Zelfstudie 4
Wat zijn de plaats en de functie van de vier
hartkleppen?
De tricuspidalisklep is een atrioventriculaire klep
tussen het rechter atrium en het rechter ventrikel. Bij
de auscultatie luister je naar de tricuspidalisklep op de
4e intercostale ruimte, links van het sterum. De
pulmonalisklep is een semilunaire klep tussen het
rechter atrium en de arteria pulmonalis. Bij de
auscultatie luister je naar de pulmonalisklep op de 2 e
intercostale ruimte, links van het sternum. De
mitralisklep is de atrioventriculaire klep tussen het linker atrium en het linker
ventrikel. Bij de auscultatie luister je naar de mitralisklep op de 5 e intercostale
ruimte, links van het sternum in de midclaviculairlijn. En als laatst de aortaklep.
Dit is ook een semilunaire klep tussen het linker ventrikel en de aorta. Bij de
auscultatie luister je naar de aortaklep op de 2 e intercostaal, rechts van het
sternum.
Benoem de verschillende harttonen en tevens de extra harttonen (derde en
vierde harttoon, ejectietoon en mitralis openingstoon). Verklaar waarom ze
ontstaan en teken waar ze in de hartcyclus voorkomen.
Normaal gesproken hoor je 2 harttonen; S1 en S2. S1 (“lub”) is de eerste harttoon
en wordt veroorzaakt door het sluiten van de mitralis en de tricuspidalisklep aan
het begin van de systole. Op het ECG zou deze net na het QRS complex klinken.
S2 (“dub”) is de tweede harttoon en wordt veroorzaakt door het sluiten van de
aorta en pulmonalisklep aan het einde van de systole. Op het ECG zou deze net
na de T-top klinken. Er kunnen ook abnormale/extra harttonen voordoen:
S3 (derde harttoon) = snelle passieve vulling van de ventrikels.
Fysiologisch bij jonge kinderen/volwassenen en pathologisch bij volume-
overload.
S4 (vierde harttoon) = actieve atriale contractie die bloed tegen een stijf
ventrikel aan duwt. Dit kan voorkomen bij diastolische disfunctie of LVH.
Ejectietoon (ejection click) = abrupt openen van een aorta of
pulmonalisklep. Dit kan voorkomen door een stenose of bicuspideklep.
Mitralis openingstoon (opening snap) = abrupt openen van een
stenostische mitralisklep.
Wat zijn de pathofysiologische veranderingen bij de verschillende
hartklepafwijkingen (mitralisklepstenose en -insufficiëntie, aortaklepstenose en -
insufficiëntie en tricuspidalisklep insufficiëntie) en de daarbij behorende
symptomen?
Stenose geeft over het algemeen drukoverbelasting. Als bijvoorbeeld de
mitralisklep vernauwd is, kan dit drukbelasting geven op het atrium. Hieruit volgt
dan hypertrofie van het weefsel waar de drukbelasting op ligt. Ook kan dit zorgen
voor backward failure. Een insufficiëntie geeft over het algemeen volume-
overbelasting. Als bijvoorbeeld de mitralisklep insufficiënt geworden is, geeft dit
volume-belasting op het linker ventrikel. Het linker ventrikel zal daarom gaan
dilateren.
,Welke oorzaken zijn er voor klepafwijkingen, voornamelijk van de mitralisklep en
aortaklep? Geef ook het mechanisme van ontstaan daarbij aan.
Reumatische koorts: kruisreactie van antilichamen die aangrijpen op de
hartweefsel.
Myxomateuze degeneratie: overmatige depositie van ECM.
Infecteuze endocarditis: vegetaties met bacteriën vestigen zich op de
hartkleppen.
SLE: auto-antistoffen activeren het endotheel van de kleppen.
Dilatatie van de annulus: wijdere ring, klepbladen kunnen elkaar niet
raken.
Afwijkingen na een hartinfarct: necrose van afgestorven hartspierweefsel.
Wat zijn de compensatiemechanismen bij klepvernauwingen en kleplekkages?
Om een klepvernauwing te compenseren, zorgt het hart voor o.a. hypertrofie van
het linker ventrikel en verhoogde contractiliteit van het myocard. Om een
kleplekkage te compenseren zal het hart sneller dilateren, het slagvolume
verhogen, neurohumorale systemen activeren en de pre- en afterload aanpassen.
Verklaar daaruit welke anatomische veranderingen er in het hart bij
mitralisklepstenose, -insufficiëntie, aortaklepstenose en -insufficiëntie optreden.
Anatomische veranderingen bij:
Mitralisstenose Mitralisinsufficiënt Aortastenose Aortainsufficiëntie
ie
o Dilatatie LA o Dilatatie LV o LVH o Dilatatie LV
o Longoedeem o Dilatatie LA-> concentrisch o Verhoogd SV
o (dilatatie RA) mogelijk AF o Lumen LV o Dilatatie LA?
kleiner
o Dilatatie LA
Geef bij de bovengenoemde hartklepafwijkingen de plaats aan in de hartcyclus
en het ‘karakter’ van de optredende geruisen.
Een geruis kan hoorbaar zijn in de systole of de diastole. Bij een geruis verwacht
je een insufficiëntie van de gesloten klep of een stenose van de open klep. Een
diastolisch geruis induceert dus een insufficiëntie van de aortaklep, of een
stenose van de mitralisklep. Andersom bij een systolisch geruis verwacht je een
insufficiëntie van de mitralisklep, of een stenose van de aortaklep.
Hoorcollege 13: Hartklepafwijkingen deel 1
Mitralisklepinsufficiëntie
De mitralisklep bestaat uit twee klepbladen: een
anterieure en een posterieure. Deze klepbladen zijn nog
onder te verdelen in verschillende klepslippen; P1, P2
en P3, met daar tegenover A1, A2 en A3. De kleppen
zijn middels de chordae tendineae verbonden met de
papillairspieren. Het openen en sluiten van de kleppen
is een passief proces en gebeurd onder invloed van de
drukverschillen.
Als de mitralisklep niet goed functioneert, wordt dit een
mitralisklepinsufficiëntie (MI) genoemd. Er is dan sprake van lekkage tijdens
de systole naar het linker atrium, waardoor het linker ventrikel overbelast wordt
met volume. Bij het opbouwen van de druk, kan de klep terug
, het atrium in schieten (= prolaps) en lekt het bloed. Het hart gaat onderdelen
aanpassen om de circulatie te onderhouden:
↑ LV slagvolume voor behoud van CO
↑ Dilatatie van LV
↑ Druk in LA en dus ook ↑ pulmonale druk door backward druk
↓ LVF en RVF
Een MI kan acuut of chronisch van aard zijn. Bij een chronische aandoening raakt
het atrium langzaam gewend aan de hogere drukken. Het atrium zal daarom
dilateren en een normale druk onderhouden, ondanks de afwijking. Als de
aandoening acuut is, heeft het atrium geen tijd om te wennen. Er ontstaat dan
een hoge druk in het atrium.
Er kunnen verschillende oorzaken voor mitralisklepinsufficiëntie zijn:
Afwijkingen aan de klepslippen
o Myxomateuze degeneratie
o Acuut reuma
o Infectieuze endocarditis
o SLE (auto-immuunziekte)
Afwijkingen aan de klepring (annulusdilatatie)
o Dilatatie linker ventrikel/atria
Afwijkingen subvalvulairapparaat
o Papillairspierinfarct
o Chrodaruptuur
o Dilatatie linker ventrikel
o Trauma
o HOCM (genetische afwijking; sterk verdikte hartspieren)
Een patiënt met een MI kan symptomen geven die passen bij hartfalen, zoals
oedeem, kortademigheid en het 's nachts moeten plassen. Omdat het hart meer
moeite moet doen, kan de patiënt vermoeid en zelfs in shock raken. De boezems
staan onder grote druk, waardoor er sneller ritmestoornissen kunnen ontstaan.
Dit kan men merken door palpaties.
Tijdens lichamelijk onderzoek bij een patiënt met MI kan je bij de auscultatie een
aantal dingen opvallen:
Holosystolische, hoogfrequent blazende souffle
Punctum maximum aan de apex, uitstraling naar de oksel
Gespleten S2 door vroegtijdige sluiting van de aortaklep.
S3 (tijdens snelle vulfase ploft het bloed de kamer in)
Mid- tot laatsystolische klik met een mid-laat systolische souffle bij een
prolaps.
Carpentier’s functionele classificatie
Type I normale klepbewegelijkheid
Type II toegenomen klepbewegelijkheid
(prolaps)
Type IIIa beperkte klepbewegelijkheid in
diastole/systole