Ouderenpsycholoog & beeldvorming
Levenslooptheorieën
Sociaal perspectief
H1 Ouderenpsychologie en beeldvorming
- Depressie minder snel herkend bij ouderen
- Verslechterde informatieverwerking is geen voorstadium van dementie
- Ouderen zijn gevoeliger voor bijwerkingen van medicatie
- Werkprestatie neemt niet af bij het ouder worden
- Ouderen ervaren meer werktevredenheid
- Er is geen sprake van vermindering van contact met anderen
- Diversiteit heeft te maken met cohortverschillen
- Seksuele interesse en behoeften blijven tot op hoge leeftijd
- Een derde van mensen 55-74 doet vrijwilligerswerk
Slotman, 2015. Aging Perceptions Questionnaire APQ
Positieve attitude tov eigen veroudering > meer gezond gedrag, minder eenzaamheid, depressie en lager
sterfteaantal
APQ, 7 dimensies
- Chronische tijdlijn. Bewust van eigen veroudering is altijd aanwezig.
- Cyclische tijdlijn. Afwisselend besef.
- Positieve consequenties. Positieve gevolgen van ouder worden (wijzer, groei, waarderen)
- Negatieve consequenties. Beperkingen,
- Emotionele representaties. Emotionele reacties op het ouder worden. Somber, boos, zorgen maken.
- Positieve controle. Zelf controle uit kunnen oefenen.
- Negatieve controle. Buiten eigen controle.
Knight/Pachana 2015, aanpassing van psychologische behandeling
CALTAP Contextual Lifespan Theory for Adapting Psychotherapy
Besteed aandacht aan + en - biopsychosociale aspecten van ouder worden
- Bepaalt aanpassingen
- Helderheid voor th en cle en naasten
Positive maturation: levenservaring, relativeringsvermogen, pensionering
Negative maturation
Speci c challenges: komen relatief vaak voor maar niet bij iedereen
Gehoorverlies, chronische ziekte, cognitieve stoornissen, mantelzorgtaken, verweduwing, opname
in zorginstelling
Sociale context en bredere cohort (sociaal historisch), inclusief cognities en attitude van hulpverlener
(hebben vanuit eigen cohort opvattingen).
Ook cultuur. Vooroorlogs: niet klagen maar dragen, weinig bekend met behandelmogelijkheden
Knight/Pachana: alleen psych met voldoende kennis kunnen ouderen met zelfde resultaat behandelen als
jongere volwassenen. Speci eke kennis en sensitiviteit is nodig, plus re ectie op eigen vooroordelen.
Ouderenpsycholoog enige niet-medische academische behandelaar naast klinisch geriater.
2015: 2600 ouderenpsychiaters, 300 klinisch geriaters,1500 specialisten ouderengeneeskunde
Vooral in ggz en ver (verzorging, verpleging, thuiszorg) en ziekenhuissector
2004: Amsterdam masteropleiding gz psych met accent ouderen
Veel niet BIG. Daarom veel cursusaanbod
fi fi fl
,H2 Levenslooptheorieën
Geestelijke gezondheid:
- Kader van complexiteit van levensloopontwikkeling
- Omvat meer dan afwezigheid psychische ziekte (ook bio, socio, maatschappelijk welbevinden)
- Beeldvorming bepaalt manier waarop maatschappij, hulpverleners en ouderen zelf met ouderdom
omgaan
- Persoonlijke levensverhaal (interpretatie daarvan!) draagt bij aan geestelijke gezondheid van ouderen
Voor de ouderenpsycholoog is een brede persoonsgerichte visie van belang.
2.2 Levenslooppsychologie
Ouder worden behoort tot het gehele leven, geen aparte groep.
Bates 1987, grondlegger moderne levenslooppsychologie, principes ontwikkeling
- Multidimensionaal en multidirectioneel
- Behoud en omgang met verlies, minder groei.
- Pas op zeer hoge leeftijd afname individueel door biologische veroudering
Uitkomst processen levensloopontwikkeling:
pathologisch
normaal (statisch)
succesvol (positieve uitzondering)
optimaal (best denkbare)
Wat is succesvol ouder worden:
’60 Oudste tegenstelling: disengagement (natuurlijk terugtrekken) - activity (participeren)
(Beide kritiek, snel normativiteit)
Laatste decennia: meeste recht aan multidimensionaliteit van levensloonontwikkeling. Meerdere criteria van
goed ouder worden.
Rowe Kahn VS 1997 meest gebruikt.: kleine kans op ziekte, goed fysiek en cognitief functioneren, actieve
betrokkenheid. Echter veel discussie welke factoren. 29 de nities aanwezig.
Te strenge criteria. Beter: geen focus op goed functioneren maar op omgang van oudere zelf.
Omgaan ouder worden 2 kanten
- Plasticiteit en aanpassingsvermogen. Niveau van functioneren, controle ervaren, welbevinden
- Autonomie en sturing. Zelf doelen stellen en keuzes maken, richting geven.
ontwikkelingsregulatie
BALTES/BALTES: SOC model: selectie, optimalisatie, compensatie,
Selectie: jonge leeftijd keuzes maken, oude leeftijd focus welke keuzes energie aan besteden
Optimalisatie: hogere niveaus van functioneren behouden. Hulpbronnen en vaardigheden
Compensatie: rollator
1990 Rubinstein pianist.
- op oudere leeftijd selectiever
- Meer tijd om repertoire in te studeren
- Bepaalde passages langzamer spelen
Fietsen bij rustige weg selectie
luisterboeken ipv lezen compensatie
Bekende routes rijden optimalisatie
Rustig golfen selectie
Scootmobieltje compensatie
Extra tijd voor plannen treinreis optimalisatie
fi
,CARTENSEN 2003 Socio emotionele selectiviteitstheorie Test
Sluit aan op balies baltes. 2 motieven levensloonontwikkeling
1. Dingen leren kennen
2. Emoties reguleren
Bij uitdaging meer op 2. Voorkeur aan vertrouwd en positief.
Uit onderzoek informatieverwerking, herinneringen ophalen, activiteiten kiezen, sociale relaties
onderhouden > draagt bij aan positiviteitse ect wat functioneren en welbevinden in stand houdt.
Welbevinden
WHO 2004: goede geestelijke gezondheid: hoog niveau van welbevinden in samenhang met een goed
individueel en maatschappelijk functioneren. Standaarden: geluk, zelfrealisatie en maatschappelijke
integratie.
Terug te vinden in klassieke loso sche discussies over het goede leven.
Streven naar geluk wordt gerekend tot hedonistische visie op een goed leven.
Aristoteles en Epiricus: goed leven is een leven met veel genot en weinig pijn
Aristoteles: slechts 1 manier om invulling aan het leven te geven.
Eudemonische visie: ontwikkeling van karakter en deugden staat centraal. Zelfrealisatie binnen
maatschappelijke context.
Criteria voor welbevinden. 3 domeinen. Emotioneel, psychologisch, sociaal.
1. Emotioneel: enerzijds balans + en - gevoelens, anderzijds emotioneel gekleurde beoordelingen van het
eigen leven en domein ervan (activiteiten, relaties en gezondheid). Mensen kunnen zelf de normen
bepalen.
2. Psychologisch: ‘psychologisch welbevinden’ criteria voor zelfrealisatie. Humanistische theorieën over
zelfactualisatie, en positieve visies op gg en persoonlijkheid. 6 dimensies:
1. doelgerichtheid 4. omgevingsbeheersing
2. persoonlijke groei 5. zelfacceptatie
3. autonomie 6. positieve sociale relaties
3. Sociaal. 5 essentiële dimensies
- aanvaarden aard van de mens > sociale acceptatie
- begrijpen van sociale wereld > sociale coherentie
- gevoel dat maatschappij zich positief ontwikkelt > sociale groei
- bijdrage leveren > sociale bijdrage
Flourishing is op alle drie hoog scoren. Languishing is laag scoren.
Dual continua model= afwezigheid van psychische stoornissen is niet
hetzelfde als aanwezigheid van welbevinden.
Onderzoek naar leeftijdsverschillen geeft goede onderbouwing van het
model. Ouderen geven minder psychische klachten aan, toch scoren ze
niet hoger op psychologisch en sociaal welbevinden.
fi fi ff
, Invloed vanuit crosssectioneel
1. Ontwikkelingse ect. Positiviteitse ect aanwezig bij ouderen
2. Cohorte ect. Ouderen van oorlog minder mogelijkheden dus minder psychologisch welbevinden
3. Periode e ect. E ect van maatschappelijke ontwikkelingen. Weinig zinvolle sociale rollen voor ouderen
door toenemende vergrijzing.
Betekenis van ouder worden
Bij oudere zelf: zowel positief als negatieve stereotypes ‘competentie en warmte’. Aardig maar weinig
competent. Is paternalistisch en betuttelend.
In zorg: ‘we’, hard praten.
BALTES 1996: afhankelijkheid wordt beloond met aandacht, zelfstandigheid niet.
Ondersteunen autonomie, verbondenheid en competentie juist bijdragen aan welbevinden.
Stereotypering vormt zich vanuit jeugd. Is ook aanwezig bij ouderen zelf. Passen zich het niet aan.
LEVY 2009. Stereotype embodiment.
Priming. Invullen van eigen stereotypen. Neg werkte sterker.
Westerhof. E ect beleving heeft e ect op gezondheid en levensduur
Jonger voelen dan kalenderleeftijd, en positievere beleving ouder worden.
E ect minder groot in verzorgingsstaten.
Freud: pt bij ouderen heeft geen zin. Heeft sterk bijgedragen aan gebrek onderzoek en beleid
2.5 Levensverhalen
Narratieve gerontologie: stelt perspectief cl radicaal centraal
Sommigen stellen: ervaring van ouder worden en leven in biogra sche tijd kunnen alleen gevat worden in
verhalen. Verbind immers met terugblik, waarnemen en anticiperen.
> narratieve identiteit (konrad)
Levensverhaal bijzondere betekenis: opmaken van levensbalans is belangrijkste ontwikkelingstaak in laatste
levensfase. ‘Verhaal’ hierbij belangrijk.
>> Onderzoek reminiscentie: terugblikken leven minder aan leeftijd gevonden, wel verschillende functies. Bij
jongeren: identiteit vinden en problemen oplossen
Resultaat van ontwikkeling die ze hebben meegemaakt. Kinderen leren van hun ouders coherent verhaal
vertellen over bepaalde gebeurtenis uit hun leven.
Jongeren meer bewust van opeenvolging van gebeurtenissen.
Leren temporele opeenvolging van gebeurtenissen in te schatten om causale relaties te zien tussen
gebeurtenissen om steeds terugkerende themas te ontdekken, deze plaatsen in cultureel narratief over
levensloop zoals dat in onze samenleving gebruikelijk is. > rode draad in leven construeren.
Verhaal oudere: complexer, structuur met stijgende verhaallijn, opbouwend tot hoogtepunt, gevolgd door
ontknoping. Meer positieve emotiewoorden, minder negatief en meer inzicht (begrijpen en realiseren).
Andere inhoud: agency en communion (individualiteit en verbondenheid)
Nadruk op eigen rol, nadruk op eigen persoon in relatie tot anderen.
Middelbaar focus op eigen.
Eigen verhaal leest men steeds opnieuw en past aan.
McAdams ‘redemption’ verhalen (verlossing). Veerkracht etc.
ff
ff ff ff ffff ffff fi