
H2 – Bouwstenen en soorten sociaalwetenschappelijk onderzoek
INTRO
Als sociale wetenschapper ben je geïnteresseerd in kennis van het sociale, maar
van waar komt die kennis?
Denken = de bron van alle kennis, om de wereld rondom ons te kennen
moeten we diep reflecteren om zo tot een verhaal te komen over hoe de
wereld in elkaar zit, dit perspectief legt de nadruk op het belang van
theorie
VS
Observeren = met behulp van onze zintuigen vaststellen hoe de wereld in
elkaar steekt, hierbij is empirische observatie van cruciaal belang
Tegenstelling tussen denken en observeren is vals, goede kennis is op beide
gebaseerd
Wel denken, niet observeren => wereldvreemde kennis die losstaat van de
realiteit
Niet denken, wel observeren => niet in staat te begrijpen wat hij/zij ziet
Sociaal wetenschappelijk onderzoek heeft beide componenten nodig en
beïnvloeden elkaar
=> empirische cyclus van onderzoek
Op welke wijze kunnen we theorie en empirie combineren om tot goede kennis te
komen?
,Naast wetenschap bestaan er nog andere kennissystemen
Persoonlijke ervaring
Media
Ideologie / religie
Niet al deze bronnen van kennis leveren correcte informatie op
Wat maakt wetenschappelijke kennis dan superieur? => observeerbare
fenomenen (niet bovennatuurlijke) + systematische observatie volgens
methodologische spelregels + enkel geïnteresseerd in de waarheid (enige
criterium om kennis te evalueren)
Overtuigend tegenbewijs? => bereid om stelling op te geven of aan te passen
THEORIE EN EMPIRIE
Theorie = een verhaal dat verklaart hoe de wereld rondom ons in elkaar zit, een
geheel van samenhangende uitspraken of proposities die bepaalde fenomenen
beschrijven/verklaren
Job demand-control model Karasek verklaart waarom sommige jobs tot meer
stress leiden dan andere:
Werkdruk
Autonomie (mate waarin werkgever zelf beslissingen kan nemen)
4 types:
slopende job = job waarbij de werkdruk hoog ligt, maar weinig autonomie
(bv. bandwerker) => zullen dus hoogste stress ervaren
zinloze job
actieve job
passieve job
naarmate de werkdruk hoger ligt en werknemers minder autonomie hebben zal
er meer werkstress ontstaan
concepten = abstract idee, label om ganse klasse aan concrete observeerbare
zaken mee te categoriseren (bv. werkdruk, autonomie, 4 types jobs)
proposities = veronderstelde relaties tussen concepten, hoe ze met elkaar
gerelateerd zijn (bv. slopende job is gelinkt aan stress)
wetenschappelijke theorie moet voldoen aan een aantal kenmerken:
logisch consistent (proposities mogen elkaar niet tegenspreken)
verklaringskracht (theorie is beter naarmate ze meer succesvol is
om de wereld rondom ons te verklaren)
veralgemeenbaar (niet 1 specifieke case, maar ruimer
toepassingsgebied)
spaarzaam (hoe minder concepten en proposities je nodig hebt om
een fenomeen goed te verklaren hoe beter)
, empirisch toetsbaar (via observatie kunnen nagaan of theorie wel
overeenstemt met de realiteit, verifieerbaar &
falsifieerbaar/weerlegbaar)
Empirie = het ervaren van de wereld rondom ons door waarnemingen, d.m.v.
onze zintuigen observeren de realiteit
GOED observeren is niet simpel, uitdagingen:
In welke mate is het mogelijk objectief te zijn (gekleurd door
vooringenomenheden en verwachtingen)
Sociale wetenschappers zijn vaak geïnteresseerd in fenomenen die we niet zo
makkelijk kunnen observeren (bv. waarden en attitudes, deviant gedrag)
INDUCTIE EN DEDUCTIE
Deductie = gevolgtrekking van het algemene naar het specifieke (theorie =>
empirie)
Verwachtingen/voorspellingen voor specifieke gevallen (hypothese)
Die hypotheses confronteren we met empirisch materiaal met observaties
bv. alle zwanen zijn wit => deze ene zwaan is dus ook wit
Inductie = op basis van het specifieke proberen we algemene conclusies te
trekken (empirie => theorie)
uit concrete observaties destilleren we een algemene wetmatigheid
bv. zwaan 1, 2 en 3 zijn wit => alle zwanen zijn wit
Bv. Durkheim stelt theorie op om oorzaak zelfdoding te zoeken in het sociale (niet
psychologische)
4 types zelfdoding:
Egoïstisch (zwakke integratie)
Fatalistisch (sterke regulatie)
Altruïstisch (sterke integratie)
Anomisch (zwakke regulatie) = vinden we terug in samenlevingen waar
regulerend karakter te zwak is en mensen in anomie leven
Onderzoekers observeren en stellen op inductieve wijze theorieën op, uit deze
theorieën wordt dan via deductie een hypothese afgeleid en die hypothese wordt
dan getoetst aan nieuw empirisch materiaal
Wanneer de theorie er niet in slaagt om de nieuwe observaties te verklaren dan
moet de theorie worden bijgesteld, waarna ze opnieuw kan worden getoetst
Cyclus gaat steeds verder, er wordt steeds betere kennis geproduceerd
GELDIGHEID EN BETROUWBAARHEID
2 criteria om de kwaliteit van onderzoek te beoordelen
Beide te maken met afwezigheid van fouten:
, Geldigheid = afwezigheid van systematische fouten
Betrouwbaarheid = afwezigheid van toevallige fouten
Bv. je staat in een schietkraam
Lage betrouwbaarheid, want zwakke schutter (er boven, er naast…=> veel
toevalsfouten)
Lage geldigheid (alle schoten liggen links van de roos, systematische fout)
Wanneer schoten stuk dichter bij elkaar liggen, zijn ze consistenter en
betrouwbaarder, maar de geldigheid blijft wel een probleem, de schutter heeft
nog steeds te kampen met een systematische afwijking => DUS hoge
betrouwbaarheid maar lage geldigheid
Wanneer schoten opnieuw dicht bij elkaar liggen, maar geen systematische
afwijking kennen (in de buurt van de roos) is er sprake van hoge
betrouwbaarheid en hoge geldigheid
Bv. onderzoeksvoorbeeld – peilingen stemintenties VS 2016
Allemaal als doel om te voorspellen wie de verkiezingen zouden winnen
Heel veel ruis (Trump-percentage wordt ene keer hoog ingeschat, dan weer lager)
=> toevalligheidsfouten => onbetrouwbaarheid in de peiling
Als we de peilingen naast het werkelijke resultaat van Trump leggen, zien we een
systematische fout in de resultaten => ongeldigheid in de peiling
Systematische fouten kunnen door vele redenen ontstaan, we onderscheiden
daarom verschillende vormen van geldigheid:
concept A heeft een invloed op concept B (theorie)
om deze theorie te testen gaan we concepten A en B meten, observeren
(empirie)
=> Kan er een effect worden gevonden?
Doel: bevindingen veralgemenen (wat je observeert naar een ruimere
context/populatie brengen dan het onderzoek zelf)
Meetgeldigheid = de vraag of de theoretische concepten wel
goed gemeten zijn, is wat we observeren wel een goede indicator
om iets te zeggen over die concepten?
Externe geldigheid = de vraag of de resultaten van het onderzoek
wel toepasbaar zijn op een ruimere context, zijn onze
observaties wel representatief voor een ruimere populatie?
Interne geldigheid = de vraag of de relatie tussen concepten binnen het
onderzoek wel op een correcte wijze wordt voorgesteld, kunnen we
wel degelijk besluiten dat concept A een invloed
heeft op concept B? verloopt de causaliteit misschien in de
omgekeerde richting?