College 1. Literatuur (nog geen basiscollege)
Boek hfdst. 1
Onderzoekers worden vergeleken met een
leeuw, waarbij het lichaam en de kop beide van
een leeuw zijn maar anders. Deze vergelijking
komt door twee soorten onderzoekers die
onderzoek doen naar peer interacties: sociaal
ontwikkelingspsychologen (zij zijn benieuwd
naar peer-relaties onder normale sociale
ontwikkeling) en klinisch georiënteerde
psychologen hoe ervaringen met peers effect
hebben op psychopathologie).
Technieken die gebruikt werden om normale ontwikkeling te onderzoeken kunnen voor twee andere
doeleinden gebruikt worden:
1. Verklaren van de onderliggende factoren in kindertijd en adolescentie psychopathologie.
2. Je kan deze concepten en processen gebruiken in preventies
Peer relaties zijn vrijblijvend en kies je zelf, ze zijn daarin anders dan de relaties die je hebt met
familie. Deze relaties zijn horizontaal (participanten hebben beide power, geen van de twee heeft
autoriteit ofzo)
Drie categorieën waar onderzoek naar peer interacties in kunnen vallen:
- Features => wat doen Peers met elkaar? Wat brengen peers met hen mee in de relatie? Hoe
denk je over je peers?
Onderzoek door Monroe, interviews met kinderen om te vragen wat zij nodig vinden in een
beste vriend. Antwoorden waren breed: zelfde leeftijd, geslacht, gedrag mentale en sociale
competentie etc.
Drie soorten features die de aandacht pakken:
1. Persoonlijke oriëntatie (van gedrag) => moving toward others (efforts om anderen erbij te
betrekken, factoren om groepscohesie te bevorderen etc) , moving against others (harm,
conflicten en agressie), or moving away from others (avoidence, interacties worden
geminimaliseerd). De laatste twee worden het meest onderzocht door: agressie en
terugtrekken zijn standaard, het zijn basis aspecten van onderzoek. Deze zijn vooral
interessant voor de clinici in het onderzoeksveld. Onderzoek naar agressie etc worden
vaak door de overheid gesupport door geld.
2. Structural properties. Onderzoek van Monroe naar wie wordt het aardigst gevonden en
wie het minst aardig. Ook hoeveel links heeft elk kind. Dit soort onderzoek neemt steeds
meer toe door ontwikkelingen in software.
3. Sociale complexiteit. Drie-level model:
1. Individu
2. Een duo
3. De groep
Dit model past weer in een zes-level model:
1. Onderliggende biologische en psychologische processen
, 2. Karakter van individu
3. Interpersoonlijke interacties
4. Vormen, features en kwalitatieve aspecten van relaties
5. Sociale groepen, waarbinnen elk individu interpersoonlijke relaties heeft.
6. Maatschappij en cultuur.
Het level van individu staat voor de doelen, karakteristieken en ontwikkelingen die kinderen
meenemen in interacties/relaties.
Relaties: geïnternaliseerde representaties en verwachtingen die leden van duo van elkaar en hun
interacties hebben. Relaties komen voort uit individuele kenmerken en uit kwaliteit van ervaringen
met interpersoonlijke interacties. Veiligheid en intimiteit zijn belangrijke kenmerken van relaties.
Relaties zitten in groepen, groepen zijn een netwerk van relaties. Vaak hebben groepen ook
ongeschreven regels en normen en waarden.
Culturele variaties kunnen op twee manieren onderzocht worden: de vormen en functies van relaties
op verschillende plekken zoals culturen (collectivistisch en individualistisch) of in miniatuur contexten
(zoals een klas)
Acceptatie: de mate waarin welk kind als aardig gevonden wordt.
Theorieën: moeten dynamieken en processen op elk level kunnen verklaren.
Methoden: de mate waarin er waarde aan een bepaalde index ligt.
- Effecten => de associaties tussen de verschillende features. Wat zijn de consequenties van
ervaringen met peers?
Twee soorten manieren om ernaar te kijken: de redenen en gevolgen van individuele
verschillen in kind peer relaties. Of door naar leeftijdsgebonden te kijken naar verschillen.
Hoe veranderen features over tijd? En welke factoren zorgen voor deze veranderingen?
Toch wordt leeftijdsgebonden veranderingen minder interessant gevonden, waarom?
1. Alleen de sociaal ontwikkelingspsychologen vinden dit interessant.
2. Het is moeilijk om geld te krijgen van supporters voor dit onderzoek, deze vinden leeftijd
niet breed genoeg.
3. Leeftijdsgebonden veranderingen lijken miss wel universele veranderingen te zijn en dat
is een heel groot onderzoek om aan te pakken. Onderzoekers vinden het te veel werk.
- Processen => de onderliggende mechanismes die de effecten verklaren. Verklaren hoe de
systemen van peers variabelen tot verschillende uitkomsten leiden.
Er zijn drie soorten theorieën die hier ten grondslag liggen:
1. Gedrag-oriënterende modellen van ontwikkeling
2. Constructivisten of organistische modellen.
3. Ethologische modellen => sociaal gedrag wordt beïnvloed door evolutie.
Zijn ideeën over algemene ontwikkeling en over peer interacties specifiek.
Twee veronderstellingen:
- de aard van interacties/uitwisselingen tussen kinderen worden gezien in vormen van
bekrachtigen die kinderen gebruiken om elkaar te straffen en te belonen voor verschillend
gedrag.
- Peers beïnvloeden/maken elkaar door straffen en doordat je geneigd bent anderen te imiteren.
De relaties van peers is gelijk aan elkaar.
Piaget geloofd dat interacties met peers een kans geven voor kinderen om tegenstrijdige ideeën uit te
proberen. Ook leer je de statussen waarin mensen zich kunnen begeven.
,Vygotsky geloofd dat kinderen leren door interacties met elkaar, ze leren hoe je problemen oplost die
niet alleen opgelost kunnen worden.
Onderzoekers (Sullivan’s) vindt een belangrijk aspect van vriendschappen is validatie. Hoe je je zelf
ziet wordt weerspiegeld in je vriendschappen.
Vijf wegen die in de toekomst bewandeld kunnen worden in onderzoek naar peer interacties:
1. De complexiteit van onze analyse moet verminderd worden.
2. Onderzoek naar contextuele variaties moeten specifieker zijn. niet alleen kijken naar
diversiteiten maar ook naar verschillende locaties op de werelds etc.
3. Er moet gekeken worden naar de relaties tussen de relaties.
4. Er moet een plek komen voor peer onderzoek in het psychologie en neurowetenschappen.
5. Peer onderzoek ka grondiger en systematischer bij het beoordelen zodat je begrijpt wat echt
belangrijk is.
Dyades: een tweetal
Predispositie: een erfelijke aanleg om bepaalde ziekte of aandoening te krijgen. Die aanleg komt
voort uit variaties in genen die van je ouders zijn geërfd.
Dispositie: de huidige toestand van het lichaam of systeem, beïnvloed door genetica én andere
factoren. De neiging van het lichaam.
Basiscollege 1, sociometrische perspectieven (hc 2)
Centrale thema’s:
Sociometrische status:
Individuele perspectief => stabiel kenmerk van een individu
Sociaal perspectief => reactie van groep op een individu
Beiden => combi van individuele kenmerken en groepsprocessen.
Ook vanuit ontwikkelingsperspectief:
Beginfase => gedrag dat wordt laten zien, daardoor krijg je een status.
Latere fase => status die je hebt, hierdoor ben je geneigd om je hiernaar te gedragen om je
reputatie te behouden. Wordt een cyclus waarbij het lastig wordt om te kijken of gedrag er
eerst was of eerst de status.
Theoretische overwegingen:
Moreno (1934) in groepen kan je individuen onderscheiden. => acceptatie en afwijzing, zijn
twee domeinen waarin je mensen kan indelen.
Sociale competentie => acceptatie is indicatie van sociale competentie. Afwijzing is ook
indicatie van sociale competentie. Je kan afwijzen, of je wordt afgewezen.
Groepsdynamiek => rol van individu in groep is niet statisch maar dynamisch/veranderbaar.
Niet alle groepen hebben zelfde verdeling van statussen. Je kan dus ook in verschillende
groepen, verschillende statussen hebben.
Ecologische en contextuele theorieën => context heeft invloed op gedrag van individu
(Bronfenbrenner)
Ethologische theorieën => dominantie en hiërarchie binnen een groep is er eigenlijk altijd.
Welke functie heeft dat? Welke factoren bepalen deze dominantie?
Meetmethode van sociometrische statussen:
, Basis
Acceptatie (wie vind je het leukst?)
Afwijzing (wie vind je het minst leuk?)
Sociale voorkeur (wie wordt er vaker leuker dan niet leuk gevonden?)
Sociale impact (wie wordt er zowel leuk als niet leuk gevonden worden? Hebben een grote
impact op de groep omdat ze wel heel zichtbaar zijn binnen een groep)
Sociometrische status:
Geaccepteerd => door veel mensen leuk, door weinig mensen niet leuk gevonden.
Afgewezen => door veel mensen niet leuk gevonden, door weinig mensen wel leuk gevonden
Genegeerd => niet leuk gevonden, en niet niet leuk gevonden worden
Controversiële => zowel leuk als niet leuk gevonden worden.
Gemiddeld => rond het midden, zitten niet in een apart hokje. Acceptatie en afwijzing.
Meting: referentiegroep (over welke groep gaat het?), beoordelende groep VS beoordeelde groep
(iedereen zowel over anderen beoordelen en iedereen wordt beoordeeld), sociometrische meting
waarbij kijken naar emotionele criteria en subjectieve beoordeling maar ook peer meting waarbij
objectief gemeten wordt.
1. Dataverzameling:
- nominaties door leeftijdgenoten => iedereen, iedereen beoordelen.
- paarsgewijs vergelijken => is A leuker dan B?
Ethiek: miss breng je iets te weeg zonder dat je dat graag wilt, kinderen worden onzeker.
2. Kwantificeren:
Ruwe scores zijn niet bruikbaar. Hangt af van groepsgrote etc.
Gestandaardiseerde scores worden gemaakt, jouw score vergelijken met score van groep.
Kans scores
Proportie scores.
3. Classificeren:
Dimensies (continue) acceptatie en afwijzing => voor onderzoek
Types (categorisch) op basis van die twee => in de praktijk zoals in een klas
Combi van beste benadering
Uitkomsten van onderzoek:
Moreno (basis voor sociometrie)
Peery (1979) vier statussen: populair (impact + voorkeur +), aardig (impact – voorkeur +) ,
geïsoleerd (impact – en voorkeur -) en afgewezen (impact + voorkeur -)
Coi et al en Newcomb & bukowski (1983) welke drie mensen in de klas vind jij het aardigst of
zijn jouw beste vrienden. Vijf statussen: populair, aardig, geïsoleerd, afgewezen en gemiddeld
Cillessen en Mayeus (2004) populariteit niet alleen positief maar hangt ook samen met
agressie en asociaal gedrag. Hebben veel impact.
Conclusie: sociometrie is handig om kinderen in groepen te classificeren en een overzicht te krijgen
hoe een groep in elkaar zit. Methode is verfijnder geworden. Combi van continue en categorische
benadering.