Omgevingsfactoren
Verschillende theoretische modellen
è Algemeen model: Cumulatieve risicofactoren
o Problematiek bij ouders (mentale of gezondheidsproblemen,
middelengebruik, werkloosheid)
o Problematiek tussen ouders (relatieproblemen, huiselijk geweld,
scheiding)
o Problematiek in gezin (armoede, kindermishandeling, verwaarlozing)
è Specifieker model o.b.v. 3 dimensies:
(o.a. Berman et al., 2022, Patterson et al., 2025):
o Bedreiging/gevaar (bijv. onveilige buurt, huiselijk geweld)
o Deprivatie (bijv. weinig ontwikkelingsstimulering)
o Onvoorspelbaarheid (bijv. in opvoeding of veranderingen in woon- en/of
werkomgeving)
Belangrijke vraag: maakt het uit hoeveel risicofactoren of welke risicofactoren?
Ontwikkelkansen voor kinderen: dikke onvoldoende
Hoe doet Nederland het in kansen voor kinderen? Het Jeugdeducatiefonds (2025) heeft
onderzoek gedaan:
1 op de 4 kinderen heeft last van stress (vooral door geldgebrek)
28.000 kinderen die slecht zien, dragen geen bril vanwege de kosten ervan
Niet elk kind heeft een eigen bed om in te slapen
Niet elk kind heeft een fiets (ruim 3000 aanvragen in 2024)
Niet elk kind gaat met een gevulde maag naar school (385.000 kinderen krijgen
een maaltijd op school, maar het is niet genoeg)
SES (Sociaal Economische Status)
Multi-dimensioneel construct
o Individueel niveau: opleiding, beroep en inkomen, of combinaties
o Buurt SES (neighborhood SES): veiligheid, criminaliteit, type behuizing
(huur/koop, flat/eengezinswoningen), aanwezigheid groen, bibliotheken
etc.
o Subjectieve Sociale Status (waar plaatst iemand zichzelf?)
o Mate waarin individuen beter of slechter toegang hebben tot materiële en
sociale bronnen, zoals voeding, huisvesting, veiligheid van de buurt,
kwaliteit van de fysische omgeving, inkomen en opleidingsniveau (Adler &
Newman, 2002)
Gezondheidse=ecten SES
Kinderen en adolescenten uit lage SES-gezinnen hebben twee tot drie keer vaker
psychosociale problemen, zoals externaliserende problemen, depressie,
problemen met drugsgebruik en schizofrenie
Intergenerationele overdracht
,Vroege kindertijd: ontwikkeling
De eerste levensjaren: sensitieve periode voor de hersenontwikkeling waarin de
hersenen ook de grootste veranderingen doormaken, maar ook het meest
plastisch zijn dus meest ontvankelijk voor ervaringen
Ontwikkeling van fijne en grove motoriek, receptieve en expressieve taal,
zelfregulatie en executieve functies
SES, hersenen en kind uitkomsten
Hersenstructuur Gedrag, leren en
SES
& ontwikkeling ontwikkeling
Mechanismen:
Stress
Cognitieve/talige stimulering
SES en hersen ontwikkeling van foetus (Lu et al. 2021)
(N=144 24-39 weken)
Hoger opleidingsniveau en hogere functie/beroep van moeder -> meer witte stof.
o Gerelateerd aan de ontwikkeling van taal, executieve functies, en lezen
Hogere functie ook groter cerebellum en grotere hersenstam
Hogere SES (combi opleiding en beroep) -> groter volume 3 van de 4 kwabben
(frontaalkwab, pariëtale kwab, temporale kwab)
Hoger opleidingsniveau -> minder grijze stof
o Gerelateerd aan de ontwikkeling van taal, aandacht, executieve functies,
emotieregulatie, en geheugen
Hoger opleidingsniveau moeder -> kleiner volume occipitaal kwab
Mogelijke verklaringen: stress, meer ontstekingsreacties
(College Ora Oudgenoeg)
Complexe interacties tussen SES en andere omgevingsfactoren
Schommelingen in inkomen en hersenstructuur (Patterson et al., 2025)
,SES en hersenontwikkeling & hersenfuncties
Lage SES (armoede) en hersenfuncties (Hanson et al., 2013):
o Minder sterk gespecialiseerde
linkerhersenhelft voor
taalverwerking
o Minder e`iciënt georganiseerde
functionele netwerken
(= communicatie tussen
hersengebieden)
o Minder hersenactiviteit in
hersengebieden die belangrijk
zijn voor de ruimtelijke
waarneming en
rekenvaardigheden
Lage SES -> minder volume grijze stof (zie figuur)
Armoede -> minder volume grijze stof (Hair et al., 2015)
Bij oudere kinderen, adolescenten en volwassenen hangt SES vooral samen met
taal, executieve functies en geheugen
SES en hersenstructuur (Noble & Giebler, 2020)
• Positieve relaties van SES met zowel witte als en grijze stof
• Corticale oppervlakte: stabiliteit tussen 5-25 jaar
• Corticale dikte: buurt-SES; familie SES meer wisselend
• Corticaal volume: inkomen; armoede tijdens de babytijd -> kleiner volume OFC
25 jaar later -> gedragsproblemen
• Volume subcorticale gebieden: langzamere groei en kleiner volume van
hippocampus, maar ook structurele verschillen in amygdala, thalamus en
striatum, hoewel minder consistent
Hoge SES mogelijk bu`er voor neurobiologische risico’s o.a. hogere FA=integriteit
van de witte stof (maat voor de gezondheid en functionaliteit van deze vezels)
SES en hersenfunctie (Noble & Giebler, 2020)
Hersenactiviteit in rust: positieve relaties tussen SES en functionele netwerken)
Taak gerelateerde hersenactiviteit:
o Gezin SES en buurt-SES gelinkt aan hersengebieden geassocieerd met
taal en executieve functies
o Inkomen en zelf gepercipieerde status gelinkt aan emotionele reacties
SES verklaarde 60% meer variantie in schoolvaardigheden dan genetische
factoren
Mediatoren: cognitieve en taalstimulering en stress in het gezin
SES en hersenontwikkeling
Mogelijke mechanismen
, Model van
Brito &
Noble, 2014
Model Tooley et al., 2021
SES & hersenontwikkeling in de vroege kindertijd: stress (Rosen et al., 2019; Tooley
et al., 2021)
Lage SES als experience-dependent context:
Gebrek aan duidelijke structuur, routines en regels. De omgeving in laag SES-
gezinnen: meer chaotisch, gedesorganiseerd en weinig stabiel -> slechtere
ontwikkeling van de executieve functies
Gebrek aan stabiele en responsieve ouder/verzorger die in ‘overlevingsmodus’ is
Hoge mate van (chronische) stress in gezin