Sociale wetenschappen samenvatting
samenleving en recht
Week 1
Hoofdstuk 1: De maatschappij waarin we leven
1.1 De agrarische revolutie
- Mensen gingen op schrift vastleggen wat wel en niet hoorde en de
sancties die eraan verbonden waren. Dit werden er zo veel dat het
na een tijdje nodig was om een wetboek te maken.
De eerste verzamelingen wetten is de cordex. Sommige
begrippen en zaken zien we nu nog terug in het familierecht,
procesrecht en verbintenissenrecht.
Kleine tijdlijn:
a) Jagers en verzamelaars= trokken rond en hadden kleine onderlinge
afspraken
b) Jagers en verzamelaars= domesticeren. Wilde dieren worden vee &
huisdieren’
c) Dier, mens en plant passen zich aan
d) Mensen gingen sedentair leven= ze bleven op één plek wonen
Dit proces is de agrarische revolutie. Dit was mogelijk door irrigatie
(vervoeren van water naar onvruchtbare grond). Dit zorgde voor een
voedseloverschot, waardoor niet iedereen meer nodig was op de
landbouw. Er ontstonden andere ambachten en het beroep handelaar
ontstond.
1.2 De industriële revolutie
- Door de verbetering van de stoommachine kwam de industriële
revolutie op gang. Huisnijverheid veranderde in werken in de fabriek,
dat zorgde voor meer vraag naar arbeiders, waardoor de groei in
steden toenam. De verstedelijking van de samenleving heet
urbanisatie. Dit proces ging zo snel dat de arbeiders slechte woon-
en werkomstandigheden hadden. Er waren nog geen wetten die
arbeiders beschermden en dus was er sprake van uitbuiting. Mensen
vonden dat er wat moest veranderen en daardoor ontstond de
sociale kwestie.
De overheid deed niks want die hield zich alleen bezig met
criminaliteit en oorlogen. Dit heet een nachtwakerstaat. Ook
, mochten alleen rijke mannen stemmen, maar de arbeiders hadden
hier niks aan. Veel arbeiders kwamen daardoor in verzet.
1.3 De rechtstaat
- De druk op de regering groeide en Nederland kreeg een
democratische rechtstaat. Het was de bedoeling dat de burgers
werden beschermd. De eerste wet die aangenomen werd was de
Armenwet van Thorbecke. De armenzorg bleef een taak van de kerk,
maar als niemand de sloeber wilde helpen was het een zaak voor de
staat.
In 1874 kwam het Kinderwetje van houten tot stand. Dit betekende
geen kinderarbeid onder 12 jaar in de fabrieken. Maar de kinderen
bleven werken op het platteland en er was weinig controle. Dus in
1889 kwam er een arbeidswet die het verbood om kinderen en
vrouwen langer dan 11 uur/ 6 dagen per week te laten werken. Ook
ontstond de leerplichtwet en woningwet. Daarnaast ontstond in 1919
dankzij de inzet van Aletta Jacobs ook het algemeen kiesrecht. Dit
hield in dat alle mannen en vrouwen boven de 25 hun stem konden
uitbrengen.
1.4 Het begin van de verzorgingsstaat
- Door de opkomst van de nieuwe wetten was er geen sprake meer
van een nachtwakerstaat, waar alleen de veiligheid van burgers
centraal staat, maar van een verzorgingsstaat. Hierin zorgde de
overheid ook voor het welzijn en de welvaart. Hierdoor veranderde
de definitie van armoede: vroeger had je geen geld om te overleven,
en nu heb je geen geld om volwaardig mee te doen aan de
maatschappij.
De verzorgingsstaat wordt gefinancierd door belastingen. Maar in de
crisis van de jaren ’80 werd de verzorgingsstaat te duur en liep de
verzorgingsstaat in gevaar. In de jaren ’90 ging de focus iets meer
naar het individuele welzijn in plaats van naar het
gemeenschappelijke welzijn. Hierdoor nam het draagvlak van de
verzorgingsstaat af.
1.5 De participatie samenleving, de informatiesamenleving, de digitale
revolutie en de bureaucratisering
- In de troonrede van koning Willem Alexander in 2013 kwam er naar
buiten dat arme mensen nu meer moeten betalen voor hun
ziektekostenverzekeringen dan vroeger en moeten zelf regelen dát
, ze het kunnen betalen door een zorgtoeslag aan te vragen. Mensen
moeten/ kunnen nu beter voor hunzelf zorgen dan vroeger.
Dit geldt ook voor gemeenten. Ze moeten zelf de jeugdzorg,
bijstand, de zorg voor langdurig zieken en ouderen en asielopvang
regelen. Een participatie samenleving is dus een samenleving
waarin de overheid minder doet en iedereen zo veel mogelijk
zelfverantwoordelijk is.
Om alles zo eerlijk mogelijk te laten verlopen, zijn er steeds meer
regels. Bijvoorbeeld het PGB (persoonsgebonden budget). Er zijn
regels voor het aanvragen van een PGB, regels voor eisen waaraan
je moet voldoen, regels voor het indienen van facturen, ect. Dit heet
bureaucratisering: er zijn steeds meer voorschriften, procedures en
papierwerk.
Het deelnemen in een participatiesamenleving is niet voor iedereen
gemakkelijk. Ouderen missen digitale vaardigheden en mensen uit
het buitenland hebben vaak een gebrek aan formeel Nederlands.
1.6 Beroepenveld
- Net zagen we dat de overheid veel zaken aan het volk en
gemeenten overlaat. Maar toch treedt de overheid ook autoritair op.
Denk aan de COVID-19 uitbraak. Er kwamen door heel Nederland
testlocaties. Hierin vindt de overheid dat die zaken behoren tot de
nationale veiligheid en openbare orde en dus treden ze op.
Het beroepenveld is door de ingewikkelde inrichting dynamischer
geworden. Het parlement en kabinet geven richting aan ons land. De
ministeries voeren de plannen uit. En voor de uitvoering zijn er
burgerinstanties. Denk aan DUO of de gemeente.
, Hoofdstuk 2 Spelregels voor het handelen
van de overheid
2.1 De inperking van de macht van de
overheid
- Met de komst van de grondwet is er een onderscheidend moment
aangebroken. Hierin is de verhouding tussen de overheid en de
burgers geregeld in klassieke en sociale rechten. De grondwet
verandert ook van tijd tot tijd, en die wijzigingen noemen we
grondwetsherzieningen.
- De grondwet, ook wel constitutie, stamt uit 1798. Dit is de basis van
onze Grondwet nu. In 1814 werd soeverein vorstendom in de
Grondwet opgenomen, dit betekende dat de koning niet meer kon
bemoeien met het volk.
- De Grondwet bestaat uit verschillende hoofdstukken, voor nu gaan
we even in op de klassieke en sociale grondrechten.
1. De klassieke grondrechten gaan over de vrijheden van burgers,
denk aan vrijheid van meningsuiting, algemeen kiesrecht en
vrijheid van godsdienst. Deze rechten betekenen een beperking
van de overheid.
2. Sociale grondrechten gaan over de verplichtingen die de overheid
heeft tegenover de burgers. Denk aan woonbaarheid, onderwijs
en werkgelegenheid. De overheid mag de grondwetregels tijdelijk
opschorten, maar dan moet er wel een specifieke bepaling
bestaan die toestemt in het tijdelijk beperken van de
grondrechten.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waar moet de overheid zich
aan houden):
1. Zorgvuldigheidsbeginsel= elke beslissing die de overheid neemt,
moet zorgvuldig worden voorbereid. Het is de plicht van de overheid
om alle benodigde informatie te vergaren om tot een besluit te
komen.
Fair-Play beginsel= er moet sprake zijn van een eerlijke basis
In de omgang met burgers.
Verbod op vooringenomenheid= het handelen van de overheid
mag niet bepaald zijn door vooroordelen of gebaseerd zijn op
discriminatie.
samenleving en recht
Week 1
Hoofdstuk 1: De maatschappij waarin we leven
1.1 De agrarische revolutie
- Mensen gingen op schrift vastleggen wat wel en niet hoorde en de
sancties die eraan verbonden waren. Dit werden er zo veel dat het
na een tijdje nodig was om een wetboek te maken.
De eerste verzamelingen wetten is de cordex. Sommige
begrippen en zaken zien we nu nog terug in het familierecht,
procesrecht en verbintenissenrecht.
Kleine tijdlijn:
a) Jagers en verzamelaars= trokken rond en hadden kleine onderlinge
afspraken
b) Jagers en verzamelaars= domesticeren. Wilde dieren worden vee &
huisdieren’
c) Dier, mens en plant passen zich aan
d) Mensen gingen sedentair leven= ze bleven op één plek wonen
Dit proces is de agrarische revolutie. Dit was mogelijk door irrigatie
(vervoeren van water naar onvruchtbare grond). Dit zorgde voor een
voedseloverschot, waardoor niet iedereen meer nodig was op de
landbouw. Er ontstonden andere ambachten en het beroep handelaar
ontstond.
1.2 De industriële revolutie
- Door de verbetering van de stoommachine kwam de industriële
revolutie op gang. Huisnijverheid veranderde in werken in de fabriek,
dat zorgde voor meer vraag naar arbeiders, waardoor de groei in
steden toenam. De verstedelijking van de samenleving heet
urbanisatie. Dit proces ging zo snel dat de arbeiders slechte woon-
en werkomstandigheden hadden. Er waren nog geen wetten die
arbeiders beschermden en dus was er sprake van uitbuiting. Mensen
vonden dat er wat moest veranderen en daardoor ontstond de
sociale kwestie.
De overheid deed niks want die hield zich alleen bezig met
criminaliteit en oorlogen. Dit heet een nachtwakerstaat. Ook
, mochten alleen rijke mannen stemmen, maar de arbeiders hadden
hier niks aan. Veel arbeiders kwamen daardoor in verzet.
1.3 De rechtstaat
- De druk op de regering groeide en Nederland kreeg een
democratische rechtstaat. Het was de bedoeling dat de burgers
werden beschermd. De eerste wet die aangenomen werd was de
Armenwet van Thorbecke. De armenzorg bleef een taak van de kerk,
maar als niemand de sloeber wilde helpen was het een zaak voor de
staat.
In 1874 kwam het Kinderwetje van houten tot stand. Dit betekende
geen kinderarbeid onder 12 jaar in de fabrieken. Maar de kinderen
bleven werken op het platteland en er was weinig controle. Dus in
1889 kwam er een arbeidswet die het verbood om kinderen en
vrouwen langer dan 11 uur/ 6 dagen per week te laten werken. Ook
ontstond de leerplichtwet en woningwet. Daarnaast ontstond in 1919
dankzij de inzet van Aletta Jacobs ook het algemeen kiesrecht. Dit
hield in dat alle mannen en vrouwen boven de 25 hun stem konden
uitbrengen.
1.4 Het begin van de verzorgingsstaat
- Door de opkomst van de nieuwe wetten was er geen sprake meer
van een nachtwakerstaat, waar alleen de veiligheid van burgers
centraal staat, maar van een verzorgingsstaat. Hierin zorgde de
overheid ook voor het welzijn en de welvaart. Hierdoor veranderde
de definitie van armoede: vroeger had je geen geld om te overleven,
en nu heb je geen geld om volwaardig mee te doen aan de
maatschappij.
De verzorgingsstaat wordt gefinancierd door belastingen. Maar in de
crisis van de jaren ’80 werd de verzorgingsstaat te duur en liep de
verzorgingsstaat in gevaar. In de jaren ’90 ging de focus iets meer
naar het individuele welzijn in plaats van naar het
gemeenschappelijke welzijn. Hierdoor nam het draagvlak van de
verzorgingsstaat af.
1.5 De participatie samenleving, de informatiesamenleving, de digitale
revolutie en de bureaucratisering
- In de troonrede van koning Willem Alexander in 2013 kwam er naar
buiten dat arme mensen nu meer moeten betalen voor hun
ziektekostenverzekeringen dan vroeger en moeten zelf regelen dát
, ze het kunnen betalen door een zorgtoeslag aan te vragen. Mensen
moeten/ kunnen nu beter voor hunzelf zorgen dan vroeger.
Dit geldt ook voor gemeenten. Ze moeten zelf de jeugdzorg,
bijstand, de zorg voor langdurig zieken en ouderen en asielopvang
regelen. Een participatie samenleving is dus een samenleving
waarin de overheid minder doet en iedereen zo veel mogelijk
zelfverantwoordelijk is.
Om alles zo eerlijk mogelijk te laten verlopen, zijn er steeds meer
regels. Bijvoorbeeld het PGB (persoonsgebonden budget). Er zijn
regels voor het aanvragen van een PGB, regels voor eisen waaraan
je moet voldoen, regels voor het indienen van facturen, ect. Dit heet
bureaucratisering: er zijn steeds meer voorschriften, procedures en
papierwerk.
Het deelnemen in een participatiesamenleving is niet voor iedereen
gemakkelijk. Ouderen missen digitale vaardigheden en mensen uit
het buitenland hebben vaak een gebrek aan formeel Nederlands.
1.6 Beroepenveld
- Net zagen we dat de overheid veel zaken aan het volk en
gemeenten overlaat. Maar toch treedt de overheid ook autoritair op.
Denk aan de COVID-19 uitbraak. Er kwamen door heel Nederland
testlocaties. Hierin vindt de overheid dat die zaken behoren tot de
nationale veiligheid en openbare orde en dus treden ze op.
Het beroepenveld is door de ingewikkelde inrichting dynamischer
geworden. Het parlement en kabinet geven richting aan ons land. De
ministeries voeren de plannen uit. En voor de uitvoering zijn er
burgerinstanties. Denk aan DUO of de gemeente.
, Hoofdstuk 2 Spelregels voor het handelen
van de overheid
2.1 De inperking van de macht van de
overheid
- Met de komst van de grondwet is er een onderscheidend moment
aangebroken. Hierin is de verhouding tussen de overheid en de
burgers geregeld in klassieke en sociale rechten. De grondwet
verandert ook van tijd tot tijd, en die wijzigingen noemen we
grondwetsherzieningen.
- De grondwet, ook wel constitutie, stamt uit 1798. Dit is de basis van
onze Grondwet nu. In 1814 werd soeverein vorstendom in de
Grondwet opgenomen, dit betekende dat de koning niet meer kon
bemoeien met het volk.
- De Grondwet bestaat uit verschillende hoofdstukken, voor nu gaan
we even in op de klassieke en sociale grondrechten.
1. De klassieke grondrechten gaan over de vrijheden van burgers,
denk aan vrijheid van meningsuiting, algemeen kiesrecht en
vrijheid van godsdienst. Deze rechten betekenen een beperking
van de overheid.
2. Sociale grondrechten gaan over de verplichtingen die de overheid
heeft tegenover de burgers. Denk aan woonbaarheid, onderwijs
en werkgelegenheid. De overheid mag de grondwetregels tijdelijk
opschorten, maar dan moet er wel een specifieke bepaling
bestaan die toestemt in het tijdelijk beperken van de
grondrechten.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waar moet de overheid zich
aan houden):
1. Zorgvuldigheidsbeginsel= elke beslissing die de overheid neemt,
moet zorgvuldig worden voorbereid. Het is de plicht van de overheid
om alle benodigde informatie te vergaren om tot een besluit te
komen.
Fair-Play beginsel= er moet sprake zijn van een eerlijke basis
In de omgang met burgers.
Verbod op vooringenomenheid= het handelen van de overheid
mag niet bepaald zijn door vooroordelen of gebaseerd zijn op
discriminatie.