Verdeling vragen:
80 vragen
KENNIS GROEPERINGSVORMEN – 1 begrijpen, 1 toepassen ................................................................................ 2
KENNIS KLASSIKALE LES – 1 toepassen............................................................................................................... 3
KENNIS GROEPJES LES – 1 begrijpen, 1 toepassen ............................................................................................... 4
KENNIS CIRCUIT – 1 onthouden, 1 toepassen ...................................................................................................... 5
KENNIS BEWEGINGSBANEN – 3 toepassen ......................................................................................................... 7
KENNIS GROENE SPELEN – 1 onthouden, 1 toepassen ........................................................................................ 8
KENNIS VRIJE LESORGANISATIE – 1 onthouden, 1 toepassen ............................................................................... 5
KENNIS LLLL – 1 toepassen ................................................................................................................................ 9
KENNIS DIDACTIEK – 6 begrijpen, 3 toepassen................................................................................................... 10
TOEPASSEN KENNIS METHODISCHE OPBOUW – 1 begrijpen, 1 toepassen ......................................................... 11
KENNIS METHODIEK THEORIE – 2 onthouden, 5 begrijpen ................................................................................. 11
KENNIS ARRANGEMENTSOPBOUW – 1 onthouden, 1 begrijpen.......................................................................... 15
KENNIS KLIMMEN – 1 onthouden ...................................................................................................................... 16
KENNIS ZWAAIEN – 1 begrijpen, 2 toepassen ..................................................................................................... 17
KENNIS STEUNSPRINGEN – 2 toepassen ........................................................................................................... 18
KENNIS TOUWTJE SPRINGEN – 2 toepassen ...................................................................................................... 19
KENNIS DOELSPELEN – 2 onthouden, 3 begrijpen, 3 toepassen ......................................................................... 20
KENNIS TIKSPELEN – 2 onthouden, 2 begrijpen .................................................................................................. 23
KENNIS B&M N.A.V. HET TEMPO VAN DE MUZIEK – 1 onthouden ......................................................................... 25
KENNIS B&M N.A.V. FASERING VAN DE MUZIEK – 2 onthouden, 2 toepassen ....................................................... 25
KENNIS B&M EEN DANS UITVOEREN OP MUZIEK – 2 onthouden, 1 begrijpen, 1 toepassen .................................. 25
KENNIS STOEISPELEN METHODIEK – 3 onthouden, 1 toepassen ........................................................................ 28
KENNIS STOEISPELEN DIDACTIEK – 2 toepassen ............................................................................................... 28
KENNIS ONTWERPEN EN ANALYSEREN STOEISPELEN – 1 onthouden, 1 begrijpen, 1 toepassen .......................... 28
Het vak MDL PO houdt zich bezig met het leren lesgeven aan leerlingen op de basisschool. Dit wordt gedaan met:
• Methodiek = de opbouw die gehanteerd wordt om binnen een activiteitgebied een bepaald doel te halen.
• Didactiek = de manier van lesgeven van de docent om sturing te geven aan het leerproces.
, KENNIS GROEPERINGSVORMEN – 1 begrijpen, 1 toepassen
De plaatsing van de leerlingen in de zaal kan op veel verschillende manieren gebeuren. De lessen kunnen
klassikaal (waarbij alle leerlingen tegelijkertijd op dezelfde manier in dezelfde tijd hetzelfde onderwijs ontvangen) of
in groepjes (waarbij de leerlingen in kleine groepjes met verschillende taken aan het werk zijn) gegeven worden.
Tussen deze uitersten liggen heel veel manieren om de leerlingen te groeperen. Belangrijk is dat de
groeperingsvorm aansluit bij de onderwijsdoelen en -inhoud.
Voorbeelden van groeperingsvormen zijn:
• Groeperingvorm die gebaseerd is op interesse van de leerlingen.
• Het groeperen van kinderen in homogene en heterogene groepen: dit kan op leeftijd maar ook op niveau.
• Willekeurige groepjes.
• Vriendengroepen.
• Tafelgroepen: groepen waarin de lln. Werken in de klas gebruiken we ook in de les bewegingsonderwijs.
• Lengtegroepen.
Het samenstellen van groepen bij groepswerk is een belangrijk onderdeel van de leerervaring. Er zijn verschillende
opties en methoden om dit te doen en de keuze hangt af van verschillende factoren, zoals de leeftijd van de
leerlingen, de grootte van de groep en de beschikbare tijd. Door zorgvuldig te kiezen en actief deel te nemen aan
het proces van het samenstellen van teams, kan een positieve leeromgeving worden gecreëerd die de leerervaring
van leerlingen verbetert.
Het samenstellen van teams door de leerlingen zelf:
• Voordeel: het kan de behoefte van autonomie bevredigen en het is leuk om zelf te mogen kiezen.
• Nadeel: het kan leiden tot oneerlijke teams, waardoor sommige leerlingen zich buitengesloten kunnen voelen.
Het samenstellen van teams door de leraar:
• Het kan voorkomen dat er oneerlijke teams ontstaan en de leraar kan de teams samenstellen op basis van
verschillende criteria (niveau, vaardigheden of persoonlijkheid) om de beste resultaten te behalen.
In plaats van de teams zelf te laten kiezen of volledig te bepalen, kunnen de leerlingen actief meedenken over wat
een eerlijk team is. Dit kan bijdragen aan een positieve groepsdynamiek en het ontwikkelen van vaardigheden zoals
samenwerking en communicatie.
Er zijn verschillende manieren om teams samen te stellen:
• Manier 1 ® twee leerlingen kiezen om de beurt een leerling tot er nog maar een paar zijn. De overgebleven
leerlingen kiezen zelf bij welk team ze horen.
• Manier 2 ® een leerling kiezen telkens twee leerlingen, de andere leerling kan telkens één van deze net gekozen
leerlingen ‘stelen’ voor in het eigen team.
• Manier 3 ® leerlingen maken tweetallen van vergelijkbaar niveau, waarbij één leerling van elk tweetal een lintje
pakt en dus bij één van de teams hoort.
• Manier 4 ® afnummer: nummer de leerlingen en verdeel ze gelijkmatig over de teams (eerst de meisjes en dan
de jongens voor een evenredige verdeling).
• Manier 5 ® kaarten gebruiken: verdeel kaarten uit een spel om teams te maken, jokers kunnen gebruikt worden
om deze leerling zelf een team te laten kiezen.
• Manier 6 ® genummerde tennisballen/papiertjes: laat leerlingen tennisballen/papiertjes uit een bak trekken en
bepaal zelf (ven tevoren) welke nummer bij welk team horen.
• Manier 7 ® op basis van kenmerken: verjaardag maand, persoonlijke kenmerken (haarkleur/favoriete
sport/broers/zussen), vragenstroom (wie houdt van zwemmen/eten/dieren).
• Manier 8 ® op leeftijd: vanuit de eerder gemaakte drie-/vier-/vijftallen, komen nu per groep de
jongste/oudste/middelste bij elkaar.
, KENNIS KLASSIKALE LES – 1 toepassen
Klassikale les ® een les waarbij de leerkracht met één activiteit de hele groep begeleidt. Hiermee kan er
individueel of in groepjes gewerkt worden (klassikale groepjesles).
• De klassikale les is geschikt om vanuit het nadoen van de leerkracht en het herkennen van de activiteit, deel
te nemen aan de activiteit.
Voordelen van een klassikale les Nadelen van een klassikale les
Voor leerlingen: Voor leerlingen:
• Gezamenlijke beleving • Minder persoonlijke aandacht
• Structuur en regelmaat • Verschillende vaardigheidsniveaus
• Motivatie en samenwerking • Minder dijerentiatie
• Gelijke kansen
Voor de docent: Voor de docent:
• Ejiciëntie • Beperkte individualisering
• Overzicht en controle • Grote groepen
• Bevordering van discipline • Minder flexibiliteit
• Coördinatie van activiteiten
De klassikale les is verder te onderscheiden in drie soorten:
Voorland (verkennen) ® De leerkracht biedt voorbereidende activiteiten aan die belangrijke deelaspecten
bevatten van de uiteindelijke bewegingsactiviteit. De herkenning van de volledige activiteit is nog niet nodig.
Voorland is nuttig als de echte activiteit nog te moeilijk is, maar leerlingen alvast eenvoudige onderdelen kunnen
ontdekken. De activiteiten moeten gericht zijn op de latere activiteit (niet alleen op het materiaal of lichaam zelf).
Oefenland (herkennen) ® Hier wordt de gewenste activiteit in zijn geheel aangeboden. Leerlingen begrijpen de
bedoeling al snel. Na het vrij verkennen in rommel-land (tijdens de vrije les), kan bijvoorbeeld werpen en vangen nu
klassikaal worden geoefend. Samen dezelfde activiteit doen geeft herkenning, plezier en ruimte om elkaar iets te
laten zien. Oefenland is handig om klassikaal instructie te geven bij nieuwe activiteiten.
Leerland (bekennen) ® Leerlingen beheersen de activiteit al en nu kan er worden verdiept. De leerkracht richt zich
op leerdoelen en geeft gerichte aanwijzingen aan de groep. Leerlingen leren ook hoe ze elkaar kunnen helpen.
Leerland bouwt voort op oefenland, maar met meer focus op het leren. Vaak wordt er in kleine groepjes gewerkt, al
blijft een klassikale uitleg waardevol om leerdoelen en verschillen duidelijk te maken.