Oefententamen Inleiding strafrecht 23-24
Vraag 1
Op een ochtend fietst Sebastian met zijn elektrische bakfiets door de natte sneeuw dwars door de
Leidse binnenstad. Opeens wordt zijn aandacht gevestigd op een auto. Op het gecondenseerde
rechterachterraam staat in spiegelbeeld ‘HELP’ geschreven. Sebastian vertrouwt het niet, stopt en
kijkt door het raam. Hij ziet op de achterbank een kind zitten, met blauwe lippen van de kou. Hij
opent het portier, dat niet op slot zit, trekt het bewusteloze kind uit de auto, plaatst hem in zijn
bakfiets en rijdt zo snel als hij kan naar het ziekenhuis alwaar het kind met succes tegen onderkoeling
wordt behandeld.
Een aantal maanden later wacht Sebastian een onaangename verrassing. De vader van het kind blijkt
aangifte te hebben gedaan van het in artikel 279 lid 1 Sr strafbaar gestelde. De officier van justitie
heeft besloten Sebastian te vervolgen. Bij de rechter verklaart Sebastian dat hij heel teleurgesteld is in
deze gang van zaken. Hij verklaart dat hij enorm bezorgd was over de gezondheid van het kind en dat
hij dacht dat het meenemen ervan naar het ziekenhuis voor het kind het beste zou zijn.
Hoe is het verweer van Sebastian het best te omschrijven?
a. Sebastian stelt dat de gedraging hem niet verweten kan worden.
b. Sebastian stelt dat er geen sprake is van culpa.
c. Sebastian stelt dat hij geen opzet had op het meenemen van het kind.
d. Sebastian stelt dat hij niet wederrechtelijk heeft gehandeld.
Vraag 2
Welke stelling over art. 173 lid 1 Sr is juist?
a. Art. 173 lid 1 Sr is een culpoos delict, waarbij wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid
bestanddelen zijn.
b. Art. 173 lid 1 Sr is een culpoos delict, waarbij wederrechtelijkheid een bestanddeel is en
verwijtbaarheid een element.
c. Art. 173 lid 1 Sr is een doleus delict, waarbij wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid
bestanddelen zijn.
d. Art. 173 lid 1 Sr is een doleus delict, waarbij wederrechtelijkheid een bestanddeel is en
verwijtbaarheid een element.
Vraag 3
Welke stelling is niet juist?
a. Artikel 41 lid 1 onderdeel b Wegenverkeerswet 1994 is een overtreding.
b. Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 is een misdrijf.
c. Artikel 72 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 is een overtreding.
d. Artikel 74 Wegenverkeerswet 1994 is een misdrijf.
Vraag 4
Welke stelling is juist?
a. Artikel 138c lid 1 Sr is ten opzichte van artikel 138b lid 1 Sr een geprivilegieerd delict.
b. Artikel 138c lid 1 Sr is ten opzichte van artikel 138c lid 2 Sr een geprivilegieerd delict.
c. Artikel 138c lid 2 Sr is ten opzichte van artikel 138c lid 3 Sr een gronddelict.
d. Artikel 138c lid 3 Sr is ten opzichte van artikel 138c lid 1 Sr een gekwalificeerd delict.
© 2023. Alle rechten op de inhoud van dit document berusten bij de afdeling strafrecht van de Universiteit Leiden. Dit document is slechts bedoeld voor
1
eigen gebruik. Verspreiding of openbaarmaking van (onderdelen van) dit document is niet toegestaan.
, Vraag 5
Welke van onderstaande stellingen is juist?
a. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat de
veroordeelde dient te worden vrijgesproken.
b. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat een
staat zijn nationale wetgeving moet aanpassen.
c. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat een
staat een schadevergoeding moet toekennen aan de klager.
d. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat de
zaak opnieuw dient te worden berecht door de nationale rechter.
Vraag 6
Welke stelling met betrekking tot medeplegen is niet juist?
a. Om van medeplegen te kunnen spreken, moet altijd sprake zijn van een bewuste en nauwe
samenwerking.
b. Voor medeplegen is nodig dat iemand meer dan enkel een intellectuele bijdrage aan het
strafbare feit heeft geleverd.
c. Voor het opzet op het te plegen delict, als onderdeel van het vereiste van dubbel opzet bij
medeplegen, volstaat voorwaardelijk opzet.
d. Het is mogelijk dat twee personen een feit medeplegen, terwijl geen van hen de volledige
delictsomschrijving vervult.
Vraag 7
Welke stelling met betrekking tot poging is juist?
a. In de objectieve theorie zal er eerder sprake zijn van een begin van uitvoering dan in de
subjectieve theorie.
b. Uit het Cito-arrest volgt dat in Nederland sprake is van een volledig objectieve pogingsleer,
nu het gaat om de gedraging en niet om het voornemen van de verdachte.
c. Uit het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm volgt dat het begin van uitvoering van
buitenaf zichtbaar moet zijn.
d. Voor het aannemen van poging in het Cito-arrest was van belang dat de verdachten bij het
uitzendbureau hadden aangebeld.
Vraag 8
Ties heeft een conflict met Lorenzo en Bart over het terugbetalen van geld. Op 8 januari 2023
ontmoeten de drie heren elkaar in het Kralingse Bos om, zo is Ties voorgehouden, ‘het uit te praten’.
Lorenzo en Bart lopen in stevige pas op Ties af. Op het moment dat de twee heren vlak voor Ties
staan klapt Lorenzo zijn mes uit en zegt op verhitte toon: “dit is je laatste kans, morgen willen we het
geld hebben!” Geschrokken rent Ties naar zijn auto. Onderweg naar de bank om het geld te pinnen
merkt Ties op dat hij wordt achtervolgd door Bart en Lorenzo. Ties trapt in paniek op de rem, pakt
een vuurwapen uit het handschoenenkastje en schiet op de scooter waarop Bart en Lorenzo zitten. Een
kogel raakt Lorenzo waardoor bij hem letsel ontstaat. Ties wordt vervolgd voor poging tot doodslag
van Lorenzo. Welke stelling is juist?
a. Ties kan een geslaagd beroep doen op noodweer.
b. Ties kan een geslaagd beroep doen op noodweerexces.
c. Ties kan een geslaagd beroep doen op psychische overmacht.
d. Ties kan op geen van bovenstaande strafuitsluitingsgronden een geslaagd beroep doen.
© 2023. Alle rechten op de inhoud van dit document berusten bij de afdeling strafrecht van de Universiteit Leiden. Dit document is slechts bedoeld voor
2
eigen gebruik. Verspreiding of openbaarmaking van (onderdelen van) dit document is niet toegestaan.
Vraag 1
Op een ochtend fietst Sebastian met zijn elektrische bakfiets door de natte sneeuw dwars door de
Leidse binnenstad. Opeens wordt zijn aandacht gevestigd op een auto. Op het gecondenseerde
rechterachterraam staat in spiegelbeeld ‘HELP’ geschreven. Sebastian vertrouwt het niet, stopt en
kijkt door het raam. Hij ziet op de achterbank een kind zitten, met blauwe lippen van de kou. Hij
opent het portier, dat niet op slot zit, trekt het bewusteloze kind uit de auto, plaatst hem in zijn
bakfiets en rijdt zo snel als hij kan naar het ziekenhuis alwaar het kind met succes tegen onderkoeling
wordt behandeld.
Een aantal maanden later wacht Sebastian een onaangename verrassing. De vader van het kind blijkt
aangifte te hebben gedaan van het in artikel 279 lid 1 Sr strafbaar gestelde. De officier van justitie
heeft besloten Sebastian te vervolgen. Bij de rechter verklaart Sebastian dat hij heel teleurgesteld is in
deze gang van zaken. Hij verklaart dat hij enorm bezorgd was over de gezondheid van het kind en dat
hij dacht dat het meenemen ervan naar het ziekenhuis voor het kind het beste zou zijn.
Hoe is het verweer van Sebastian het best te omschrijven?
a. Sebastian stelt dat de gedraging hem niet verweten kan worden.
b. Sebastian stelt dat er geen sprake is van culpa.
c. Sebastian stelt dat hij geen opzet had op het meenemen van het kind.
d. Sebastian stelt dat hij niet wederrechtelijk heeft gehandeld.
Vraag 2
Welke stelling over art. 173 lid 1 Sr is juist?
a. Art. 173 lid 1 Sr is een culpoos delict, waarbij wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid
bestanddelen zijn.
b. Art. 173 lid 1 Sr is een culpoos delict, waarbij wederrechtelijkheid een bestanddeel is en
verwijtbaarheid een element.
c. Art. 173 lid 1 Sr is een doleus delict, waarbij wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid
bestanddelen zijn.
d. Art. 173 lid 1 Sr is een doleus delict, waarbij wederrechtelijkheid een bestanddeel is en
verwijtbaarheid een element.
Vraag 3
Welke stelling is niet juist?
a. Artikel 41 lid 1 onderdeel b Wegenverkeerswet 1994 is een overtreding.
b. Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 is een misdrijf.
c. Artikel 72 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 is een overtreding.
d. Artikel 74 Wegenverkeerswet 1994 is een misdrijf.
Vraag 4
Welke stelling is juist?
a. Artikel 138c lid 1 Sr is ten opzichte van artikel 138b lid 1 Sr een geprivilegieerd delict.
b. Artikel 138c lid 1 Sr is ten opzichte van artikel 138c lid 2 Sr een geprivilegieerd delict.
c. Artikel 138c lid 2 Sr is ten opzichte van artikel 138c lid 3 Sr een gronddelict.
d. Artikel 138c lid 3 Sr is ten opzichte van artikel 138c lid 1 Sr een gekwalificeerd delict.
© 2023. Alle rechten op de inhoud van dit document berusten bij de afdeling strafrecht van de Universiteit Leiden. Dit document is slechts bedoeld voor
1
eigen gebruik. Verspreiding of openbaarmaking van (onderdelen van) dit document is niet toegestaan.
, Vraag 5
Welke van onderstaande stellingen is juist?
a. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat de
veroordeelde dient te worden vrijgesproken.
b. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat een
staat zijn nationale wetgeving moet aanpassen.
c. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat een
staat een schadevergoeding moet toekennen aan de klager.
d. Indien een klacht gegrond wordt verklaard door het EHRM, kan het EHRM besluiten dat de
zaak opnieuw dient te worden berecht door de nationale rechter.
Vraag 6
Welke stelling met betrekking tot medeplegen is niet juist?
a. Om van medeplegen te kunnen spreken, moet altijd sprake zijn van een bewuste en nauwe
samenwerking.
b. Voor medeplegen is nodig dat iemand meer dan enkel een intellectuele bijdrage aan het
strafbare feit heeft geleverd.
c. Voor het opzet op het te plegen delict, als onderdeel van het vereiste van dubbel opzet bij
medeplegen, volstaat voorwaardelijk opzet.
d. Het is mogelijk dat twee personen een feit medeplegen, terwijl geen van hen de volledige
delictsomschrijving vervult.
Vraag 7
Welke stelling met betrekking tot poging is juist?
a. In de objectieve theorie zal er eerder sprake zijn van een begin van uitvoering dan in de
subjectieve theorie.
b. Uit het Cito-arrest volgt dat in Nederland sprake is van een volledig objectieve pogingsleer,
nu het gaat om de gedraging en niet om het voornemen van de verdachte.
c. Uit het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm volgt dat het begin van uitvoering van
buitenaf zichtbaar moet zijn.
d. Voor het aannemen van poging in het Cito-arrest was van belang dat de verdachten bij het
uitzendbureau hadden aangebeld.
Vraag 8
Ties heeft een conflict met Lorenzo en Bart over het terugbetalen van geld. Op 8 januari 2023
ontmoeten de drie heren elkaar in het Kralingse Bos om, zo is Ties voorgehouden, ‘het uit te praten’.
Lorenzo en Bart lopen in stevige pas op Ties af. Op het moment dat de twee heren vlak voor Ties
staan klapt Lorenzo zijn mes uit en zegt op verhitte toon: “dit is je laatste kans, morgen willen we het
geld hebben!” Geschrokken rent Ties naar zijn auto. Onderweg naar de bank om het geld te pinnen
merkt Ties op dat hij wordt achtervolgd door Bart en Lorenzo. Ties trapt in paniek op de rem, pakt
een vuurwapen uit het handschoenenkastje en schiet op de scooter waarop Bart en Lorenzo zitten. Een
kogel raakt Lorenzo waardoor bij hem letsel ontstaat. Ties wordt vervolgd voor poging tot doodslag
van Lorenzo. Welke stelling is juist?
a. Ties kan een geslaagd beroep doen op noodweer.
b. Ties kan een geslaagd beroep doen op noodweerexces.
c. Ties kan een geslaagd beroep doen op psychische overmacht.
d. Ties kan op geen van bovenstaande strafuitsluitingsgronden een geslaagd beroep doen.
© 2023. Alle rechten op de inhoud van dit document berusten bij de afdeling strafrecht van de Universiteit Leiden. Dit document is slechts bedoeld voor
2
eigen gebruik. Verspreiding of openbaarmaking van (onderdelen van) dit document is niet toegestaan.