Algemene tips: ................................................................................................................................2
Type toon van de schrijver: .............................................................................................................2
Beeldspraak: ...................................................................................................................................2
Stijlmiddelen: ..................................................................................................................................2
Lastige functiewoorden: ..................................................................................................................3
Tekstdoel en tekstsoort: ..................................................................................................................3
Indelen van de tekst: .......................................................................................................................3
Hoofdgedachte: in 1 zin samen waar de hele tekst over gaat. ..........................................................3
Citeren: ...........................................................................................................................................3
Samenvatten: ..................................................................................................................................3
Taal: ................................................................................................................................................4
Argumentaties: ...............................................................................................................................5
Drogredenen: ..................................................................................................................................5
Het controleren van argumentatie: .................................................................................................5
Deze samenvatting is gebaseerd op meerdere examentrainingen van Nederlands vwo en op
informatie van Examenblad. De samenvatting is grotendeels ook te gebruiken voor het havo. De
samenvatting is up-to-date in 2025.
1
, Algemene tips:
- Bij het lezen van de titel jezelf afvragen waar tekst overgaat.
- Voordat je begint met lezen eerst even kort en bondig de vragen lezen zodat je een indruk krijgt
waar de tekst over gaat.
- Leg in je eigen woorden uit -> niks van aantrekken. Gewoon de woordvolgorde beetje aanpassen, of
synoniem gebruiken.
- Verklaring = oorzaak. Effect = gevolg.
- Als je een woordenlimiet hebt, herhaal dan de vraag. Deze woorden tellen niet mee.
- Noem een kenmerk, dan mag niet ‘Kenmerk 1:’, maar ‘Het eerste kenmerk is dat’
- Cito kijkt niet naar interpunctie en het uitschrijven van getallen.
Type toon van de schrijver:
Algemeen: eerst bekijken wat de antwoordmogelijkheden zijn. Deze moeten allebei van toepassing
zijn op de tekst. Lees het slot nog eens door.
1. Ironie -> Je wilt hiermee het tegenovergestelde zeggen of iets overdrijven. Je bent niet serieus en
wilt niet iemand kwetsen.
- VB: tegen een verlegen persoon; Je klets de oren van mijn kop.
2. Sarcasme -> Je wilt hiermee het tegenovergestelde zeggen. Scherper van toon en houding tegen de
persoon is kritischer.
- VB: iemand met alleen maar onvoldoendes; ‘Werk vooral zo door, dan kom je er wel.’
3. Cynisme -> Iemand die zich kritisch uit tegen de goede bedoelingen en waarden van een ander.
Afwijzende houding. Vaak vorm van zelfverdediging, men doet het uit vorm van machteloosheid of
teleurstelling. De uitspraak kan wel waar zijn maar dient op dat moment niet gezegd te worden.
- VB: iemand is 2x blijven zitten en naar ander school en weer zakt. Jij bent echt een specialist in het
bezoeken van verschillende scholen.
Beeldspraak:
1. Vergelijking -> je vergelijkt een subject met iets.
- VB: Jan is zo rood als een tomaat.
2. Metafoor -> lijkt op een vergelijking, alleen noem je alleen de beeldspraak en niet het subject wat
vergeleken wordt.
3. Metonymie -> je zegt niet rechtstreeks wat je bedoelt maar een woord of kenmerk dat daarmee te
maken heeft.
- VB: Oranje – Nederland
4. Personificatie -> niet levende dingen krijgen een menselijk eigenschap toegedeeld. Wel is ‘de tijd
vliegt’ geen personificatie, want mensen kunnen niet vliegen. Het is een metafoor.
Stijlmiddelen:
1. Paradox -> schijnbare tegenstrijdigheid. De zin klopt na het nadenken wel.
- VB: groot worden door klein te blijven. Het fijne van vakantie is thuiskomen. De scheiding houdt ons
bij elkaar.
2. Woordspeling -> grappige, slimme manier van het gebruik van woorden. Het woord heeft
meerdere betekenissen maar op grappige manier gebruikt. ‘’Het was leuke film, heb me dood
gelachen’’. Dood is dus de woordspeling.
3. Framen -> bewust gebruik van woorden die positieve of negatieve verbindingen oproepen.
‘Asielzoeker’ ‘Gelukszoeker’
2