Tentamen Onderzoeksmethoden
Hoofdstuk 1
Een inleiding op praktijkonderzoek
Fundamenteel onderzoek
Theorievorming en theorietoetsing. De kennis is generaliseerbaar.
Toegepast onderzoek
Toepassing van kennis om generieke problemen op te lossen. De kennis is probleem
gebonden.
Praktijkonderzoek
Begrijpen en verbeteren van de eigen praktijk. De kennis is probleem gebonden in
een specifieke context.
1. Fundamenteel onderzoek
Doel: Theoretische kennis vergroten, zonder directe toepassing in de praktijk.
Voorbeeld: Onderzoek naar de invloed van vroege hechtingsstijlen op de
hersenontwikkeling van kinderen. ➡ Dit onderzoek vergroot ons begrip van de
relatie tussen hechting en ontwikkeling, zonder dat het direct gericht is op een
praktische oplossing.
2. Toegepast onderzoek
Doel: Praktisch probleem oplossen met behulp van wetenschappelijke kennis.
Voorbeeld: Onderzoek naar welke opvoedingsinterventie het meest effectief is bij het
verminderen van agressief gedrag bij pubers. ➡ De kennis wordt ingezet om
praktijkproblemen aan te pakken, bijvoorbeeld in jeugdzorg of op school.
3. Praktijkonderzoek
Doel: Het eigen pedagogisch handelen verbeteren in de eigen werksituatie.
Voorbeeld: Een pedagogisch medewerker onderzoekt hoe zij beter met ouders kan
communiceren over lastig gedrag van hun kind. ➡ Ze doet dit op haar eigen
werkplek, via observaties, reflectie en feedback, vaak in cyclische stappen.
Onderzoeksbenaderingen (paradigma’s)
1. Positivistische benadering
,• Beeld van werkelijkheid: Er is één objectieve werkelijkheid die meetbaar en
controleerbaar is.
• Doel: Het ontdekken van algemene wetmatigheden en verklaringen; kennis
moet betrouwbaar en herhaalbaar zijn.
• Onderzoeksmethoden: Experimenteel, kwantitatief, statistisch.
• Rol van de onderzoeker: Objectief, afstandelijk, neutraal.
Positie in praktijkonderzoek: In zorg en welzijn betekent dit dat je met een
positivistische blik bijvoorbeeld onderzoekt of een vastgestelde interventie leidt tot
minder valincidenten bij cliënten, waarbij je zorgvuldig meet en externe invloeden
uitsluit. Zo kun je uitspraken doen die elders toepasbaar zijn.
2. Interpretatieve (of constructivistische) benadering
• Beeld van werkelijkheid: Er zijn meerdere werkelijkheden; de betekenis van
gebeurtenissen wordt sociaal en subjectief geconstrueerd.
• Doel: Begrijpen van ervaringen, betekenissen en perspectieven van mensen.
• Onderzoeksmethoden: Kwalitatief – interviews, observaties, casestudies.
• Rol van de onderzoeker: Betrokken, onderzoeker en deelnemer geven samen
betekenis.
Positie in praktijkonderzoek: In zorg en welzijn betekent dit dat je onderzoekt
hoe cliënten of medewerkers iets ervaren (bijvoorbeeld hoe een cliënt dagbesteding
beleeft), zodat je beter kunt begrijpen wat werkt voor wie en waarom. De resultaten
zijn minder generaliseerbaar, maar wel waardevol voor die specifieke context.
3. Kritisch-emancipatorische benadering
• Beeld van werkelijkheid: De werkelijkheid is beïnvloed door macht, uitsluiting
en ongelijkheid.
• Doel: Bewustwording en verandering; bijdragen aan sociale rechtvaardigheid en
empowerment.
• Onderzoeksmethoden: Participatief, actieonderzoek, cyclisch.
• Rol van de onderzoeker: Actief betrokken, werkt samen met deelnemers aan
verandering.
Positie in praktijkonderzoek: In zorg en welzijn betekent dit dat je samen met
cliënten of collega’s onderzoekt hoe bestaande ongelijkheid of onmacht doorbroken
kan worden – bijvoorbeeld door jongeren in de jeugdzorg actief te betrekken bij het
verbeteren van hun inspraak. Het onderzoek is onderdeel van een veranderproces.
Twee vormen van praktijkonderzoek
,• Kennisgericht praktijkonderzoek: praktijkonderzoek waarbij je indirect werkt
aan verbetering van je eigen beroepspraktijk door je grondig te verdiepen in een
praktijkprobleem.
• Ontwerponderzoek: praktijkonderzoek waarbij je direct werkt aan verbetering
van je eigen beroepspraktijk door je te verdiepen in een praktijkprobleem en de
oplossing om op basis daarvan doelbewust een ontwerp in te voeren en te testen.
De 6 kernactiviteiten van praktijkonderzoek
1. Oriënteren → Je verkent je praktijk, bepaalt het onderwerp en het doel van
je onderzoek. Voorbeeld: Waar loop ik in mijn werk tegenaan? Wat wil ik
verbeteren?
2. Ontwerpen → Je maakt een onderzoeksplan: wat ga je onderzoeken, hoe
en waarom? Voorbeeld: Je formuleert een hoofdvraag, deelvragen en kiest passende
methoden.
3. Verzamelen → Je haalt informatie op uit de praktijk (data) via bijvoorbeeld
observaties, interviews of vragenlijsten.
4. Analyseren en concluderen → Je onderzoekt de gegevens die je hebt
verzameld en trekt hieruit conclusies over jouw praktijkvraag.
5. Ontwerpen van een verbetering → Op basis van je conclusies bedenk je
een verandering of oplossing die jouw praktijk kan verbeteren.
6. Uitvoeren en evalueren van de verbetering → Je probeert de verbetering
uit in de praktijk en kijkt of het werkt. Je reflecteert en leert hiervan.
Belangrijk: cyclisch proces Deze stappen volgen elkaar op, maar je kunt ook
terugschakelen. Bijvoorbeeld: als een verbetering niet goed werkt, ga je opnieuw data
verzamelen of je plan bijstellen. Dit maakt praktijkonderzoek flexibel en lerend.
De 6 onderzoeksfuncties
• Definiërend onderzoek → Je brengt iets duidelijk in kaart of definieert wat
er precies aan de hand is. Voorbeeld: Wat verstaan we onder ‘werkdruk’ bij
medewerkers?
• Beschrijvend onderzoek → Je beschrijft wat er gebeurt of hoe iets is, zonder
direct te verklaren waarom. Voorbeeld: Hoe vaak komt ziekteverzuim voor in een
organisatie?
• Vergelijkend onderzoek → Je vergelijkt groepen, situaties of periodes met
elkaar. Voorbeeld: Is het ziekteverzuim hoger in team A dan in team B?
, • Evaluerend onderzoek → Je onderzoekt of een interventie, beleid of
aanpak het gewenste effect heeft gehad. Voorbeeld: Werkt het nieuwe
communicatieplan om ouders beter te informeren?
• Verklarend onderzoek → Je zoekt naar oorzaken en verbanden achter een
verschijnsel. Voorbeeld: Waarom is het ziekteverzuim in team A hoger dan in team
B?
• Ontwerp onderzoek → Je ontwikkelt een nieuwe aanpak, methode of
interventie voor een probleem. Voorbeeld: Het ontwerpen van een training om
werkdruk te verminderen.
De 3 soorten triangulatie
• Datatriangulatie → Hierbij gebruik je verschillende bronnen of tijden van
dataverzameling om hetzelfde onderwerp te onderzoeken. Voorbeeld: Je verzamelt
informatie via interviews met cliënten én observaties, of op verschillende momenten
in de tijd.
• Methodentriangulatie → Je zet verschillende onderzoeksmethoden in om
hetzelfde fenomeen te bestuderen. Voorbeeld: Je combineert kwantitatieve
vragenlijsten met kwalitatieve diepte-interviews.
• Onderzoekerstriangulatie → Meerdere onderzoekers betrekken bij het
verzamelen en/of interpreteren van data. Voorbeeld: Jij en een collega analyseren
samen de interviews om te voorkomen dat een van jullie eenzijdig kijkt.
Waarom triangulatie? Door triangulatie kun je de betrouwbaarheid en validiteit van
je onderzoek verhogen. Het helpt je om je conclusies beter te onderbouwen, omdat je
vanuit verschillende invalshoeken kijkt.
5 vormen van validiteit in praktijkonderzoek
1. Katalyserende validiteit → De mate waarin het onderzoek energie,
betrokkenheid en actie op gang brengt bij de betrokkenen. Het onderzoek moet
verandering stimuleren en mensen motiveren om in beweging te komen. Voorbeeld:
Het onderzoek inspireert het team om nieuwe werkwijzen te proberen. Richtlijnen:
• Werk aan je eigen professionele ontwikkeling.
• Werk aan collectieve ontwikkeling en/of empowerment.
2. Democratische validiteit → Of alle betrokkenen de kans krijgen om mee te
denken en mee te beslissen over het onderzoek. Het onderzoek is inclusief en
representatief voor de verschillende perspectieven in de praktijk. Voorbeeld: Cliënten
en medewerkers worden actief betrokken bij het bepalen van de
onderzoeksvragen. Richtlijnen:
Hoofdstuk 1
Een inleiding op praktijkonderzoek
Fundamenteel onderzoek
Theorievorming en theorietoetsing. De kennis is generaliseerbaar.
Toegepast onderzoek
Toepassing van kennis om generieke problemen op te lossen. De kennis is probleem
gebonden.
Praktijkonderzoek
Begrijpen en verbeteren van de eigen praktijk. De kennis is probleem gebonden in
een specifieke context.
1. Fundamenteel onderzoek
Doel: Theoretische kennis vergroten, zonder directe toepassing in de praktijk.
Voorbeeld: Onderzoek naar de invloed van vroege hechtingsstijlen op de
hersenontwikkeling van kinderen. ➡ Dit onderzoek vergroot ons begrip van de
relatie tussen hechting en ontwikkeling, zonder dat het direct gericht is op een
praktische oplossing.
2. Toegepast onderzoek
Doel: Praktisch probleem oplossen met behulp van wetenschappelijke kennis.
Voorbeeld: Onderzoek naar welke opvoedingsinterventie het meest effectief is bij het
verminderen van agressief gedrag bij pubers. ➡ De kennis wordt ingezet om
praktijkproblemen aan te pakken, bijvoorbeeld in jeugdzorg of op school.
3. Praktijkonderzoek
Doel: Het eigen pedagogisch handelen verbeteren in de eigen werksituatie.
Voorbeeld: Een pedagogisch medewerker onderzoekt hoe zij beter met ouders kan
communiceren over lastig gedrag van hun kind. ➡ Ze doet dit op haar eigen
werkplek, via observaties, reflectie en feedback, vaak in cyclische stappen.
Onderzoeksbenaderingen (paradigma’s)
1. Positivistische benadering
,• Beeld van werkelijkheid: Er is één objectieve werkelijkheid die meetbaar en
controleerbaar is.
• Doel: Het ontdekken van algemene wetmatigheden en verklaringen; kennis
moet betrouwbaar en herhaalbaar zijn.
• Onderzoeksmethoden: Experimenteel, kwantitatief, statistisch.
• Rol van de onderzoeker: Objectief, afstandelijk, neutraal.
Positie in praktijkonderzoek: In zorg en welzijn betekent dit dat je met een
positivistische blik bijvoorbeeld onderzoekt of een vastgestelde interventie leidt tot
minder valincidenten bij cliënten, waarbij je zorgvuldig meet en externe invloeden
uitsluit. Zo kun je uitspraken doen die elders toepasbaar zijn.
2. Interpretatieve (of constructivistische) benadering
• Beeld van werkelijkheid: Er zijn meerdere werkelijkheden; de betekenis van
gebeurtenissen wordt sociaal en subjectief geconstrueerd.
• Doel: Begrijpen van ervaringen, betekenissen en perspectieven van mensen.
• Onderzoeksmethoden: Kwalitatief – interviews, observaties, casestudies.
• Rol van de onderzoeker: Betrokken, onderzoeker en deelnemer geven samen
betekenis.
Positie in praktijkonderzoek: In zorg en welzijn betekent dit dat je onderzoekt
hoe cliënten of medewerkers iets ervaren (bijvoorbeeld hoe een cliënt dagbesteding
beleeft), zodat je beter kunt begrijpen wat werkt voor wie en waarom. De resultaten
zijn minder generaliseerbaar, maar wel waardevol voor die specifieke context.
3. Kritisch-emancipatorische benadering
• Beeld van werkelijkheid: De werkelijkheid is beïnvloed door macht, uitsluiting
en ongelijkheid.
• Doel: Bewustwording en verandering; bijdragen aan sociale rechtvaardigheid en
empowerment.
• Onderzoeksmethoden: Participatief, actieonderzoek, cyclisch.
• Rol van de onderzoeker: Actief betrokken, werkt samen met deelnemers aan
verandering.
Positie in praktijkonderzoek: In zorg en welzijn betekent dit dat je samen met
cliënten of collega’s onderzoekt hoe bestaande ongelijkheid of onmacht doorbroken
kan worden – bijvoorbeeld door jongeren in de jeugdzorg actief te betrekken bij het
verbeteren van hun inspraak. Het onderzoek is onderdeel van een veranderproces.
Twee vormen van praktijkonderzoek
,• Kennisgericht praktijkonderzoek: praktijkonderzoek waarbij je indirect werkt
aan verbetering van je eigen beroepspraktijk door je grondig te verdiepen in een
praktijkprobleem.
• Ontwerponderzoek: praktijkonderzoek waarbij je direct werkt aan verbetering
van je eigen beroepspraktijk door je te verdiepen in een praktijkprobleem en de
oplossing om op basis daarvan doelbewust een ontwerp in te voeren en te testen.
De 6 kernactiviteiten van praktijkonderzoek
1. Oriënteren → Je verkent je praktijk, bepaalt het onderwerp en het doel van
je onderzoek. Voorbeeld: Waar loop ik in mijn werk tegenaan? Wat wil ik
verbeteren?
2. Ontwerpen → Je maakt een onderzoeksplan: wat ga je onderzoeken, hoe
en waarom? Voorbeeld: Je formuleert een hoofdvraag, deelvragen en kiest passende
methoden.
3. Verzamelen → Je haalt informatie op uit de praktijk (data) via bijvoorbeeld
observaties, interviews of vragenlijsten.
4. Analyseren en concluderen → Je onderzoekt de gegevens die je hebt
verzameld en trekt hieruit conclusies over jouw praktijkvraag.
5. Ontwerpen van een verbetering → Op basis van je conclusies bedenk je
een verandering of oplossing die jouw praktijk kan verbeteren.
6. Uitvoeren en evalueren van de verbetering → Je probeert de verbetering
uit in de praktijk en kijkt of het werkt. Je reflecteert en leert hiervan.
Belangrijk: cyclisch proces Deze stappen volgen elkaar op, maar je kunt ook
terugschakelen. Bijvoorbeeld: als een verbetering niet goed werkt, ga je opnieuw data
verzamelen of je plan bijstellen. Dit maakt praktijkonderzoek flexibel en lerend.
De 6 onderzoeksfuncties
• Definiërend onderzoek → Je brengt iets duidelijk in kaart of definieert wat
er precies aan de hand is. Voorbeeld: Wat verstaan we onder ‘werkdruk’ bij
medewerkers?
• Beschrijvend onderzoek → Je beschrijft wat er gebeurt of hoe iets is, zonder
direct te verklaren waarom. Voorbeeld: Hoe vaak komt ziekteverzuim voor in een
organisatie?
• Vergelijkend onderzoek → Je vergelijkt groepen, situaties of periodes met
elkaar. Voorbeeld: Is het ziekteverzuim hoger in team A dan in team B?
, • Evaluerend onderzoek → Je onderzoekt of een interventie, beleid of
aanpak het gewenste effect heeft gehad. Voorbeeld: Werkt het nieuwe
communicatieplan om ouders beter te informeren?
• Verklarend onderzoek → Je zoekt naar oorzaken en verbanden achter een
verschijnsel. Voorbeeld: Waarom is het ziekteverzuim in team A hoger dan in team
B?
• Ontwerp onderzoek → Je ontwikkelt een nieuwe aanpak, methode of
interventie voor een probleem. Voorbeeld: Het ontwerpen van een training om
werkdruk te verminderen.
De 3 soorten triangulatie
• Datatriangulatie → Hierbij gebruik je verschillende bronnen of tijden van
dataverzameling om hetzelfde onderwerp te onderzoeken. Voorbeeld: Je verzamelt
informatie via interviews met cliënten én observaties, of op verschillende momenten
in de tijd.
• Methodentriangulatie → Je zet verschillende onderzoeksmethoden in om
hetzelfde fenomeen te bestuderen. Voorbeeld: Je combineert kwantitatieve
vragenlijsten met kwalitatieve diepte-interviews.
• Onderzoekerstriangulatie → Meerdere onderzoekers betrekken bij het
verzamelen en/of interpreteren van data. Voorbeeld: Jij en een collega analyseren
samen de interviews om te voorkomen dat een van jullie eenzijdig kijkt.
Waarom triangulatie? Door triangulatie kun je de betrouwbaarheid en validiteit van
je onderzoek verhogen. Het helpt je om je conclusies beter te onderbouwen, omdat je
vanuit verschillende invalshoeken kijkt.
5 vormen van validiteit in praktijkonderzoek
1. Katalyserende validiteit → De mate waarin het onderzoek energie,
betrokkenheid en actie op gang brengt bij de betrokkenen. Het onderzoek moet
verandering stimuleren en mensen motiveren om in beweging te komen. Voorbeeld:
Het onderzoek inspireert het team om nieuwe werkwijzen te proberen. Richtlijnen:
• Werk aan je eigen professionele ontwikkeling.
• Werk aan collectieve ontwikkeling en/of empowerment.
2. Democratische validiteit → Of alle betrokkenen de kans krijgen om mee te
denken en mee te beslissen over het onderzoek. Het onderzoek is inclusief en
representatief voor de verschillende perspectieven in de praktijk. Voorbeeld: Cliënten
en medewerkers worden actief betrokken bij het bepalen van de
onderzoeksvragen. Richtlijnen: