H. 13 Depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen
Stemmingsstoornis: de gestoorde gemoedstoestand of stemming, die langdurig of
extreem is. Er zijn vaak ook andere symptomen aanwezig en het dagelijks functioneren
wordt bemoeilijkt. Stemmingsstoornissen worden, opgedeeld in twee aparte
hoofdstukken, namelijk depressieve-stemmingsstoornissen en bipolaire
stemmingsstoornissen. In het geval van een bipolaire stoornis heeft de cliënt naast
depressieve klachten, ook een abnormaal en aanhoudend verhoogde of prikkelbare
stemming en energie (hypomane of manische episodes).
Syndroom: een geheel van symptomen die in een bepaalde samenhang voorkomen.
Somatische aandoening: een lichamelijke ziekte.
Depressieve stoornis: een depressieve stemming en/of het verlies van interesse en
plezier.
3 soorten stemmingsklachten die de bouwstenen vormen voor de verschillende
varianten van stemmingsstoornissen:
1. Depressieve episode Iemand heeft ononderbroken minimaal 2 weken lang een
depressieve stemming of verlies aan interesse of plezier.
2. Manische episode Iemand heeft ononderbroken minimaal 1 week lang een
overdreven vrolijke of juist hele prikkelbare stemming en de hoeveelheid energie en
doelgerichte activiteiten is toegenomen. Het dagelijks functioneren is hierbij beperkt.
3. Hypomane episode Lijkt erg op de manische periode, echter doen de symptomen
zich hierbij maar 4 dagen lang voor en wordt het dagelijks functioneren niet beperkt.
Overdreven prikkelbare stemming, te groot optimisme, luider en sneller praten.
Verschil manie of hypomanie: manie is wat ernstiger in duur en intensiteit en
hypomanie leidt niet tot aanzienlijke beperkingen in het sociale functioneren.
Becks cognitieve theorie over depressie: negatieve kijk op zichzelf, hun ervaringen
en de toekomst. De cognitieve triade.
Seligman de aangeleerde hulpeloosheidtheorie: herhaalde ervaringen van
controleverlies kunnen leiden tot een passieve en hulpeloze houding, wat kan bijdragen
aan depressie en andere psychische problemen.
Zelfcontrolemodel van Rehm: biedt inzicht in hoe individuen hun eigen gedrag
reguleren en beïnvloeden. Het model stelt dat verstoringen in een of meer van deze
componenten kunnen bijdragen aan het ontstaan en voortduren van depressieve
symptomen.
1. Zelfobservatie
2. Zelfevaluatie
3. Zelfbekrachtiging
Neurobiologische benadering:
- Genetische factoren: personen met een eerstegraadsfamilielid met depressie
hebben een 2-4 keer hoger risico om depressief te worden.
- Gen-omgevingsinteracties: genetische aanleg is niet genoeg, negatieve
gebeurtenissen verhogen de kans op depressie vooral bij genetisch kwetsbare
personen. Een bekend voorbeeld is de serotonine-transporter-genvariant, die
samen met stress de kans op depressieve verhoogt.
- Epigenetica: factoren zoals stress en voeding kunnen blijvende veranderingen in
genexpressie veroorzaken, wat invloed heeft op de kwetsbaarheid voor
depressies.
De hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HBB-as): de HBB-as reguleert de aanmaak
van cortisol, het stresshormoon. Als iemand in zijn jeugd een traumatische ervaring heeft
meegemaakt leidt dit tot een aanpassing van de HBB-as. Wanneer diegene volwassen is,
1
,is deze HBB-as verstoord en raakt de cortisolaanmaak in de war. Hierdoor heeft diegene
een grotere kans op stemmingsstoornissen.
Immunologische factoren: stress hangt samen met meer aanmaak van pro-
inflammatoire cytokinen. Deze cytokinen zorgen voor een normale overdracht van
neurotransmitters die de emoties reguleren.
Stress -> meer pro-inflammatoire cytokinen -> andere overdracht neurotransmitters ->
verstoorde emotieregulatie.
Diathese-stressmodel: mensen hebben een bepaalde kwetsbaarheid (diathese) die, in
combinatie met stress, kan leiden tot een stoornis.
Kindling: hoe vaker iemand een depressieve episode doormaakt, hoe gemakkelijker
nieuwe episoden ontstaan, zelfs zonder duidelijke aanleiding.
Kenmerken depressieve stoornis (minimaal 2 weken zijn vijf of meer kenmerken
(bijna) dagelijks aanwezig):
- Een verlaagde stemming die het grootste deel van de dag aanhoudt
- Duidelijk minder interesse of plezier in activiteiten
- Gewichtsverlies of toename
- Insomnia of hypersomnia (slapeloosheid of juist veel slapen)
- Rusteloosheid
- Vermoeid of minder energie
- Gevoelens van waardeloosheid of schuldgevoelens
- Verminderde concentratie of besluiteloosheid
- Suïcidegedachten
- Geen sprake van manische episodes in de voorgeschiedenis
- Symptomen zijn niet toe te schrijven aan een somatische aandoening
Depressieve-stemmingsstoornissen:
- Disruptieve-stemmingsdisregulatiestoornis
- Depressieve stoornis
- Persisterende depressieve stoornis
- Premenstruele stemmingsstoornis
- Premenstruele stemmingsstoornis
- Depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie
- Depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening
Verschillende soorten depressie:
Eenmalig: eenmalige episode.
Depressieve stoornis recidiverend: in het verleden minimaal 1 eerdere episode. Er is
sprake van 2 uitzonderlijke periodes als er tenminste 2 maanden tussen de klachten zit.
Persisterende depressie: wanneer een depressie een minimale duur heeft van 2 jaar.
De symptomen zijn nooit langer dan 2 maanden afwezig.
Persisterende depressieve stoornis (PDS): een chronische stoornis, met een
minimale duur van 2 jaar. In de meeste dagen is een depressieve stemming aanwezig.
Tijdelijk herstel is nooit langer dan 2 maanden. Puur dysthyme stoornis: wanneer er nooit
voldoende symptomen zijn geweest om te voldoen aan de criteria van een depressieve
stoornis. Slechte eetlust of veel eten, insomnia of hypersomnia, slechte concentratie,
gevoelens van hulpeloosheid.
Premenstruele stemmingsstoornis: in de laatste week voor de menstruatie zijn
minstens 5 symptomen aanwezig: affectieve labiliteit, prikkelbaar, somber, hopeloosheid,
angst, minder eten of overeten, slaapproblemen, lichamelijke klachten of overspoeld voor
emoties.
Postnatale depressie: een depressieve episode tijdens de zwangerschap of die binnen
4 weken na de bevalling ontstaat.
2
, Bipolaire stemmingsstoornissen: afwisselende periodes waarin de persoon
overdreven opgewekt is of wanneer er sombere stemming overheerst. 3 soorten: bipolair
1, bipolair 2 en cyclothyme stoornis.
Bipolaire 1-stoornis: de cliënt heeft minstens één manische episode doorgemaakt (nu
of in het verleden). Ook bij alleen manische episodes wordt gesproken van een bipolaire
stoornis. Euforie, hyper, minder slaap, actiever ect.
Bipolaire 2-stoornis: minstens één depressieve en één hypomane episode (geen
manie). Hypomane episodes lijken op manie, maar zijn minder heftig en veroorzaken
geen ernstige beperkingen of psychoses. Minsten 4 dagen elke dag: minder slaap,
gejaagde gedachten, onrustig.
Bij de diagnose bipolaire 2-stoornis geldt alleen als de cliënt nooit een manische of
gemengde episode heeft gehad. Bij een eerdere manische episode is het bipolaire 1-
stoornis. Een gemengde episode is een manische of depressieve periode met
tegelijkertijd ook symptomen van de andere stemming (bijv. somber en gejaagd).
Cyclothyme stoornis: minstens 2 jaar, met veel wisselende hypomane en lichte
depressieve symptomen. Stemmingen wisselen snel, van energiek en enthousiast naar
somber en lusteloos. Leidt vaak tot sociale problemen, mensen met cyclothyme zoeken
zelden hulp, omdat klachten niet ernstig genoeg lijken.
Specificaties van de actuele episode:
Melancholisch: geen plezier meer, gewichtsverlies, vroeg wakker, klachten erger in de
ochtend
Atypisch: stemming reageert nog op postieve dingen, veel slapen/eten, gevoelig voor
afwijzing
Psychotisch: wanen/hallucinaties met depressieve of manische inhoud.
Seizoensgebonden: in bepaalde seizoenen
Peripartum: tijdens of kort na de zwangerschap
Gemengde episode: tegelijk symptomen van manie en depressie
Specificaties van het beloop:
Remissie: volledig herstel
Partiële remissie: nog lichte klachten
Relapse: terugval binnen 2 maanden na herstel
Recidief: terugkeer van klachten na 2 maanden of meer
Rapid cycling: bij bipolaire stoornis, 4 of meer episoden per jaar.
Prevalentie: de kans dat iemand in het leven ooit een depressieve stoornis krijgt is 20%.
50% herstel van een depressieve episode binnen 6 maanden.
20% heeft binnen 2 jaar een terugval.
34% heeft een chronisch beloop.
Recidief: binnen 20 jaar tot 70%
Comorbiditeit: bijna de helft van de mensen met een stemmingsstoornis heeft ook een
andere psychische stoornis.
Diagnostiek en behandeling
Bepalen stoornis: vragenlijsten SCID, CIDI, PHQ-9 of SCL-90.
Ernst klachten meten: HRSD of MADRS. YMRS voor manie
Staging: kijken in welk stadium van de stoornis de cliënt zich bevindt.
Profiling: kijken naar de cliëntkenmerken om te kijken welke behandelmethode gekozen
wordt.
Behandeling: cognitieve gedragstherapie, medicatie, internettherapie.
TCA’s en MAO-remmers zijn bij ernstige depressief het effectiefst.
3
Stemmingsstoornis: de gestoorde gemoedstoestand of stemming, die langdurig of
extreem is. Er zijn vaak ook andere symptomen aanwezig en het dagelijks functioneren
wordt bemoeilijkt. Stemmingsstoornissen worden, opgedeeld in twee aparte
hoofdstukken, namelijk depressieve-stemmingsstoornissen en bipolaire
stemmingsstoornissen. In het geval van een bipolaire stoornis heeft de cliënt naast
depressieve klachten, ook een abnormaal en aanhoudend verhoogde of prikkelbare
stemming en energie (hypomane of manische episodes).
Syndroom: een geheel van symptomen die in een bepaalde samenhang voorkomen.
Somatische aandoening: een lichamelijke ziekte.
Depressieve stoornis: een depressieve stemming en/of het verlies van interesse en
plezier.
3 soorten stemmingsklachten die de bouwstenen vormen voor de verschillende
varianten van stemmingsstoornissen:
1. Depressieve episode Iemand heeft ononderbroken minimaal 2 weken lang een
depressieve stemming of verlies aan interesse of plezier.
2. Manische episode Iemand heeft ononderbroken minimaal 1 week lang een
overdreven vrolijke of juist hele prikkelbare stemming en de hoeveelheid energie en
doelgerichte activiteiten is toegenomen. Het dagelijks functioneren is hierbij beperkt.
3. Hypomane episode Lijkt erg op de manische periode, echter doen de symptomen
zich hierbij maar 4 dagen lang voor en wordt het dagelijks functioneren niet beperkt.
Overdreven prikkelbare stemming, te groot optimisme, luider en sneller praten.
Verschil manie of hypomanie: manie is wat ernstiger in duur en intensiteit en
hypomanie leidt niet tot aanzienlijke beperkingen in het sociale functioneren.
Becks cognitieve theorie over depressie: negatieve kijk op zichzelf, hun ervaringen
en de toekomst. De cognitieve triade.
Seligman de aangeleerde hulpeloosheidtheorie: herhaalde ervaringen van
controleverlies kunnen leiden tot een passieve en hulpeloze houding, wat kan bijdragen
aan depressie en andere psychische problemen.
Zelfcontrolemodel van Rehm: biedt inzicht in hoe individuen hun eigen gedrag
reguleren en beïnvloeden. Het model stelt dat verstoringen in een of meer van deze
componenten kunnen bijdragen aan het ontstaan en voortduren van depressieve
symptomen.
1. Zelfobservatie
2. Zelfevaluatie
3. Zelfbekrachtiging
Neurobiologische benadering:
- Genetische factoren: personen met een eerstegraadsfamilielid met depressie
hebben een 2-4 keer hoger risico om depressief te worden.
- Gen-omgevingsinteracties: genetische aanleg is niet genoeg, negatieve
gebeurtenissen verhogen de kans op depressie vooral bij genetisch kwetsbare
personen. Een bekend voorbeeld is de serotonine-transporter-genvariant, die
samen met stress de kans op depressieve verhoogt.
- Epigenetica: factoren zoals stress en voeding kunnen blijvende veranderingen in
genexpressie veroorzaken, wat invloed heeft op de kwetsbaarheid voor
depressies.
De hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HBB-as): de HBB-as reguleert de aanmaak
van cortisol, het stresshormoon. Als iemand in zijn jeugd een traumatische ervaring heeft
meegemaakt leidt dit tot een aanpassing van de HBB-as. Wanneer diegene volwassen is,
1
,is deze HBB-as verstoord en raakt de cortisolaanmaak in de war. Hierdoor heeft diegene
een grotere kans op stemmingsstoornissen.
Immunologische factoren: stress hangt samen met meer aanmaak van pro-
inflammatoire cytokinen. Deze cytokinen zorgen voor een normale overdracht van
neurotransmitters die de emoties reguleren.
Stress -> meer pro-inflammatoire cytokinen -> andere overdracht neurotransmitters ->
verstoorde emotieregulatie.
Diathese-stressmodel: mensen hebben een bepaalde kwetsbaarheid (diathese) die, in
combinatie met stress, kan leiden tot een stoornis.
Kindling: hoe vaker iemand een depressieve episode doormaakt, hoe gemakkelijker
nieuwe episoden ontstaan, zelfs zonder duidelijke aanleiding.
Kenmerken depressieve stoornis (minimaal 2 weken zijn vijf of meer kenmerken
(bijna) dagelijks aanwezig):
- Een verlaagde stemming die het grootste deel van de dag aanhoudt
- Duidelijk minder interesse of plezier in activiteiten
- Gewichtsverlies of toename
- Insomnia of hypersomnia (slapeloosheid of juist veel slapen)
- Rusteloosheid
- Vermoeid of minder energie
- Gevoelens van waardeloosheid of schuldgevoelens
- Verminderde concentratie of besluiteloosheid
- Suïcidegedachten
- Geen sprake van manische episodes in de voorgeschiedenis
- Symptomen zijn niet toe te schrijven aan een somatische aandoening
Depressieve-stemmingsstoornissen:
- Disruptieve-stemmingsdisregulatiestoornis
- Depressieve stoornis
- Persisterende depressieve stoornis
- Premenstruele stemmingsstoornis
- Premenstruele stemmingsstoornis
- Depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie
- Depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening
Verschillende soorten depressie:
Eenmalig: eenmalige episode.
Depressieve stoornis recidiverend: in het verleden minimaal 1 eerdere episode. Er is
sprake van 2 uitzonderlijke periodes als er tenminste 2 maanden tussen de klachten zit.
Persisterende depressie: wanneer een depressie een minimale duur heeft van 2 jaar.
De symptomen zijn nooit langer dan 2 maanden afwezig.
Persisterende depressieve stoornis (PDS): een chronische stoornis, met een
minimale duur van 2 jaar. In de meeste dagen is een depressieve stemming aanwezig.
Tijdelijk herstel is nooit langer dan 2 maanden. Puur dysthyme stoornis: wanneer er nooit
voldoende symptomen zijn geweest om te voldoen aan de criteria van een depressieve
stoornis. Slechte eetlust of veel eten, insomnia of hypersomnia, slechte concentratie,
gevoelens van hulpeloosheid.
Premenstruele stemmingsstoornis: in de laatste week voor de menstruatie zijn
minstens 5 symptomen aanwezig: affectieve labiliteit, prikkelbaar, somber, hopeloosheid,
angst, minder eten of overeten, slaapproblemen, lichamelijke klachten of overspoeld voor
emoties.
Postnatale depressie: een depressieve episode tijdens de zwangerschap of die binnen
4 weken na de bevalling ontstaat.
2
, Bipolaire stemmingsstoornissen: afwisselende periodes waarin de persoon
overdreven opgewekt is of wanneer er sombere stemming overheerst. 3 soorten: bipolair
1, bipolair 2 en cyclothyme stoornis.
Bipolaire 1-stoornis: de cliënt heeft minstens één manische episode doorgemaakt (nu
of in het verleden). Ook bij alleen manische episodes wordt gesproken van een bipolaire
stoornis. Euforie, hyper, minder slaap, actiever ect.
Bipolaire 2-stoornis: minstens één depressieve en één hypomane episode (geen
manie). Hypomane episodes lijken op manie, maar zijn minder heftig en veroorzaken
geen ernstige beperkingen of psychoses. Minsten 4 dagen elke dag: minder slaap,
gejaagde gedachten, onrustig.
Bij de diagnose bipolaire 2-stoornis geldt alleen als de cliënt nooit een manische of
gemengde episode heeft gehad. Bij een eerdere manische episode is het bipolaire 1-
stoornis. Een gemengde episode is een manische of depressieve periode met
tegelijkertijd ook symptomen van de andere stemming (bijv. somber en gejaagd).
Cyclothyme stoornis: minstens 2 jaar, met veel wisselende hypomane en lichte
depressieve symptomen. Stemmingen wisselen snel, van energiek en enthousiast naar
somber en lusteloos. Leidt vaak tot sociale problemen, mensen met cyclothyme zoeken
zelden hulp, omdat klachten niet ernstig genoeg lijken.
Specificaties van de actuele episode:
Melancholisch: geen plezier meer, gewichtsverlies, vroeg wakker, klachten erger in de
ochtend
Atypisch: stemming reageert nog op postieve dingen, veel slapen/eten, gevoelig voor
afwijzing
Psychotisch: wanen/hallucinaties met depressieve of manische inhoud.
Seizoensgebonden: in bepaalde seizoenen
Peripartum: tijdens of kort na de zwangerschap
Gemengde episode: tegelijk symptomen van manie en depressie
Specificaties van het beloop:
Remissie: volledig herstel
Partiële remissie: nog lichte klachten
Relapse: terugval binnen 2 maanden na herstel
Recidief: terugkeer van klachten na 2 maanden of meer
Rapid cycling: bij bipolaire stoornis, 4 of meer episoden per jaar.
Prevalentie: de kans dat iemand in het leven ooit een depressieve stoornis krijgt is 20%.
50% herstel van een depressieve episode binnen 6 maanden.
20% heeft binnen 2 jaar een terugval.
34% heeft een chronisch beloop.
Recidief: binnen 20 jaar tot 70%
Comorbiditeit: bijna de helft van de mensen met een stemmingsstoornis heeft ook een
andere psychische stoornis.
Diagnostiek en behandeling
Bepalen stoornis: vragenlijsten SCID, CIDI, PHQ-9 of SCL-90.
Ernst klachten meten: HRSD of MADRS. YMRS voor manie
Staging: kijken in welk stadium van de stoornis de cliënt zich bevindt.
Profiling: kijken naar de cliëntkenmerken om te kijken welke behandelmethode gekozen
wordt.
Behandeling: cognitieve gedragstherapie, medicatie, internettherapie.
TCA’s en MAO-remmers zijn bij ernstige depressief het effectiefst.
3