B1 Aarde, klimaat en landschap
B1.1
Zonnestelsel: De aarde en zeven planeten die rond de zon draaien. Daarnaast tientallen
manen, vele kometen en asteroïden.
Sterren
Kometen zijn relatief kleine hemellichamen die in vaak erg elliptische banen rond een ster
draaien en uit ijs, gas en stof bestaan. (‘vuile sneeuwballen’)
Asteroïden: kleine planeten, stukken rots tussen Mars en Jupiter
Planeten: grote bol van gas of steen, verlichting krijgen ze van de zon
Luchtlagen
Onderste 10 km. Het weer
Atmosfeer beschermt aarde tegen meteorieten
(brokken steen in ruimte)
Ozonlaag in stratosfeer (beschermt tegen gevaarlijke
zonnestraling)
Troposfeer: hierin speelt het weer zich af
Weer en klimaat
Weer = de toestand van de atmosfeer op een bepaalde plaats op een bepaald moment.
Klimaat = de gemiddelde toestand van het weer in een groot gebied en over een langere tijd
( minimaal 30 jaar)
Weer wordt bepaald door:
Temperatuur:
a. Plaats op aarde ( hoe dichter bij de evenaar hoe warmer)
b. Hoogte ligging ( 100 meter – 0,6 graden)
c. Dichtbij water -> land-zeeklimaat
Neerslag:
a. In de Bilt gem. 800 mm per jaar= 800 liter per m2 (80 emmers)
b. Waterkringloop
c. Hagel, ijzel, stijgingsregens
Wind
a. Westenwind in herfst over de Noordzee is warm
Waarom staat de zon eigenlijk lager in het najaar?
Dat heeft te maken met de stand van onze aarde. Onze planeet gaat per jaar één keer om de
zon heen. De aarde draait ten opzichte van de zon schuin om zijn eigen as heen.
( aardrotatie)
Dat betekent dat landen boven de evenaar in de herfst/winter minder lang zonlicht krijgen.
,Dag en nacht
De aarde is een bol.
Zonnestralen verlichten de helft.
Op evenaar 12 uur ( wel of geen) zonlicht.
De aardas = de denkbeeldige lijn van Noordpool naar Zuidpool
Vanwege schuine aardas: in noorden in zomer lange dagen.
Bij Noordpoolcirkel in zomer 24 uur licht
De aarde draait in 365 dagen om de zon
De aarde staat het dichtst bij de zon in
januari en het verst van de zon af in juli
Seizoenen
Ontstaan door:
Baan om de zon ( aardbaan) ( aarde heeft
steeds andere positie ten opzichte van de
zon)
Schuine stand van de aardas
B1.2, B1.3
Moessons
Passaatwinden bij de evenaar
Vooral in Afrika, Azië en Indonesië
Bij evenaar stijgt lucht hoog door hitte
Daardoor lage luchtdruk ( intertropische
convergentiezone)
Niet altijd op zelfde plaats vanwege
verschuiving zonnestand
Stuwingsregens aan de loefzijde van de
berg
Lijzijde droger en vaak warmer
2/3 deel van de aarde is water
Loefzijde gaat de lucht omhoog
Lijzijde gaat de lucht omlaag
Klimaatvormen
Op de aarde zijn klimaatzones
We gebruiken de indeling van Köppen:
A. Het tropisch regenklimaat
B. Het droog klimaat
C. Het zeeklimaat ( maritiem klimaat)
D. Het landklimaat ( continentaal klimaat )
E. Het poolklimaat
, Tropisch regenwoudklimaat
Heel warm, heel nat, veel planten
Etagebouw: bomen van verschillende lengte
Er zijn geen seizoenen
Afgevallen bladeren zorgen voor voedingstoffen
Mangrovebomen heel kenmerkend:
Droge klimaat
Savanneklimaat
Droge winter, warm
Minder neerslag – bos minder dicht
Ideaal landschap voor dieren
Olifanten, leeuwen, zebra’s, antilopen, giraffes
Enkele maanden per jaar geen neerslag
Steppeklimaat
Prairie Noord Amerika / pampas Zuid Amerika; nog droger
Drie tot vier maanden per jaar neerslag
Alleen gras en struiken
Gras heel lange wortels
Bodem heel vruchtbaar
Woestijnklimaat
Geen plantengroei, groot verschil in temperatuur
Minder dan 250 mm neerslag
Alleen cactussen en graspollen
Hete woestijnen ( bijv. Sahara )
Koude woestijnen ( bijv. Gobi )
Overdag erg warm, ’s nachts erg koud
Zand, rots-, grind, zout- , poolwoestijnen
Middellandse Zeeklimaat
Zomer droog/warm, winter zacht
Gemiddeld niet kouder dan -3 graden
Warme, droge zomer
Zachte winter
Palmbomen, cederbomen, pijnbomen