samengevat
Week 1 en 2 – module 1 – introduction, demand & supply, and consumer behaviour
Kennisclips
Clip 1.1 – Marginal thinking
Marginaal betekent letterlijk: één extra.
Dus marginaal denken betekent dat je nadenkt over de voor- en nadelen van het nemen van één
extra stap of het consumeren van één eenheid meer.
Je kijkt dus niet naar de totale kosten of baten, maar naar de verandering als je iets één keer extra
doet. Bijvoorbeeld: “Wat gebeurt er als ik nog één biertje drink?”
Voorbeeld bier drinken
Als je twijfelt of je nog een biertje moet nemen, kun je marginaal denken toepassen.
- Marginale baten (voordelen van een extra biertje)
o Je vindt het lekker plezier van de smaak
o Je lest je dorst praktisch nut
o Je voelt je socialer je praat makkelijker, durft misschien meer
- Marginale kosten (nadelen van een extra biertje)
o Veel calorieën minder gezond
o Je wordt tipsy kan problemen geven met vervoer of gedrag
o Kan op een kater vooral als je later nog meer drinkt
De beslissing: MB = MC
In de economie wordt vaak gekeken naar het punt waarop:
Marginale baten gelijk is aan marginale kosten.
Dat is het moment waarop het nog de moeite waard is om die extra stap te zetten.
Als de marginale baten groter zijn dan de marginale kosten je doet het
Als de marginale kosten groter worden dan de baten je stopt ermee
Clip 1.2 – Efficiency vs effectiveness
Efficiëntie (doeltreffendheid)
“De dingen goed doen.”
Efficiëntie betekent dat je zo min mogelijk middelen (tijd, geld, grondstoffen, arbeid) gebruikt om
een bepaald resultaat te bereiken. Je probeert verspilling te vermijden en met zo weinig mogelijk
input een zo groot mogelijke output te realiseren.
In economische termen: maximale output met minimale input.
Effectiviteit (doelmatigheid)
“De goede dingen doen.”
Effectiviteit betekent dat je het juiste doel bereikt. Het maakt niet uit of je veel middelen gebruikt
– als je doel wordt behaald, ben je effectief.
In economische termen: wordt het beoogde resultaat bereikt?
In de economie draait het vaak om het optimaal inzetten van schaarse middelen (zoals geld, tijd,
arbeid, grondstoffen). Als je alleen op effectiviteit of alleen op efficiëntie focust, loop je het risico om
of middelen te verspillen of je doelen niet te bereiken.
,Clip 1.3 – Law of demand / demand curve
Vraag (demand)
Vraag is de hoeveelheid van een goed of dienst die consumenten willen en kunnen kopen tegen
verschillende prijzen gedurende een bepaalde periode, ceteris paribus (wat betekent: alle andere
omstandigheden blijven gelijk).
Met andere woorden: hoeveel mensen bereid zijn te kopen hangt af van de prijs. Hoe hoger de prijs,
hoe minder mensen het willen of kunnen kopen. Hoe lager de prijs, hoe meer mensen geïnteresseerd
zijn. Dat is de wet van de vraag: er is een negatief verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid.
Verschuivingen van de vraagcurve
De vraagcurve laat het verband zien tussen de prijs van een product en de hoeveelheid die mensen
willen kopen.
Er zijn twee soorten veranderingen:
- Beweging langs de vraagcurve
o Als alleen de prijs van het product verandert, beweeg je langs de bestaande
vraagcurve.
o Bijvoorbeeld de prijs van een brood daalt mensen kopen meer je beweegt
naar een ander punt op de curve
- Verschuiving van de hele vraagcurve
o Als andere factoren veranderen (dus niet op prijs van het product zelf), verschuift de
hele vraagcurve naar links of naar rechts.
o Oorzaken hiervan kunnen zijn:
Verandering van het inkomen van de consument
Verandering in smaak en voorkeuren
Verandering in prijzen van gerelateerde goederen
Verandering in aantal consumenten
Verandering in verwachtingen over de toekomst
,Clip 1.4 – law of supply / supply curve
Aanbod Het aanbod is de hoeveelheid van een goed of dienst die producenten bereid én in staat
zijn om te leveren bij verschillende prijsniveaus, gedurende een bepaalde periode, ceteris paribus (dit
betekent: alle andere omstandigheden blijven gelijk).
Wet van aanbod Volgens de wet van aanbod geldt: als de prijs van een goed stijgt, zal de
aangeboden hoeveelheid van dat goed ook stijgen, mits andere factoren gelijk blijven. Met andere
woorden: hoe hoger de prijs, hoe aantrekkelijker het voor producenten wordt om dat product aan te
bieden, omdat ze er meer winst mee kunnen maken.
Verschuivingen van de aanbodcurve (factoren die het aanbod beïnvloeden):
De aanbodcurve laat zien hoe de aangeboden hoeveelheid verandert bij verschillende prijzen. Maar
soms verandert het aanbod, zelfs bij dezelfde prijs. In dat geval verschuift de hele aanbodcurve. Dit
gebeurt door:
1. Grondstofprijzen (resource prices):
Als de prijs van grondstoffen stijgt (bijv. staal of olie), worden producten duurder om te
maken → aanbod daalt.
Als grondstoffen goedkoper worden → aanbod stijgt.
2. Technologie:
Nieuwe of verbeterde technologie maakt productie efficiënter → meer aanbod mogelijk bij
dezelfde kosten.
3. Belastingen en subsidies:
o Hogere belastingen op productie → aanbod daalt.
o Subsidies van de overheid (geldsteun) → maken productie goedkoper → aanbod
stijgt.
4. Prijzen van andere goederen:
Als producenten kunnen kiezen tussen twee producten, zullen ze het product maken dat het
meest oplevert.
→ Als de prijs van een ander goed stijgt, kunnen ze overstappen → aanbod van het eerste
goed daalt.
5. Natuurlijke oorzaken:
Natuurrampen, weeromstandigheden, ziektes bij dieren/planten, enz. → kunnen productie
belemmeren → aanbod daalt.
6. Aantal producenten (sellers):
Hoe meer bedrijven een product aanbieden → hoe groter het totale marktaanbod.
Clip 1.5 – Equilibrium and changes
Evenwicht (markt-evenwicht) Het markt-evenwicht ontstaat wanneer de gevraagde hoeveelheid
en de aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn bij een bepaalde prijs.
Deze prijs noemen we de evenwichtsprijs, en de bijbehorende hoeveelheid is de
evenwichtshoeveelheid.
Op dat punt is er geen tekort en geen overschot.
De markt is in balans: wat de kopers willen kopen, is precies wat de verkopers willen
verkopen.
Wat gebeurt er bij veranderingen in vraag of aanbod?
Als de vraag of het aanbod verandert, verschuift het evenwicht. Hieronder de effecten:
1. Toename van de vraag:
Vraagcurve verschuift naar rechts.
Bij dezelfde prijs willen meer mensen het product kopen.
→ Prijs stijgt, hoeveelheid stijgt.
2. Afname van de vraag:
, Vraagcurve verschuift naar links.
Minder vraag bij elke prijs.
→ Prijs daalt, hoeveelheid daalt.
3. Toename van het aanbod:
Aanbodcurve verschuift naar rechts.
Producenten bieden meer aan bij elke prijs.
→ Prijs daalt, hoeveelheid stijgt.
4. Afname van het aanbod:
Aanbodcurve verschuift naar links.
Minder producten beschikbaar bij elke prijs.
→ Prijs stijgt, hoeveelheid daalt.
Deze aanpassingen gaan net zolang door tot er weer een nieuw evenwicht ontstaat.
Clip 1.6 – Elasticity and price elasticity of demand: place and angle of curve
Elasticiteit:
Elasticiteit is een maatstaf voor hoe sterk de gevraagde (of aangeboden) hoeveelheid reageert op een
verandering in een van de bepalende factoren, zoals de prijs.
Prijselasticiteit van de vraag:
Dit meet hoeveel de gevraagde hoeveelheid verandert als de prijs verandert.
Formule:
Interpretatie van de uitkomst:
- Vraag is elastisch (PED > 1):
De gevraagde hoeveelheid reageert sterk op prijsveranderingen.
Bijvoorbeeld: als de prijs met 10% stijgt en de vraag daalt met 20%.
Voorbeelden: luxeproducten, merkartikelen.
- Vraag is inelastisch (PED < 1):
De gevraagde hoeveelheid reageert zwak op prijsveranderingen.
Bijvoorbeeld: prijs stijgt met 10%, vraag daalt met 5%.
Voorbeelden: medicijnen, brandstof, basisvoedsel.
- Unitaire elasticiteit (PED = 1):
De procentuele verandering in vraag is gelijk aan de procentuele verandering in prijs.
Bijv. prijs stijgt 10%, vraag daalt 10%.
- Perfect inelastische vraag (PED = 0):
De vraag verandert helemaal niet, ongeacht de prijs.
De vraagcurve is verticale lijn.
Voorbeelden: levensreddende medicijnen zoals insuline.
- Perfect elastische vraag (PED = ∞):
Een minieme prijsverhoging zorgt ervoor dat de vraag volledig wegvalt.
De vraagcurve is horizontaal.
Komt in werkelijkheid zelden voor, meer theoretisch.