Hoorcollege 3 Fiscaalrecht
Allerbelangrijkste bepaling awb: binnen zes weken bezwaar
Week 3
Vennootschapsbelasting (Vbp) en divendbelasting
In werkelijke leven gaan ook alle belastingen doornemen.
Vennootschapsbelasting bouwt voor belangrijk deel voort op Inkomstenbelasting. Wat we
vorige week hebben gedan kunnen we deze weke ook gebruiken.
Waarom nu al overstap van Ib naar VPB?
- object(wat wordt belast)?
bij winst uit onderneming object, art. 3.8 Ib: de winst en subject is natuurlijke persoon,
art. 1.1. dus BV kan nooit in IB worden belast.
In VPB is object grotendeels vergelijkbaar gedefinieerd, in de basis hetzelfde als ib.
Grootste verschil is subject: lichaam.
Ondernemer in IB en Vpb
Vorige week
IB-ondernemer: art. 3.4 IB rechtstreeks verbonden met schulden van die onderneming.
Als aandeelhouder ben je dus geen ondernemer van je bent niet rechtstreeks verbonden.
Art. 3.3 IB: geen ondernemer (niets inkleuren)
conclusie vorige week: aandeelhouder louter op grond dat hij aandeel houdt geen
ondernemer is. Wat hij wel is: volgende week.
Deze week: het lichaam dat de onderneming drijft, dus waar aandeelhouder aandelen in
heeft.
Waarom vennootschapsbelasting?
- Alleen natuurlijke personen hebben draagkracht: rechtspersonen zijn juridische
ficties, achterliggende natuurlijke personen (bv aandeelhouders NV/BV) zijn
degenen met draagkracht.
*Economische theorie: alleen mensen hebben draagkrijg, alleen natuurlijke
personen. Rechtspersonen is niks, is een juridische fictie. Rechtspersoon kan je
wel belasten, maar rechtspersoon moet dat afwentelen. Vb op aandeelhouders,
maar dat ligt meestal niet voor de hand, omdat er vaak wordt afgewenteld bij
zwakste partij en dat zijn vaak niet de aandeelhouders en vaak zijn dat
werknemers of afnemers.
Vanuit economische theorie is dit dus niet zinvol.
- Waarom dan niet alleen een inkomstenbelasting en belastingheffing op moment dat
NV/BV winst uitkeert aan natuurlijk persoon/aandelen verkoopt?
*Dan zou je kunnen zeggen kunnen we niet volstaan met inkomstenbelasting en
dan heeft wanneer vb werknemer loon krijgt of aandeelhouder dv krijgt. Dit
gedaan tot wo2. Duisters zagen dat dit weinig oplevert, zij hebben toen stelsel
omgegooid. Dat is dus het probleem als je alleen inkomstenbelasting heeft dan
weetje een ding zeker dat mensen het geld niet gaat uitkeren en in de laten ze dat
geld onbelast in de vennootschap zitten.
- Voorkomen belastingontwijking: iedereen in de BV, winst belastingvrij, pas belast
met inkomstenbelasting als wordt uitgekeerd of natuurlijk persoon aandelen
verkoopt.
*Dus om belastingontwijking te voorkomen, is de gedachten ontstaan dat je
vennootschapsbelasting moet heffen. Die kun je heffen zodra winst in
vennootschap wordt gemaakt.
- Fiscus kan door Vpb dus eerder (namelijk op het moment dat de winst wordt
gemaakt) heffen → hulpfunctie ten opzichte van inkomstenbelasting
* De rechtsgrond van vbp is in feiten ene hulp belasting voor IB. om te voorkomen
dat belastingheffing eindeloos wordt uitgesteld.
, - Structuur van de Wet Vpb 1969:
de belangrijkste hoofdstukken
- Hfdst. I, art 1-6b :Subjectieve belastingplicht (wie)
- Hfdst. II, art 7-16 :Object van heffing bij binnenlandse belastingplichtigen (wat)
Als je bladert door h2 heel veel artikelen, vb 8a-8g. Object is wat complexer. Bij
bestuderen van vbp vasthouden aan hc en og. Vasthouden aan hoofdlijnen.
- Hfdst. III, art 17-19: Object van heffing bij buitenlandse belastingplichtigen (wat)
- Hfdst. IV, art 20-21a Verliesverrekening
- Hfdst. V, art 22-23b Tarief (hoeveel)
- Hfdst. VI, art. 24-27 Wijze van heffing (hoe)aangifte/aangifte belasting: art. 24 lid 1
Vpb belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Wie moet de belastingschuld
materialiseren (bepalen)? De inspecteur stelt belastingschuld vast. Als je
belastingplichtige bent doe je dus aangifte maar die aangifte is dus hulpmiddel om
belastingschuld vast te stellen. Als inspecteur later denkt oh moest hoger zijn, dan
moet hij voldoen aan voorwaarden art, 16 AWR.
Wie is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting?
• Art. 1 VPB: lichamen is subject. Maar geen civielrechtelijke term, betekent dat wetgever
zelf moet uitwerken, kijk naar lid 2. Hierbij belangrijk 1a: Duits bedrijf maar in nl
gevestigd, binnenlandse belastingplichtigen.
Artikel 2: in NL gevestigde NV’s, BV’s etc (NB: zie art 1a: omvat ook vergelijkbare naar
buitenlandsrecht opgerichte lichamen).= binnenlandse belastingplichtigen.
Artikel 3: lichamen die niet in NL zijn gevestigd, maar wel ‘Nederlands inkomen’ genieten
= buitenlandse belastingplichtigen(onder c, belangrijk!). wat is nl inkomen H3 vbp.
Bepalen binnenlands of buitenlands:
Als iets voor heel veel belastingen relevant is dan is het geregeld in AWR.
• Art 4 AWR: naar omstandigheden beoordeeld. Dit is een hele feitelijke toets.
fiscaal gezien willen we weten waar zit je gezien, waar ga je naar de tandarts. Waar is dus
het centrum van jouw sociale belangen. Stel he hele familie woont in rdam hier ga je naar
tandarts en hebt een villa in België. Dus dan woon je gwn in Nederland.
Zelfde geldt voor bedrijf. Bij bedrijf ga je kijken waar de managementbeslissingen
genomen? Waar wordt dat bedrijf geleidt/gevoerd? Belastingdienst gaat kijken of er ook
op die plek beslissingen nemen of enkel documenten teken.
• Art 2, lid 5 VPB: opgericht naar Nederlands recht in beginsel geacht in Nederland te zijn
gevestigd. Echter: belastingverdragen wijzen woonplaats meestal toe obv feitelijke
vestigingsplaats (week 5)
Maar als jij gebruik maakt van Nederlands civiele recht, dat wil zeggen als jij als
vennootschap bent opgericht naar nl recht. Dan maakt het niet uit waar je feitelijk bent
gevestigd en dan mogen we je sws belasten.
Binnenlands belastingplichtigen
Onderscheid:
A Belast ongeacht hun activiteiten,
bijvoorbeeld BV en NV
• art. 2, lid 6: 2.1.a, 2.1.b, 2.1.c, 2.1.d, 2.1.h, 2.3
Art. 2 lid 6: die lichamen worden geacht huh onderneming te drijven met behulp van hun
, gehele vermogen. En dit is dus heel belangrijk.
vorige week:
ib ondernemer: is ondernemer en privépersoon en van ieder vermogensbestanddeel
moet je bepalen of het ondernemingsvermogen, zo ja voordelen daaruit winst art. 3.8 IB
is of privévermogen, zo ja dan zijn voordelen daaruit gwn privé net relevant. Bij zo een
natuurlijke persoon moest je dus vermogensetikettering doen.
voor lichamen van lid 2 lid 6: je hoeft niet aan vermogensetikettering te doen, want alles
wat in die bv/nv zit wordt geacht ondernemingsvermogen te zijn. Alle vermogen van
vennootschappen is ondernemingsvermogen.
B Belast indien en voor zover zij een onderneming drijven,
bijvoorbeeld stichting, vereniging, kerkgenootschap
• Art 2, lid 1, e en art. 2, lid 8
Art. 2 lid 8 : voor zover zij een onderneming drijven.
Onderdeel e: stichtingen etc.
Bij zulke rechtspersonen moet je bij iedere vermogensbestanddeel bepalen of het
ondernemingsvermogen is of privévermogen (beleggingsvermogen bij stichting).
*Voorbeeld stichting die kringloopwinkel exploiteert
stap 1: is het een onderneming? Als dat zo is alle vermogensbestanddelen die daaraan
toe te reken zijn leiden tot voordeel uit onderneming. En alle andere
vermogensbestanddelen die dan beleggingsbestanddelen zijn geen
ondernemingsvermogen.
Verenigingen/stichtingen/kerkgenootschappen
•zijn beperkte belastingplicht: slechts belastingplichtig indien en voor zover zij een
onderneming drijven (2,1,e en 2, lid 8 Vpb, Woningwetinstellingen 2.1.d wel volledig
belast)
• Alleen ‘ondernemingsdeel’ wordt belast, eventuele beleggingen die niet tot
‘ondernemingsdeel’ behoren, blijven onbelast.
maar hoe bepalen we of die stichting die kringloop exploiteert wel of niet een
onderneming drijft? Daarvoor gaan we naar jurisprudentie:
• ‘onderneming’ in de zin van Wet IB 2001 (kenmerken?)
-activiteit duurzaam
-deelname economisch verkeer
-organisatie van kapitaal en arbeid
- beoogt winst te behalen: kan de vraag zijn bij stichting. Je kunt je afvragen beoogt
winst. De ene jaar plus de ander jaar min. Op zo een moment kan je constateren dat er
geen sprake is van ondernemer op grond van art. 2.8 IB.
Wetgever: maar dat willen we niet wat kringloop concurreert dan met vb vintage winkel.
Je krijgt dan oneerlijke concurrentie omdat dus deze kringloop lagere prijzen heeft omdat
hij geen belasting hoeft te betalen mar vintage winkel wel en daarom hogere prijzen.
• Niet voldaan aan ondernemingsdefinitie: evt. toch belastingplicht door fictie in art. 4
Wet Vpb: ‘in concurrentie treden’
* kringloopwinkel is onderneming zelfs als hij geen winsstreven heeft omdat hij in
concurrentie treedt en daarom belastingplichtig is.
Art. 5 Vbp: algemene vrijstellingen
• Dan eventueel nog wel beroep op vrijstellingen art 5 (kunnen ook voor andere lichamen
gelden) en 6
Dus stel je bent op grond van art. 4 toch belastingplichtig dan kan je op grond van art. 5
en 6 brijstelling krijgen. NIET VERWARREN MET OMZETBELASTING!
Allerbelangrijkste bepaling awb: binnen zes weken bezwaar
Week 3
Vennootschapsbelasting (Vbp) en divendbelasting
In werkelijke leven gaan ook alle belastingen doornemen.
Vennootschapsbelasting bouwt voor belangrijk deel voort op Inkomstenbelasting. Wat we
vorige week hebben gedan kunnen we deze weke ook gebruiken.
Waarom nu al overstap van Ib naar VPB?
- object(wat wordt belast)?
bij winst uit onderneming object, art. 3.8 Ib: de winst en subject is natuurlijke persoon,
art. 1.1. dus BV kan nooit in IB worden belast.
In VPB is object grotendeels vergelijkbaar gedefinieerd, in de basis hetzelfde als ib.
Grootste verschil is subject: lichaam.
Ondernemer in IB en Vpb
Vorige week
IB-ondernemer: art. 3.4 IB rechtstreeks verbonden met schulden van die onderneming.
Als aandeelhouder ben je dus geen ondernemer van je bent niet rechtstreeks verbonden.
Art. 3.3 IB: geen ondernemer (niets inkleuren)
conclusie vorige week: aandeelhouder louter op grond dat hij aandeel houdt geen
ondernemer is. Wat hij wel is: volgende week.
Deze week: het lichaam dat de onderneming drijft, dus waar aandeelhouder aandelen in
heeft.
Waarom vennootschapsbelasting?
- Alleen natuurlijke personen hebben draagkracht: rechtspersonen zijn juridische
ficties, achterliggende natuurlijke personen (bv aandeelhouders NV/BV) zijn
degenen met draagkracht.
*Economische theorie: alleen mensen hebben draagkrijg, alleen natuurlijke
personen. Rechtspersonen is niks, is een juridische fictie. Rechtspersoon kan je
wel belasten, maar rechtspersoon moet dat afwentelen. Vb op aandeelhouders,
maar dat ligt meestal niet voor de hand, omdat er vaak wordt afgewenteld bij
zwakste partij en dat zijn vaak niet de aandeelhouders en vaak zijn dat
werknemers of afnemers.
Vanuit economische theorie is dit dus niet zinvol.
- Waarom dan niet alleen een inkomstenbelasting en belastingheffing op moment dat
NV/BV winst uitkeert aan natuurlijk persoon/aandelen verkoopt?
*Dan zou je kunnen zeggen kunnen we niet volstaan met inkomstenbelasting en
dan heeft wanneer vb werknemer loon krijgt of aandeelhouder dv krijgt. Dit
gedaan tot wo2. Duisters zagen dat dit weinig oplevert, zij hebben toen stelsel
omgegooid. Dat is dus het probleem als je alleen inkomstenbelasting heeft dan
weetje een ding zeker dat mensen het geld niet gaat uitkeren en in de laten ze dat
geld onbelast in de vennootschap zitten.
- Voorkomen belastingontwijking: iedereen in de BV, winst belastingvrij, pas belast
met inkomstenbelasting als wordt uitgekeerd of natuurlijk persoon aandelen
verkoopt.
*Dus om belastingontwijking te voorkomen, is de gedachten ontstaan dat je
vennootschapsbelasting moet heffen. Die kun je heffen zodra winst in
vennootschap wordt gemaakt.
- Fiscus kan door Vpb dus eerder (namelijk op het moment dat de winst wordt
gemaakt) heffen → hulpfunctie ten opzichte van inkomstenbelasting
* De rechtsgrond van vbp is in feiten ene hulp belasting voor IB. om te voorkomen
dat belastingheffing eindeloos wordt uitgesteld.
, - Structuur van de Wet Vpb 1969:
de belangrijkste hoofdstukken
- Hfdst. I, art 1-6b :Subjectieve belastingplicht (wie)
- Hfdst. II, art 7-16 :Object van heffing bij binnenlandse belastingplichtigen (wat)
Als je bladert door h2 heel veel artikelen, vb 8a-8g. Object is wat complexer. Bij
bestuderen van vbp vasthouden aan hc en og. Vasthouden aan hoofdlijnen.
- Hfdst. III, art 17-19: Object van heffing bij buitenlandse belastingplichtigen (wat)
- Hfdst. IV, art 20-21a Verliesverrekening
- Hfdst. V, art 22-23b Tarief (hoeveel)
- Hfdst. VI, art. 24-27 Wijze van heffing (hoe)aangifte/aangifte belasting: art. 24 lid 1
Vpb belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Wie moet de belastingschuld
materialiseren (bepalen)? De inspecteur stelt belastingschuld vast. Als je
belastingplichtige bent doe je dus aangifte maar die aangifte is dus hulpmiddel om
belastingschuld vast te stellen. Als inspecteur later denkt oh moest hoger zijn, dan
moet hij voldoen aan voorwaarden art, 16 AWR.
Wie is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting?
• Art. 1 VPB: lichamen is subject. Maar geen civielrechtelijke term, betekent dat wetgever
zelf moet uitwerken, kijk naar lid 2. Hierbij belangrijk 1a: Duits bedrijf maar in nl
gevestigd, binnenlandse belastingplichtigen.
Artikel 2: in NL gevestigde NV’s, BV’s etc (NB: zie art 1a: omvat ook vergelijkbare naar
buitenlandsrecht opgerichte lichamen).= binnenlandse belastingplichtigen.
Artikel 3: lichamen die niet in NL zijn gevestigd, maar wel ‘Nederlands inkomen’ genieten
= buitenlandse belastingplichtigen(onder c, belangrijk!). wat is nl inkomen H3 vbp.
Bepalen binnenlands of buitenlands:
Als iets voor heel veel belastingen relevant is dan is het geregeld in AWR.
• Art 4 AWR: naar omstandigheden beoordeeld. Dit is een hele feitelijke toets.
fiscaal gezien willen we weten waar zit je gezien, waar ga je naar de tandarts. Waar is dus
het centrum van jouw sociale belangen. Stel he hele familie woont in rdam hier ga je naar
tandarts en hebt een villa in België. Dus dan woon je gwn in Nederland.
Zelfde geldt voor bedrijf. Bij bedrijf ga je kijken waar de managementbeslissingen
genomen? Waar wordt dat bedrijf geleidt/gevoerd? Belastingdienst gaat kijken of er ook
op die plek beslissingen nemen of enkel documenten teken.
• Art 2, lid 5 VPB: opgericht naar Nederlands recht in beginsel geacht in Nederland te zijn
gevestigd. Echter: belastingverdragen wijzen woonplaats meestal toe obv feitelijke
vestigingsplaats (week 5)
Maar als jij gebruik maakt van Nederlands civiele recht, dat wil zeggen als jij als
vennootschap bent opgericht naar nl recht. Dan maakt het niet uit waar je feitelijk bent
gevestigd en dan mogen we je sws belasten.
Binnenlands belastingplichtigen
Onderscheid:
A Belast ongeacht hun activiteiten,
bijvoorbeeld BV en NV
• art. 2, lid 6: 2.1.a, 2.1.b, 2.1.c, 2.1.d, 2.1.h, 2.3
Art. 2 lid 6: die lichamen worden geacht huh onderneming te drijven met behulp van hun
, gehele vermogen. En dit is dus heel belangrijk.
vorige week:
ib ondernemer: is ondernemer en privépersoon en van ieder vermogensbestanddeel
moet je bepalen of het ondernemingsvermogen, zo ja voordelen daaruit winst art. 3.8 IB
is of privévermogen, zo ja dan zijn voordelen daaruit gwn privé net relevant. Bij zo een
natuurlijke persoon moest je dus vermogensetikettering doen.
voor lichamen van lid 2 lid 6: je hoeft niet aan vermogensetikettering te doen, want alles
wat in die bv/nv zit wordt geacht ondernemingsvermogen te zijn. Alle vermogen van
vennootschappen is ondernemingsvermogen.
B Belast indien en voor zover zij een onderneming drijven,
bijvoorbeeld stichting, vereniging, kerkgenootschap
• Art 2, lid 1, e en art. 2, lid 8
Art. 2 lid 8 : voor zover zij een onderneming drijven.
Onderdeel e: stichtingen etc.
Bij zulke rechtspersonen moet je bij iedere vermogensbestanddeel bepalen of het
ondernemingsvermogen is of privévermogen (beleggingsvermogen bij stichting).
*Voorbeeld stichting die kringloopwinkel exploiteert
stap 1: is het een onderneming? Als dat zo is alle vermogensbestanddelen die daaraan
toe te reken zijn leiden tot voordeel uit onderneming. En alle andere
vermogensbestanddelen die dan beleggingsbestanddelen zijn geen
ondernemingsvermogen.
Verenigingen/stichtingen/kerkgenootschappen
•zijn beperkte belastingplicht: slechts belastingplichtig indien en voor zover zij een
onderneming drijven (2,1,e en 2, lid 8 Vpb, Woningwetinstellingen 2.1.d wel volledig
belast)
• Alleen ‘ondernemingsdeel’ wordt belast, eventuele beleggingen die niet tot
‘ondernemingsdeel’ behoren, blijven onbelast.
maar hoe bepalen we of die stichting die kringloop exploiteert wel of niet een
onderneming drijft? Daarvoor gaan we naar jurisprudentie:
• ‘onderneming’ in de zin van Wet IB 2001 (kenmerken?)
-activiteit duurzaam
-deelname economisch verkeer
-organisatie van kapitaal en arbeid
- beoogt winst te behalen: kan de vraag zijn bij stichting. Je kunt je afvragen beoogt
winst. De ene jaar plus de ander jaar min. Op zo een moment kan je constateren dat er
geen sprake is van ondernemer op grond van art. 2.8 IB.
Wetgever: maar dat willen we niet wat kringloop concurreert dan met vb vintage winkel.
Je krijgt dan oneerlijke concurrentie omdat dus deze kringloop lagere prijzen heeft omdat
hij geen belasting hoeft te betalen mar vintage winkel wel en daarom hogere prijzen.
• Niet voldaan aan ondernemingsdefinitie: evt. toch belastingplicht door fictie in art. 4
Wet Vpb: ‘in concurrentie treden’
* kringloopwinkel is onderneming zelfs als hij geen winsstreven heeft omdat hij in
concurrentie treedt en daarom belastingplichtig is.
Art. 5 Vbp: algemene vrijstellingen
• Dan eventueel nog wel beroep op vrijstellingen art 5 (kunnen ook voor andere lichamen
gelden) en 6
Dus stel je bent op grond van art. 4 toch belastingplichtig dan kan je op grond van art. 5
en 6 brijstelling krijgen. NIET VERWARREN MET OMZETBELASTING!