Ontwikkelingspsychologie
Hoofdstuk 9 t/m 12
Hoofdstuk 9 Zelfconcept en identiteit
9.1 Van zelfbesef naar zelfkennis
Zelfbeeld/zelfconcept is een totaal aan indrukken, ideeën, waarnemingen over het eigen ‘ik’,
dat in de loop van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt.
De inhoud van het zelfbeeld is de zelfkennis. Voordat je van zelfbesef kunt spreken, moet er
minstens sprake zijn van zelfbesef.
Zelfbesef is het bewustzijn van het ‘zelf’ als eenheid en het besef dat die eenheid los gezien
moet worden van de omgeving.
Inhoud van het zelfbeeld.
- Waarneming van de ruimte. Jonge baby’s kunnen al snel objecten in hun omgeving
visueel fixeren en volgen. Dat is het eerste primitief besef van het eigen bestaan. De
baby gebruikt zichzelf als referentiepunt. (0 jaar.)
- Zelf als veroorzaker. Op een gegeven moment dringt het besef door dat ze de
bewegingen van hun handen zelf kunnen maken. Gefascineerd raken door
bewegingen. Passief verbaasd sturen. Dit leidt tot pakken en manipuleren van
spullen. (Paar maanden.)
- Visuele zelfherkenning. Dit is de herkenning van het eigen spiegelbeeld. Rond
achttien maanden ontstaan de eerste primitieve mentale voorstellingen, ook die van
het zelfbesef. (18 maanden.)
- Rol van de taal. De aanwezigheid van het zelfbesef en de geleidelijke invulling van de
zelfkennis zien we het beste in de taal. Een driejarige krijgt een duidelijke eigen ‘ik’.
Dit is het eerste begin van een identiteitsgevoel. (3 jaar.)
- Zelfbeschrijving. Een zelfbeschrijving van een kleuter richt zich volledig op het hier en
nu. Een beschrijving met de termen van uiterlijke kenmerken, voorkeuren, bezittingen
en activiteiten. (2,5 jaar.) De zelfbeschrijving van een adolescent is veel abstracter en
genuanceerder en richt zich sterker op attitudes en karaktereigenschappen. Het
houdt verband met de cognitieve ontwikkeling.
9.2 Competentie, prestatiemotivatie en zelfvertrouwen
Competentie is de wil om greep te krijgen op je omgeving. Er zijn grote individuele
verschillen als het gaat om behoefte aan competentie. Competentie gaat vooral over de
ontwikkeling in de eerste vier levensjaren.
Prestatiemotivatie zijn prestaties die worden geëist. Hier heb je motivatie voor nodig. Hiervan
onderscheiden we twee soorten.
- Intrinsieke motivatie. De individuele behoefte om iets goed te willen doen.
- Extrinsieke motivatie. De stimulering van buitenaf, zoals waardering/beloning of het
vermijden van straf.
Het streefniveau is afhankelijk van de motivatie. Er zijn een aantal factoren van invloed op de
prestatiemotivatie van kinderen.
- Veilige gehechtheid.
- Stimulerende omgeving.
, Voor elk kind geldt dat door succes de zelfwaardering stijgt en het zelfvertrouwen toeneemt.
Zelfvertrouwen verwijst naar de positieve verwachting van het individu.
Prestatiemotivatie
Zelfvertrouwen Succes
Motivatie
Attributie is de oorzaak van ons falen of succes. Er zijn twee soorten attributie.
- Externe attributie. Dit is de oorzaken zoeken in de omstandigheden.
- Interne attributie. Dit is de oorzaken zoeken bij jezelf.
Het zelfvertrouwen wordt wel het meest bevorderd door succes toe te schrijven aan
persoonlijke eigenschappen en falen toe te schrijven aan beheersbare factoren. Het
zelfvertrouwen verminderd als je het omgekeerde hiervan doet.
9.3 Identiteitsvorming volgens Erik Erikson (1902-1994)
Erik Erikson gaat over de identiteitsvorming. Hij zegt dat de ontwikkeling van de eigen
identiteit een centrale taak is van de adolescentie.
Hij zei, om van een eigen identiteit te kunnen spreken, moest aan vier voorwaarden worden
voldaan.
1. Gevoel van continuïteit en samenhang. Je blijft altijd één en dezelfde persoon.
2. Wederzijdsheid. Zien anderen ons zoals wij ons zelf ook zien?
3. Zelfacceptatie. Iemand weet wat zijn capaciteiten en beperkingen zijn en aanvaardt
zijn leefsituatie. Er is dan sprake van zelfacceptatie.
4. Idealen. Deze geven aan het identiteitsbesef een toekomstperspectief.
vooral in de adolescentie.
Er zijn vijf ontwikkelingsfasen (tot de volwassenheid) volgens Erikson.
1. Fundamenteel vertrouwen versus fundamenteel wantrouwen. (0-1 jaar.)
Goede eigenschap: hoop
2. Autonomie versus schaamte en twijfel. (1-4 jaar.)
Goede eigenschap: wilskracht.
3. Initiatief versus schuld. (4-6 jaar.)
Goede eigenschap: doelgerichtheid.
Hoofdstuk 9 t/m 12
Hoofdstuk 9 Zelfconcept en identiteit
9.1 Van zelfbesef naar zelfkennis
Zelfbeeld/zelfconcept is een totaal aan indrukken, ideeën, waarnemingen over het eigen ‘ik’,
dat in de loop van de ontwikkeling geleidelijk vorm krijgt.
De inhoud van het zelfbeeld is de zelfkennis. Voordat je van zelfbesef kunt spreken, moet er
minstens sprake zijn van zelfbesef.
Zelfbesef is het bewustzijn van het ‘zelf’ als eenheid en het besef dat die eenheid los gezien
moet worden van de omgeving.
Inhoud van het zelfbeeld.
- Waarneming van de ruimte. Jonge baby’s kunnen al snel objecten in hun omgeving
visueel fixeren en volgen. Dat is het eerste primitief besef van het eigen bestaan. De
baby gebruikt zichzelf als referentiepunt. (0 jaar.)
- Zelf als veroorzaker. Op een gegeven moment dringt het besef door dat ze de
bewegingen van hun handen zelf kunnen maken. Gefascineerd raken door
bewegingen. Passief verbaasd sturen. Dit leidt tot pakken en manipuleren van
spullen. (Paar maanden.)
- Visuele zelfherkenning. Dit is de herkenning van het eigen spiegelbeeld. Rond
achttien maanden ontstaan de eerste primitieve mentale voorstellingen, ook die van
het zelfbesef. (18 maanden.)
- Rol van de taal. De aanwezigheid van het zelfbesef en de geleidelijke invulling van de
zelfkennis zien we het beste in de taal. Een driejarige krijgt een duidelijke eigen ‘ik’.
Dit is het eerste begin van een identiteitsgevoel. (3 jaar.)
- Zelfbeschrijving. Een zelfbeschrijving van een kleuter richt zich volledig op het hier en
nu. Een beschrijving met de termen van uiterlijke kenmerken, voorkeuren, bezittingen
en activiteiten. (2,5 jaar.) De zelfbeschrijving van een adolescent is veel abstracter en
genuanceerder en richt zich sterker op attitudes en karaktereigenschappen. Het
houdt verband met de cognitieve ontwikkeling.
9.2 Competentie, prestatiemotivatie en zelfvertrouwen
Competentie is de wil om greep te krijgen op je omgeving. Er zijn grote individuele
verschillen als het gaat om behoefte aan competentie. Competentie gaat vooral over de
ontwikkeling in de eerste vier levensjaren.
Prestatiemotivatie zijn prestaties die worden geëist. Hier heb je motivatie voor nodig. Hiervan
onderscheiden we twee soorten.
- Intrinsieke motivatie. De individuele behoefte om iets goed te willen doen.
- Extrinsieke motivatie. De stimulering van buitenaf, zoals waardering/beloning of het
vermijden van straf.
Het streefniveau is afhankelijk van de motivatie. Er zijn een aantal factoren van invloed op de
prestatiemotivatie van kinderen.
- Veilige gehechtheid.
- Stimulerende omgeving.
, Voor elk kind geldt dat door succes de zelfwaardering stijgt en het zelfvertrouwen toeneemt.
Zelfvertrouwen verwijst naar de positieve verwachting van het individu.
Prestatiemotivatie
Zelfvertrouwen Succes
Motivatie
Attributie is de oorzaak van ons falen of succes. Er zijn twee soorten attributie.
- Externe attributie. Dit is de oorzaken zoeken in de omstandigheden.
- Interne attributie. Dit is de oorzaken zoeken bij jezelf.
Het zelfvertrouwen wordt wel het meest bevorderd door succes toe te schrijven aan
persoonlijke eigenschappen en falen toe te schrijven aan beheersbare factoren. Het
zelfvertrouwen verminderd als je het omgekeerde hiervan doet.
9.3 Identiteitsvorming volgens Erik Erikson (1902-1994)
Erik Erikson gaat over de identiteitsvorming. Hij zegt dat de ontwikkeling van de eigen
identiteit een centrale taak is van de adolescentie.
Hij zei, om van een eigen identiteit te kunnen spreken, moest aan vier voorwaarden worden
voldaan.
1. Gevoel van continuïteit en samenhang. Je blijft altijd één en dezelfde persoon.
2. Wederzijdsheid. Zien anderen ons zoals wij ons zelf ook zien?
3. Zelfacceptatie. Iemand weet wat zijn capaciteiten en beperkingen zijn en aanvaardt
zijn leefsituatie. Er is dan sprake van zelfacceptatie.
4. Idealen. Deze geven aan het identiteitsbesef een toekomstperspectief.
vooral in de adolescentie.
Er zijn vijf ontwikkelingsfasen (tot de volwassenheid) volgens Erikson.
1. Fundamenteel vertrouwen versus fundamenteel wantrouwen. (0-1 jaar.)
Goede eigenschap: hoop
2. Autonomie versus schaamte en twijfel. (1-4 jaar.)
Goede eigenschap: wilskracht.
3. Initiatief versus schuld. (4-6 jaar.)
Goede eigenschap: doelgerichtheid.