Samenvatting EPA 2
Dialyse eff ectiviteit
1. benoemen welke aspecten van de hemodialysebehandeling de effectiviteit
kunnen verhogen;
Wat zou je voorstellen als de Kt/V te laag is?
Vaattoegang goed?
Dialysaatflow (meestal niet het probleem)
Bloedpomp
Kunstnier oppervlak (zeker bij grote/zware mensen)
Tijdsduur dialyse
Effectiviteit dialyse: ureumkinetiek
Principe dialyse dialyse dosis is evenredig met de eiwitafbraak
Ureum
Belangrijkste product van de eiwitafbraak
Uitsluitend verwijderd door de nieren
Bepalingsmethode: goedkoop en makkelijk
Klein molecuul: marker voor verwijdering relatief kleine toxische stoffen bij
dialyse
2. uitleg geven waar KT/V voor staat en welke minimale waarde er behaald
dient te worden;
KT/V
K= klaring van ureum
T= Tijdsduur van de behandeling
V= Verdelingsvolume van ureum (ongeveer gelijk aan totale lichaamswater
= ongeveer 60% van lichaamsgewicht)
Kt/v: Factoren die de bepaling beïnvloeden
Meting postdialyse ureum
Directe afname arteriële bijmenging, recirculatie
Na 3 minuten is de cardiopulmonale recirculatie afgerond
Na 30-60 minuten is rebound van intracellulair ureum afgerond
Stoornissen in de Qb
Dialysaat flow
Stolling in kunstnier
Advies bij HD
Kt/V > 1,2 per dialyse bij 3x dialyse per week (dus 3,6/week)
Hogere Kt/v tot 1.4 dient te worden overwogen bij vrouwen en
patiënten met veel comorbiditeit
Bij patiënten met restnierfunctie of dialyseschema anders dan 3x/wk
adviseert de kwaliteitscommissie een standaard Kt/V van minimaal
2.2 per week na te streven
, PCR = 1-1,1 g/kg/24 uur
Kt/V bij normale nierfunctie: 30
Afwijkende uitslag
Shunt goed?
Voldoende dialysetijd?
Patiënt komt te laat
Patiënt wordt te vroeg afgesloten
Ureum monster op verkeerde tijdstip afgenomen, labfout
Dialyse machine probleem: bijv. verkeerde calibratie
Probleem bij patiënt: lage Qb, hypotensie
3. aangeven wat de invloed is van nierinsufficiëntie op de PCR;
PCR
Is een maat voor de eiwitafbraak (term PNA: Protein Nitrogen Apperance,
wordt ook wel gebruikt)
Voorwaarden:
Patiënt is stabiel:
stabiele patiënten zullen uitsluitend eiwitten omzetten die zij
met de voeding tot zich hebben genomen Dit heet Dietary
Protein Intake (DPI)
PCR en DPI
Stabiele patient: PCR = DPI
Katabole patient: PCR > DPI (eigen eiwitten worden verbruikt)
Anabole patient: PCR < DPI (eiwitten worden gebruikt voor de opbouw van
eigen eiwitten)
4. de verschillen weergeven in klaring bij hemodialyse, hemofiltratie en
peritoneaal dialyse.
Klaring bij hemofiltratie
Hierbij is de concentratie in het filtraat gelijk aan die in het plasma. Daarmee kan
de klaring gemakkelijk worden berekend, want die is gelijk aan de hoeveelheid
filtraat. Als er 80 ml filtraat per minuut wordt geproduceerd, is de klaring dus 80
ml/min
De klaring door de kunstnier wordt bij hemodialyse gewoonlijk berekend uit de
bloed- of plasmastroomsnelheid en de arteriële en veneuze concentratie
PD
Creatinineklaring > 45 L/week (CAPD/APD)
Kt/V> 1,7/week, inclusief restfunctie (CAPD)
UF: minimaal 1000 ml/24 uur
SPA test of PET test (eenvoudiger): kwaliteit peritoneum
URR (Ureum Reduction Rate)
Hoeveelheid ureum verwijderd tijdens dialyse = ureumproductie (tussen 2
dialyses) = maat voor eiwitafbraak (PCR) = eiwit opname
, Mits patiënt stabiel is (maat effectiviteit dialyse)
URR = (Upre - Upost)/Upre x 100%
Nadelen:
o Monster pre: [ureum] plasma < [ureum] weefsel
o Bij UF wordt ook ureum verwijderd (niet zichtbaar in concentratie)
Voordeel:
o Makkelijke berekening
Uitbreiding dialyseduur en/of frequentie overwegen bij:
Cardiovasculaire of hemodynamische instabiliteit
Persisterende hypertensie ondanks maximaal getolereerde UF
Onvoldoende fosfaatcontrole
Ondervoeding (m.n. frequentie verhogen)
Shuntdiagnostiek
beschrijven wat de meest voorkomende complicaties zijn bij een shunt en
hoe deze te herkennen zijn;
Veel voorkomende shunt problemen:
Non maturatie (shunt groeit niet)
Ligging
Aneurysma
Ontsteking
Trombose shunt
Centrale stenose
Diepte
Diameter
Allergische reacties
Infecties
Stenosering shunt
Stenosering outflow
Stenosering inflow
Kleppen
Nabloedingen
Stuwing
Atherosclerose
Zenuwbanen
Hematomen
Veneuze hypertensie (Als er door de eerdere aanwezigheid van een
katheter een stenose ontstaan is centraal aan de zijde van de shuntarm,
kan zich een veneuze hypertensie ontwikkelen. De arm en hand worden
dikker en dit kan ook pijnlijk zijn. De shunt heeft dan wel een goede inflow
maar het veneuze stelsel kan het bloed niet wegpompen.)
Steal-syndroom (Als er te weinig bloed naar de hand kan stromen om deze
goed van bloed te voorzien, kunnen zich klachten van het steal-syndroom
Dialyse eff ectiviteit
1. benoemen welke aspecten van de hemodialysebehandeling de effectiviteit
kunnen verhogen;
Wat zou je voorstellen als de Kt/V te laag is?
Vaattoegang goed?
Dialysaatflow (meestal niet het probleem)
Bloedpomp
Kunstnier oppervlak (zeker bij grote/zware mensen)
Tijdsduur dialyse
Effectiviteit dialyse: ureumkinetiek
Principe dialyse dialyse dosis is evenredig met de eiwitafbraak
Ureum
Belangrijkste product van de eiwitafbraak
Uitsluitend verwijderd door de nieren
Bepalingsmethode: goedkoop en makkelijk
Klein molecuul: marker voor verwijdering relatief kleine toxische stoffen bij
dialyse
2. uitleg geven waar KT/V voor staat en welke minimale waarde er behaald
dient te worden;
KT/V
K= klaring van ureum
T= Tijdsduur van de behandeling
V= Verdelingsvolume van ureum (ongeveer gelijk aan totale lichaamswater
= ongeveer 60% van lichaamsgewicht)
Kt/v: Factoren die de bepaling beïnvloeden
Meting postdialyse ureum
Directe afname arteriële bijmenging, recirculatie
Na 3 minuten is de cardiopulmonale recirculatie afgerond
Na 30-60 minuten is rebound van intracellulair ureum afgerond
Stoornissen in de Qb
Dialysaat flow
Stolling in kunstnier
Advies bij HD
Kt/V > 1,2 per dialyse bij 3x dialyse per week (dus 3,6/week)
Hogere Kt/v tot 1.4 dient te worden overwogen bij vrouwen en
patiënten met veel comorbiditeit
Bij patiënten met restnierfunctie of dialyseschema anders dan 3x/wk
adviseert de kwaliteitscommissie een standaard Kt/V van minimaal
2.2 per week na te streven
, PCR = 1-1,1 g/kg/24 uur
Kt/V bij normale nierfunctie: 30
Afwijkende uitslag
Shunt goed?
Voldoende dialysetijd?
Patiënt komt te laat
Patiënt wordt te vroeg afgesloten
Ureum monster op verkeerde tijdstip afgenomen, labfout
Dialyse machine probleem: bijv. verkeerde calibratie
Probleem bij patiënt: lage Qb, hypotensie
3. aangeven wat de invloed is van nierinsufficiëntie op de PCR;
PCR
Is een maat voor de eiwitafbraak (term PNA: Protein Nitrogen Apperance,
wordt ook wel gebruikt)
Voorwaarden:
Patiënt is stabiel:
stabiele patiënten zullen uitsluitend eiwitten omzetten die zij
met de voeding tot zich hebben genomen Dit heet Dietary
Protein Intake (DPI)
PCR en DPI
Stabiele patient: PCR = DPI
Katabole patient: PCR > DPI (eigen eiwitten worden verbruikt)
Anabole patient: PCR < DPI (eiwitten worden gebruikt voor de opbouw van
eigen eiwitten)
4. de verschillen weergeven in klaring bij hemodialyse, hemofiltratie en
peritoneaal dialyse.
Klaring bij hemofiltratie
Hierbij is de concentratie in het filtraat gelijk aan die in het plasma. Daarmee kan
de klaring gemakkelijk worden berekend, want die is gelijk aan de hoeveelheid
filtraat. Als er 80 ml filtraat per minuut wordt geproduceerd, is de klaring dus 80
ml/min
De klaring door de kunstnier wordt bij hemodialyse gewoonlijk berekend uit de
bloed- of plasmastroomsnelheid en de arteriële en veneuze concentratie
PD
Creatinineklaring > 45 L/week (CAPD/APD)
Kt/V> 1,7/week, inclusief restfunctie (CAPD)
UF: minimaal 1000 ml/24 uur
SPA test of PET test (eenvoudiger): kwaliteit peritoneum
URR (Ureum Reduction Rate)
Hoeveelheid ureum verwijderd tijdens dialyse = ureumproductie (tussen 2
dialyses) = maat voor eiwitafbraak (PCR) = eiwit opname
, Mits patiënt stabiel is (maat effectiviteit dialyse)
URR = (Upre - Upost)/Upre x 100%
Nadelen:
o Monster pre: [ureum] plasma < [ureum] weefsel
o Bij UF wordt ook ureum verwijderd (niet zichtbaar in concentratie)
Voordeel:
o Makkelijke berekening
Uitbreiding dialyseduur en/of frequentie overwegen bij:
Cardiovasculaire of hemodynamische instabiliteit
Persisterende hypertensie ondanks maximaal getolereerde UF
Onvoldoende fosfaatcontrole
Ondervoeding (m.n. frequentie verhogen)
Shuntdiagnostiek
beschrijven wat de meest voorkomende complicaties zijn bij een shunt en
hoe deze te herkennen zijn;
Veel voorkomende shunt problemen:
Non maturatie (shunt groeit niet)
Ligging
Aneurysma
Ontsteking
Trombose shunt
Centrale stenose
Diepte
Diameter
Allergische reacties
Infecties
Stenosering shunt
Stenosering outflow
Stenosering inflow
Kleppen
Nabloedingen
Stuwing
Atherosclerose
Zenuwbanen
Hematomen
Veneuze hypertensie (Als er door de eerdere aanwezigheid van een
katheter een stenose ontstaan is centraal aan de zijde van de shuntarm,
kan zich een veneuze hypertensie ontwikkelen. De arm en hand worden
dikker en dit kan ook pijnlijk zijn. De shunt heeft dan wel een goede inflow
maar het veneuze stelsel kan het bloed niet wegpompen.)
Steal-syndroom (Als er te weinig bloed naar de hand kan stromen om deze
goed van bloed te voorzien, kunnen zich klachten van het steal-syndroom