,Samenvatting tractus digestivus – nieuw 2025
, Samenvatting tractus digestivus – nieuw 2025
1. Organen
Mondholte, gebitselementen, tong: tanden hebben mechanische rol (fijnkauwen voedsel).
Wil het voedsel doorgeslikt worden, moet het mechanisch bewerkt, bevochtigd en gemengd
met speeksel worden. Speekselklieren zorgen voor het bevochtigen (in de kaak, voor je oor,
onder de tong). Dit is nodig omdat je een passage nodig hebt van de bolus door de slokdarm
in de richting van de maag. Ook is het al een stukje chemische bewerking, want er zitten
enzymen in het speeksel (dit zijn katalysatoren van chemische reacties in je lichaam). De
tong zorgt ervoor dat de voedselbolus naar de achterkant van de keel wordt gedrukt en zo
het juiste kanaal in wordt geduwd (slokdarm)
Speekselklieren: speeksel is een smerende stof om door je slokdarm te komen, maar er
zitten ook enzymen in (dit zijn katalysatoren van chemische reacties in je lichaam). Deze zijn
dus ter bevordering van het splitsen van de stoffen die in je voedsel zitten. Zetmeel kan door
enzymen (bio katalysator) al verwerkt worden in de mond, doordat het door de tanden
deels wordt afgebroken en dat bepaalde enzymen de koolhydraten in de vorm van zetmeel
afbreken. (zetmeel is een plantaardige suiker)
Keelholte: spieren stuwen het voedsel de slokdarm in.
Slokdarm: uitsluitend vervoer van voedsel naar de maag. In de slokdarm is
peristaltiek aanwezig.
Maag: door spiercontracties wordt de voedselbolus eerst mechanisch bewerkt omdat het
chemisch bewerkbaar moet worden. Als het klein genoeg is kunnen de chemische stoffen
die door de maag zelf worden gemaakt het voedsel chemisch bewerken. Deze stoffen zijn
zuren, zoutzuur. Deze stoffen moeten ervoor zorgen dat de chemische bewerking door kan
gaan. Nu zijn het eiwit splitsende enzymen die het mogelijk maken dat in de voedselbolus de
eiwitten al een beetje worden gesplitst. Nog niet genoeg want het is nog niet helemaal
verteert.
, Samenvatting tractus digestivus – nieuw 2025
Dunne darm: hier vindt opnieuw enzymatische bewerking plaats met bio katalysatoren uit
de alvleesklier. Hier gaat het verteringsproces verder. Het zetmeel, de eiwitten en de vetten
worden daar helemaal afgebroken (organische substraten). Als die klein genoeg zijn kunnen
deze door de wand van de dunne darm worden opgenomen in het bloed. Daarnaast heb je
ook nog vitaminen en ionen etc. deze heb je nodig om goed te kunnen functioneren.
Lever en pancreas (alvleesklier): deze worden niet uitgebreid behandeld.
algemene functie lever: soort opslagorgaan. Zorgt voor afgifte van gal, geelgroenige stof die
zorgt voor het inpakken van kleine vetdeeltjes die de vertering vergemakkelijken
(emulgeren). Ook worden er heel veel stoffen opgeslagen zoals dierlijk zetmeel.
algemene functie pancreas: 2 functies, -exocriene functie : sappen afgeven, ook weer met
enzymen die verteren. Ook neutraliseert het het zuur uit de maag wat in de dunne darm
terecht komt. Endocriene functie : hormonen afgeven zoals insuline.
Galblaas: hier wordt het in de lever geproduceerde gal tijdelijk opgeslagen en die wordt
toegevoegd aan de dunne darm ten behoeve van het inpakken van kleine vetdeeltjes om
ze beter te kunnen verteren. De kleine vetdeeltjes worden in de dunne darm verder
verteert.
Dikke darm: zorgt voor het onttrekken van water uit het voedsel wat uit de dunne
darm komt.