adolescentie
Oefenvragen
1. Wat is geen risicofactor voor het ontwikkelen van een gedragsstoornis?
a. Armoede
b. Beloning van agressie
c. Agressieve leeftijdsgenoten
d. Alle bovenstaande factoren zijn risico’s
2. Bij welke leeftijd pas ‘imaginary audience het beste?
a. Vroege kindertijd
b. Midden kindertijd
c. Adolescentie
d. Volwassenheid
3. Welke uitspraak, gerelateerd aan autisme, is niet waar?
a. Vooral jonge kinderen met een lage intelligentie vertonen
herhaaldelijk sensomotorisch gedrag.
b. Een hoger IQ is gerelateerd aan minder hevige symptomen.
c. Kinderen met autisme scoren lager op de Theory of Mind.
d. Over-sensitiviteit komt vaker voor dan onder-sensitiviteit bij
autisme.
4. ‘Elise is thuis spraakzaam en speelt veel met haar broertjes en zusjes, op
school zegt ze echter niks.’ Welke stoornis zou Elise kunnen hebben?
a. Autisme
b. ADHD
c. Selectief mutisme
d. Sociale angststoornis
5. Welke persoonlijkheidsstoornis kan pas gediagnosticeerd worden vanaf 18
jaar?
a. Antisociale persoonlijkheidsstoornis
b. Borderline persoonlijkheidsstoornis
c. Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
d. Narcistische persoonlijkheidsstoornis
6. Wat is de vaakst voorkomende somatische klacht?
a. Hoofdpijn
b. Buikpijn
c. Astma
d. Skeletpijn
7. ‘De moraliteit gebaseerd op de opinies van anderen en formele regels’
past het beste bij …?
a. Moral realism van Piaget
b. Autonomous morality van Piaget
c. Conventionele moraliteit van Kohlberg
d. Post-conventionele moraliteit van Kohlberg