Voorbereiding BC 3.1 Ziekteverwekkers en afweer
Samenvatting
Inleiding
De pathogeniteit van een micro-organisme is het ziekteverwekkende vermogen:
hoe pakt de bacterie het aan? Dat hangt af van de manier waarop het micro-
organisme zich vasthecht aan het weefsel, hoe het zich verspreidt, hoe het zich
verborgen houdt voor de afweer, etc. De term virulentie geeft aan dat het ene
micro-organisme met veel meer overtuiging aanval dan een ander. Een bacterie
die van de 100 besmette personen er 20 ziek maakt is virulenter dan een
bacterie die 2 van de 100 besmette personen ziek maakt.
Besmetting en infectie
Besmetting = contaminatie
Als de optelsom van hoeveelheid micro-organismen en hun virulentie groter is
dan de weerstand, gaan de micro-organismen zich vermenigvuldigen in of op het
lichaam. Dat is een infectie.
Sommige micro-organismen zijn altijd pathogeen. Andere micro-organismen
nemen normaal genoeg met een bescheiden plekje ergens op een slijmvlies,
maar kunnen ineens toeslaan als ze daartoe kans krijgen, bv bij gedaalde
weerstand. Dit zijn de opportunistische infecties. Als bij een virus-infectie, zoals
griep, het al aangetaste slijmvlies ook nog eens geïnfecteerd wordt door een
bacterie, spreekt men van een bacteriële superinfectie. Soms is er sprake van
infecties door een mengeling van verschillende bacteriën, bijvoorbeeld bij
ernstige stomatitis of bij zogenaamde spuitabcessen bij drugsgebruikers. Ze
worden menginfecties genoemd. Wanneer infectie door een insect zoals een mug
voorkomt noem je dit de vector.
Bacterien
Eencellige levensvormen met een eigen stofwisseling die zich vermenigvuldigen
door celdeling. Vaak klonteren ze samen in groepjes. Hierbij kunnen ze DNA
uitwisselen en zo elkaars eigenschappen veranderen.
Sommige bacteriesoorten gaan over in sporen als de omstandigheden te zwaar
worden om te overleven. Ze nemen een andere vorm aan en worden bestand
tegen warmte, kou en uitdroging. De tetanusbacil is daar een voorbeeld van.
Straatvuil bevat tetanussporen, deze worden actief in diepe, slecht verzorgende
wonden. Bacterieen kan je alleen onder de microscoop zien, na een kleuring.
Zonder kleuring vallen ze niet op. Aan de hand van vorm en kleuring
onderscheidt men diverse soorten. Bolvormige bacteriën worden kokken
genoemd. Sommige kokken liggen 2 aan 2 en hete diplokokken. Een voorbeeld is
de meningokok, die meningitis veroorzaakt. Streptokokken groeien in rijtjes.
Verwekkers van wondroos o.a. groeien in trosjes de stafylokokken. Staafvormige
bacteriën worden vaak bacillen genoemd zoals TBC en de verwekkers van tyfus
en salmonella Andere vormen zijn kommavormige of vibriones, zoals cholera en
spiraalvormige (spirocheten) zoals de verwekker van de ziekte van weil
(overdraagbaar via honden). Spirocheten boren zich met gemak door de intacte
huid of slijmvliezen heen. Daardoor is een snelle besmetting mogelijk met bv
syfilis.
Van de keuringstechnieken is die van Gram wel de bekendste. Gram-positieve
bacteriën houden de violetkleurig vast, gram-negatieve niet. Een andere
kleuringstechniek is die van Ziehl-Neelsen, waarmee de tuberkelbacil rood kleurt.
,Aerobe bacteriën hebben zuurstof nodig voor stofwisseling. Dan kunnen ze zich
verspreiden. Anaerobe bacteriën leven in wonden met dood weefsel zonder
zuurstof bv de tetanusbacil. Deze verspreid gifstoffen die onbehandeld fatale
spierkrampen veroorzaken. Ook andere bacteriën kunnen toxines produceren.
Daarmee kunnen ze weefsel verteren, zenuwen verlammen en koorts
veroorzaken. Toxinen kunnen ook een afweerreactie oproepen, apart van de
antigenen van de bacterie zelf.
Virussen
Virussen zijn voor hun vermenigvuldiging afhankelijk van levende cellen. Ze
hebben geen eigen stofwisseling en laten zich door de geïnfecteerde cel kopiëren
tot deze eraan kapot gaat. Een virus bestaan uit een eiwitomhulsel met daarin
erfelijkheidsmateriaal, DNA of RNA. Nadat het virus contact heeft gemaakt met
de gastheercel, gaat het de cel in en laat zijn DNA of RNA los in de cel. Het virale
erfelijkheidsmateriaal nestelt zich vervolgens tussen dat van de gastheercel. De
cel begint braaf virussen te maken, te kopiëren, met eiwitmantel en al, alsof het
onderdelen van de cel zelf zijn. Vervolgens verlaten de nieuwe virussen massaal
de gastheercel en laten hem stervend achter. Dat proces is bij het ene virus na
een paar uur voorbij zoals bv een verkoudheid, andere virussen gaan er veel
langer mee door, zoals hep-B en HIV. Virussen zijn onder een speciale, zeer
sterke microscoop te zien. Sommige virussen blijven het hele leven sluimerend in
het lichaam aanwezig. Ze steken af en toe de kop op bij verminderde weerstand.
Koortsblaasjes zijn daar een voorbeeld van. Omdat virussen kunnen rommelen in
het erfelijkheidsmateriaal van de gastheercel, zijn ze verdacht. Ze kunnen DNA
veranderen en zo auto-immuunziekten uitlokken. Andere virussen zoals hep-B,
lokken op den duur kanker uit.
Schimmels en gisten
Draden zijn hyfen. Ze groeien uit in draden, waarbij gisten veelal uit 1 type cellen
bestaan, terwijl schimmeldraden meer celtypen bevatten. Candida-infecties zijn
typische voorbeelden van een opportunistische infectie.
Wormen, insecten en spinnen
, Worminfecties in NL worden bij kinderen vooral veroorzaakt door oxyuren
(aarsmaden). Bij volwassenen worden een enkele keer nog wel eens spoel- en
lintwormen aangetroffen. Trichinose is een worminfectie als gevolg van het
nuttigen van onvoldoende verhit geïmporteerd vlees van wilde zwijnen. Het uit
zich als soort voedselvergiftiging mar kan veel spierpijn veroorzaken, bloedinkjes
in de ogen en onder de nagels. Het kan ernstige complicaties opleveren.
Trichinose is een meldplichtige ziekte! De vossenlintworm (Echinococcis) leeft in
de darmen van vossen, in heel EU en kan bv via eten van slachtgewassen
bramen en andere bosvruchten een mens infecteren. Na infectie huisvest de
vorm zich met vocht gevulde blazen, cysten, in de lever. Onbehandeld is de
sterfte hoog. Scabies behoort tot de spinachtigen.
Prionziekten
Er bestaan eiwitten die zich besmettelijk gedragen. Deze infectieuze eiwitten
heten prionen. Besmetting gaat onder andere via het nuttigen van dierlijk
materiaal, waarin zenuwweefsel en mogelijk bloed of beenmerg verwerkt is. De
eerste bekende voorbeelden van dit soort ziekten waren zeldzame zenuwziekten
bij verschillende diersoorten (scrapie bij schapen, BSE (boviene spongiforme
encefalopathie) bij runderen). Ook traden zeer zeldzame hersenziekten bij
mensen op zoals kuru bij een volksstam die aan kannibalisme deed en een
daarop lijkende ziekte bij een patiënt na een hoornvliestransplantatie. Prionen
wijken zo af in structuur dat geen enkel enzym ze kan afbreken. Zenuwcellen die
met deze eiwitten opgescheept zitten, gaan dood. Deze eiwitten verspreiden
zich, want ze lokken bij andere eiwitten in de buurt dezelfde rare structuur uit.
Uiteindelijk gaat het hersenweefsel er onder de micro-scoop uitzien als een
spons.
Epidemische ziekten
A-ziekten: Isoleermaatregelen, polio en SARSB-ziekten: Isoleermaatregelen,
cholera, difterie, TBC en hepatitis. C-ziekten: malaria, ziekte van Weil en andere.
Diagnostiek
Soms zijn bacteriën na kleuring van lichaamsmateriaal meteen onder de
microscoop te onderscheiden. Veel valer moeten ze worden gekweekt op een
speciale voedingsbodem bij lichaamstemperatuur. Virussen zijn niet te zien onder
een normale microscoop en alleen te kweken op levende cellen. Dat duurt te
lang. Soms is er geen fatsoenlijk materiaal te bemachtigen voor een kweek. Om
dan toch een diagnose te kunnen stellen, zoekt men naar antilichamen en als dat
bij een aandoening van toepassing is, naar antigenen in het serum. Dat heet
serologisch onderzoek.
Granulocyten
De witte bloedcellen voor afweer komen uit het beenmerg, stromen met het
bloed rond en struinen het hele lichaam af. Ze kunnen de capillaire verlaten en
naar binnendringers toe kruipen. Ze vreten ze op, fagocytose. Ook zullen ze de
afgestorven cellen opruimen. Ook macrofagen in de huid, darmwand en
luchtwegen zijn letterlijk veelvraten. Na het fagocyteren van de bacteriën
vervoeren ze de brokstukken ervan via de lymfe naar lymfeklieren. Daar wordt
het materiaal aan nadere inspectie onderworpen en zo nodig volgt er een
immuunrespons. Huid, slijmvliezen, commensalen bacteriën, macrofagen en
granulocyten vormen samen de niet-specifieke afweer. De granulocyten worden
daarbij geholpen door eiwitten in het plasma, die samen het complementsysteem
worden genoemd.