Thema 7 ecologie en milieu:
Basisstof 1- organismen:
Leerdoelen:
1- Je kunt beschrijven wat een ecosysteem is en wat de kenmerken ervan zijn.
2- Je kunt biotische en abiotische factoren binnen een ecosysteem benoemen.
3- Je kunt de invloed van de belangrijkste abiotische factoren op organismen beschrijven.
1. Wat is een ecosysteem en wat zijn de kenmerken?
Een ecosysteem is een systeem waarin alle levende organismen (zoals planten, dieren,
bacteriën en schimmels) en niet-levende elementen (zoals water, lucht, bodem en licht) in
een bepaald gebied met elkaar in wisselwerking staan en van elkaar afhankelijk zijn om te
kunnen overleven.
Belangrijke kenmerken van een ecosysteem:
- Levende en niet-levende dingen werken samen (zoals planten, dieren, water en
bodem).
- Alles is met elkaar verbonden (bijvoorbeeld via voedselketens).
- Stoffen en energie worden hergebruikt (kringlopen).
- Er is meestal een evenwicht, maar dat kan veranderen.
- Ecosystemen zijn open en kunnen veranderen door invloeden van buitenaf.
2. Biotische en abiotische factoren binnen een ecosysteem
Biotische factoren: Alle levende dingen in een ecosysteem, zoals planten, dieren,
bacteriën, schimmels, maar ook dode resten en uitwerpselen. Invloeden afkomstig van de
levende natuur
Abiotische factoren: Alle niet-levende dingen, zoals temperatuur, licht, water, bodem, lucht,
neerslag, pH en wind. Invloeden afkomstig van de levenloze natuur.
3. Invloed van de belangrijkste abiotische factoren op organismen
● Temperatuur: Bepaalt welke organismen ergens kunnen leven. Sommige planten en
dieren kunnen alleen overleven binnen een bepaald temperatuurbereik. Te hoge of te
lage temperaturen kunnen groei en voortplanting beperken. Enzymen werken het
best tussen 0 en 45 °C. Bij kou werken ze traag, bij hitte sneller, maar bij te hoge
temperaturen gaan ze kapot. Warmbloedige dieren kunnen ook kou goed verdragen.
● Licht: Planten hebben licht nodig voor fotosynthese. Zonplanten groeien het best bij
veel licht, schaduwplanten bij weinig licht. De lengte van de dag beïnvloedt wanneer
planten bloeien en wanneer dieren zich voortplanten. Sommige waterdieren, zoals
watervlooien, bewegen onder invloed van licht omhoog of omlaag in het water.
● Water: Is noodzakelijk voor alle levensprocessen. Planten in vochtige gebieden
hebben dunne bladeren en kleine wortels. Planten in droge gebieden hebben diepe
wortels, weinig huidmondjes en een dikke waslaag. Cactussen slaan water op in hun
stengel en hebben stekels in plaats van bladeren.
, ● Bodem: Zandbodems zijn luchtig en laten water snel door, kleibodems houden water
en voeding beter vast. Humus, een mengsel van organische en anorganische stoffen
en micro-organismen, verbetert de bodemstructuur en zorgt ervoor dat planten
voedingsstoffen beter kunnen opnemen. Eigenschappen zoals pH, grondwater en
voedingsstoffen bepalen welke soorten in een ecosysteem kunnen leven.
● Lucht: Zuurstof en koolstofdioxide in de lucht zijn nodig voor ademhaling en
fotosynthese.
Deze abiotische factoren bepalen samen de leefomstandigheden en daarmee welke
organismen in een ecosysteem kunnen overleven en zich voortplanten. Veranderingen in
abiotische factoren kunnen grote gevolgen hebben voor de samenstelling en het
functioneren van een ecosysteem.
Tolerantie:
Elke soort leeft in een bepaald gebied, het verspreidingsgebied. Organismen kunnen
schommelingen in abiotische factoren, zoals temperatuur, tot op zekere hoogte verdragen.
Dit heet tolerantie. Het gebied tussen de minimum- en maximumwaarde waarin een soort
kan overleven, heet het tolerantiegebied. De optimale waarde is waar de soort het best groeit
of zich voortplant. Buiten het optimum is er stress en kunnen organismen moeilijk overleven.
Soorten met een grote tolerantie hebben een groter verspreidingsgebied.
optimumkromme: Een optimumkromme laat zien bij welke waarde van een milieufactor
(zoals temperatuur) een organisme het best functioneert. Het hoogste punt is het optimum.
Basisstof 1- organismen:
Leerdoelen:
1- Je kunt beschrijven wat een ecosysteem is en wat de kenmerken ervan zijn.
2- Je kunt biotische en abiotische factoren binnen een ecosysteem benoemen.
3- Je kunt de invloed van de belangrijkste abiotische factoren op organismen beschrijven.
1. Wat is een ecosysteem en wat zijn de kenmerken?
Een ecosysteem is een systeem waarin alle levende organismen (zoals planten, dieren,
bacteriën en schimmels) en niet-levende elementen (zoals water, lucht, bodem en licht) in
een bepaald gebied met elkaar in wisselwerking staan en van elkaar afhankelijk zijn om te
kunnen overleven.
Belangrijke kenmerken van een ecosysteem:
- Levende en niet-levende dingen werken samen (zoals planten, dieren, water en
bodem).
- Alles is met elkaar verbonden (bijvoorbeeld via voedselketens).
- Stoffen en energie worden hergebruikt (kringlopen).
- Er is meestal een evenwicht, maar dat kan veranderen.
- Ecosystemen zijn open en kunnen veranderen door invloeden van buitenaf.
2. Biotische en abiotische factoren binnen een ecosysteem
Biotische factoren: Alle levende dingen in een ecosysteem, zoals planten, dieren,
bacteriën, schimmels, maar ook dode resten en uitwerpselen. Invloeden afkomstig van de
levende natuur
Abiotische factoren: Alle niet-levende dingen, zoals temperatuur, licht, water, bodem, lucht,
neerslag, pH en wind. Invloeden afkomstig van de levenloze natuur.
3. Invloed van de belangrijkste abiotische factoren op organismen
● Temperatuur: Bepaalt welke organismen ergens kunnen leven. Sommige planten en
dieren kunnen alleen overleven binnen een bepaald temperatuurbereik. Te hoge of te
lage temperaturen kunnen groei en voortplanting beperken. Enzymen werken het
best tussen 0 en 45 °C. Bij kou werken ze traag, bij hitte sneller, maar bij te hoge
temperaturen gaan ze kapot. Warmbloedige dieren kunnen ook kou goed verdragen.
● Licht: Planten hebben licht nodig voor fotosynthese. Zonplanten groeien het best bij
veel licht, schaduwplanten bij weinig licht. De lengte van de dag beïnvloedt wanneer
planten bloeien en wanneer dieren zich voortplanten. Sommige waterdieren, zoals
watervlooien, bewegen onder invloed van licht omhoog of omlaag in het water.
● Water: Is noodzakelijk voor alle levensprocessen. Planten in vochtige gebieden
hebben dunne bladeren en kleine wortels. Planten in droge gebieden hebben diepe
wortels, weinig huidmondjes en een dikke waslaag. Cactussen slaan water op in hun
stengel en hebben stekels in plaats van bladeren.
, ● Bodem: Zandbodems zijn luchtig en laten water snel door, kleibodems houden water
en voeding beter vast. Humus, een mengsel van organische en anorganische stoffen
en micro-organismen, verbetert de bodemstructuur en zorgt ervoor dat planten
voedingsstoffen beter kunnen opnemen. Eigenschappen zoals pH, grondwater en
voedingsstoffen bepalen welke soorten in een ecosysteem kunnen leven.
● Lucht: Zuurstof en koolstofdioxide in de lucht zijn nodig voor ademhaling en
fotosynthese.
Deze abiotische factoren bepalen samen de leefomstandigheden en daarmee welke
organismen in een ecosysteem kunnen overleven en zich voortplanten. Veranderingen in
abiotische factoren kunnen grote gevolgen hebben voor de samenstelling en het
functioneren van een ecosysteem.
Tolerantie:
Elke soort leeft in een bepaald gebied, het verspreidingsgebied. Organismen kunnen
schommelingen in abiotische factoren, zoals temperatuur, tot op zekere hoogte verdragen.
Dit heet tolerantie. Het gebied tussen de minimum- en maximumwaarde waarin een soort
kan overleven, heet het tolerantiegebied. De optimale waarde is waar de soort het best groeit
of zich voortplant. Buiten het optimum is er stress en kunnen organismen moeilijk overleven.
Soorten met een grote tolerantie hebben een groter verspreidingsgebied.
optimumkromme: Een optimumkromme laat zien bij welke waarde van een milieufactor
(zoals temperatuur) een organisme het best functioneert. Het hoogste punt is het optimum.