7 Processen bij het ontstaan van slecht gedrag:
Gedachteloos: De eerste kleine stap maakt de volgende stap makkelijker. Eerst liegen,
dan stelen en daarna geweld.
Voorbeeld: Iemand begint met een leugentje om bestwil, en eindigt later met fraude op
zijn werk omdat het steeds makkelijker wordt om grenzen te verleggen.
Ontmenselijken van de ander: Stigmatiseren/dehumaniseren.
Voorbeeld: In een discussie over vluchtelingen worden mensen alleen nog
"gelukszoekers" genoemd, waardoor hun menselijkheid uit beeld raakt.
Afstand nemen van jezelf: Anonimiteit in plaat van identiteit.
Voorbeeld: Een troll op social media maakt haatvolle opmerkingen zonder zich
persoonlijk verantwoordelijk te voelen, omdat hij anoniem is.
Afstand nemen van persoonlijke verantwoordelijkheid: Sociale norm. Als de hele
groep het doet dan doe ik dat ook.
Voorbeeld: In een groep pest iedereen een leerling, en niemand voelt zich
verantwoordelijk omdat 'iedereen het doet'.
Blind gehoorzamen aan autoriteit: Milgram experiment.
Voorbeeld: Een medewerker voert een onethisch bevel van zijn leidinggevende uit
zonder vragen te stellen, omdat “het nu eenmaal moet van bovenaf”.
Conformeren aan groepsnorm: Ash experiment.
Voorbeeld: Een scholier rookt mee op schoolplein omdat de vriendengroep dat normaal
vindt.
Passieve tolerantie slecht gedrag: Je bent bang om je uit te spreken.
Voorbeeld: Een collega maakt steeds seksistische grappen, maar niemand zegt er iets
van omdat ze bang zijn voor conflict.
Normatieve professionaliteit: Ethische verantwoordelijkheid van professionals om
normen en waarden te respecteren.
Voorbeeld: Een sociaal werker die weigert vertrouwelijke informatie te delen, ook al zou
dat sneller resultaat opleveren, omdat hij de waarde van privacy belangrijk vindt.
Technische professionaliteit: Het doel is professionele wijsheid.
,Voorbeeld: Een leraar die goede methodes toepast en communicatief vaardig is, maar
geen rekening houdt met morele dilemma’s.
Belang normatieve ontwikkeling: Kwetsbare mensen, gevoelige informatie,
machtspositie en krachtenveld van verschillende belangen.
Voorbeeld: Een jeugdhulpverlener die werkt met kwetsbare jongeren beseft dat zijn
beslissingen invloed hebben op het leven en toekomst van anderen.
Moraal: Handelingen die sociaal en maatschappelijk wenselijk zijn.
Voorbeeld: Het is moreel juist om iemand in nood te helpen, ook als je hem niet kent.
Waarden: Idealen of principes die mensen belangrijk vinden in het leven.
Voorbeeld: Vrijheid, eerlijkheid en respect zijn voorbeelden van waarden.
Normen: Handelingsvoorschriften om waarden na te streven.
Voorbeeld: Je mag niet liegen of stelen.
Deugd: Een goede eigenschap die ertoe leidt dat de persoon goed handelt.
Voorbeeld: Iemand die altijd eerlijk is, laat deugd zien.
Ethiek: De systematische reflectie op morele vragen, op basis van rationele
argumenten.
Voorbeeld: Discussie over euthanasie; wat is moreel goed om te doen?
Soorten moralen
Intuitieve moraal: Wanneer mensen handelen op basis van hun intuïtie en emoties
(instinctief).
Voorbeeld: Je ziet iemand op straat vallen en helpt hem instinctief.
Hechtingsmoraal: Het is goed om voor je naasten te zorgen.
Voorbeeld: Je zorgt goed voor je moeder omdat ze bij je familie hoort.
Geweldsmoraal: Het is goed om jezelf en naasten te beschermen tegen
levensbedreigingen.
Voorbeeld: Je verdedigt een vriend die wordt aangevallen.
Reinigingsmoraal: Het is goed om je wereld zuiver te houden.
Voorbeeld: Je vindt het verkeerd als mensen rotzooi op straat gooien.
,Samenwerkingsmoraal: Het is goed om constructief samen te werken.
Voorbeeld: Je werkt in een team en laat iedereen aan het woord komen.
Ethiek: Op een redelijke manier het verschil tussen goed en kwaad beargumenteren.
Soorten Ethiek
Descriptieve ethiek: Hoe mensen zich gedrag. Hoe gedraagt iemand zich in morele
kwesties en welk argument geeft hij/zij hierbij (mening van sociaal werkers vragen over
het beroepsgeheim).
Voorbeeld: Onderzoeken hoe sociaal werkers omgaan met beroepsgeheim.
Prescriptieve/normatieve ethiek: Hoe mensen zich zouden moeten gedragen. Je
zoekt algemene principes om te bepalen wat moreel juist gedrag is (beroepscode en
utilisme).
Voorbeeld: De beroepscode van sociaal werkers zegt dat je moet handelen vanuit
respect.
Meta-ethiek: Fundamenteel morele vraagstukken. Kunnen waarden universeel zijn.
Reflecteert op het grotere geheel. Is universeel moraal mogelijk? Als mensen is ons
denken ook tijd en cultuurgebonden.
Voorbeeld: Discussie over of universele waarden mogelijk zijn in elke cultuur.
Centrale waarden van de normatieve pedagoog: Respect en autonomie.
Voorbeeld: Een leerling bepaalt zijn eigen leerdoelen, de docent ondersteunt dat met
respect.
Soorten vrijheden
Positieve vrijheid: Zeggenschap over je eigen leven. De vrijheid om je eigen leven in te
richten zoals je dat wilt.
Voorbeeld: Je kiest je eigen studie en loopbaanpad.
Negatieve vrijheid: Anderen kunnen niet bepalen wat iemand kan doen. Afwezigheid
van dwang.
, Voorbeeld: Niemand verbiedt jou om te zeggen wat je denkt.
Valkuil positieve vrijheid: De deur openzetten voor totalitair systeem. Een overheid die
alles bepaalt over je privéleven/ Want iedereen heeft een andere visie of invulling van
positieve vrijheid.
Voorbeeld: Een overheid die zegt wat goed is voor iedereen en dus keuzes opdringt, in
naam van ‘vrijheid’.
Capability: Mogelijkheden. De capaciteit van een persoon (talent, kansen en
vaardigheden) om bepaalde dingen te doen die belangrijk voor hem of haar zijn.
Voorbeeld: Een kind met rekenachterstand krijgt extra hulp zodat hij volwaardig mee
kan doen.
Schaamte (wij): Emotie die hoort bij de neiging dat mensen liever niet door de
gemeenschap veroordeeld willen worden.
Voorbeeld: Je hebt spijt van iets en wilt liever niet dat anderen het weten.
Schuld (ik): Als je vindt dat je een norm hebt verbroken dan kan je schuldgevoelens.
Voorbeeld: Je voelt je schuldig omdat je gelogen hebt tegen een vriend.
Freud: Ontdekker onderbewustzijn.
Super ego: Hoe het hoort te zijn.
Voorbeeld: Je eet geen snoep voor het avondeten omdat je geleerd hebt dat dat ‘niet
hoort’.
Ego (ich): Regulerende functie. Je bewustzijn die tussen de super ego en id zit.
Voorbeeld: Je wilt iets leuks kopen (id), maar bedenkt dat je geld moet sparen (super
ego) en kiest voor iets goedkoops.
Id: Instinct en onbewuste wensen.
Voorbeeld: Je hebt honger en wil direct een zak chips pakken zonder na te denken.
Beroepscodes van sociaal werk: MILD
Motivatie: Laten leiden door respect voor de mens.