1.1 Inleiding
Bestuurskunde is de studie die zich bezighoudt met de voorbereidingen,
de bepaling, de uitvoering en de evaluatie van overheidsbeleid. Een
bestuurder is iemand die richting geeft. Bij de overheid zijn de bestuurders
politici, de gedeputeerden of de ministers.
Overheden vinden zelf dat het onoverzichtelijk wordt of dat zijzelf niet
goed genoeg werken. Ze proberen hun organisatie zo aan te passen dat ze
hun burgers beter kunnen helpen. Steeds meer gemeenten hebben een
publieksdienst waar alle contacten met burgers worden afgehandeld.
Hierdoor worden de meeste vragen in één keer afgehandeld.
Hoofdstuk 2 Enkele begrippen
2.2 geschiedenis van bestuur
Je kan van een staat spreken als er sprake is van een grondgebied,
bestuursgezag en staatsvolk. Bij het bestuursgezag speelt soevereiniteit
een grote rol, want dit betekent de ‘hoogste macht of gezag’.
De manier waarop macht wordt verdeeld speelt een belangrijke rol bij de
opbouw van een staat:
1. Samenlevingen op basis van gelijkheid= mensen leven in groepen
waarin individuen redelijk gelijkwaardig waren, maar wel met een
leider. Kijk naar jagers en verzamelaars.
2. Samenleving uit rangorde= er konden weer nieuwe machtsposities
ontstaan. Denk aan het bezit van land of productieoverschotten.
3. Samenlevingen met gelaagdheid= de bevolking is in verschillende
groepen of standen opgedeeld. Als je tot een bepaalde stand
behoort dan geeft dat je allerlei rechter en plichten.
De overeenkomst tussen de samenlevingen zijn de verdeelde drie
machten (trias politica):
1. Wetgevende macht – de Staten-Generaal + regering
2. Uitvoerende macht – de ministeries
3. Rechterlijke macht – onafhankelijke rechters
Deze machten zijn gelijkwaardig verdeeld en wordt daarom een
horizontale machtenscheiding genoemd. Er is dus geen hiërarchie.
Naast de 3 machten kennen we nog een ander aantal machten. Zo wordt
het ambtenarenapparaat, ook wel bureaucratie, de vierde macht
,genoemd. Ook al is de minister als officiële uitvoerende macht Natuurlijk
politiek verantwoordelijk, zijn rijksambtenaren kunnen met hun
beleidsadviezen de minister sterk sturen.
De media, lobbyisten en adviesbureaus worden elk ook machten
genoemd.
De grondwet wordt in 1848 gemaakt en brengt veel veranderingen met
zich mee. Zo was de overheid In de 19e eeuw beperkt tot het regelen van
veiligheid en aanwezigheid van politie en het leger. Dit wordt ook wel de
nachtwakersstaat genoemd.
In de 20e eeuw begint de rol van de overheid toe te nemen en pakt de
overheid grote maatschappelijke problemen aan. Na de Tweede
Wereldoorlog gaat de overheid zich steeds meer met de samenleving
bemoeien. Je kunt deze verschuiving aanduiden met codificatie en
modificatie. Codificatie betekent het op schrift stellen van het recht. Met
codificatie wordt hier bedoeld dat de overheid eerst de ontwikkelingen In
de samenleving volgt en daarna wetten de opstelt die passen bij de
geconstateerde ontwikkelingen.
Modificatie heeft te maken met het continu inspelen op de ontwikkelingen
In de samenleving en mogelijk zelfs erop vooruitlopen en ontwikkelingen
beïnvloeden. De overheid gaat de samenleving dus sturen en hierdoor
wordt het een verzorgingsstaat.
De verzorgingsstaat wordt te duur waardoor we overgaan in een
participatiesamenleving. Hierbij ligt de verantwoordelijkheid steeds meer
bij de burgers zelf en hierdoor kan de overheid zich vervolgens meer
terugtrekken.
In de verzorgingsstaat was er sprake van politieke stromingen die elk een
eigen opvatting had over de rol van de overheid In de samenleving:
Liberalisme vrijheidsbeginsel
christendemocratie christelijke beginselen
socialisme gelijkheidsbeginsel
2.3 het begrip ‘overheid’
2.3.1 betekenis van het begrip overheid
Soms hebben we het, als we praten over de overheid, over een bepaalde
gemeente of provincie of een bepaalde rijksinstantie. De overheid bestaat
in feite uit een heleboel verschillende overheden.
De overheid is opgebouwd uit een gecompliceerd geheel van verschillende
actoren met soms tegenstrijdige belangen en doelstellingen.
,2.3.2 kenmerken van de Nederlandse overheid
Een kenmerk is de onderverdeling in een wetgevende, en uitvoerende en
een rechterlijke macht. Een ander kenmerk is dat er in Nederland sprake is
van een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dit houdt in dat veel taken en
bevoegdheden aan andere centrale overheden zijn toebedeeld. Dit wordt
ook de verticale machtenscheiding genoemd.
Wanneer andere overheidsorganen bepaald gebied besturen hebben we
het over territoriale decentralisatie (provincies en gemeenten). Wanneer
zo'n ander overheidsorgaan is ingesteld ter behartiging van een bepaald
doel hebben we het over functionele decentralisatie (waterschappen).
De provincies en gemeenten hebben hun eigen huishouding wat ook wel
autonomie wordt genoemd. Andere overheden mogen zich hier niet mee
bemoeien.
Provincies en gemeenten hebben ook medebewindstaken en dat heeft
betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door lagere overheden.
Het begrip deconcentratie betekent het fysiek over een land verspreiden
van delen van een overheid. De motieven hiervoor zijn verbeter de
communicatie met Den haag, de diensten staan dichter bij wat er in het
land gebeurt. Ten tweede is deze is deconcentratie vaak bedoeld om meer
grip te krijgen op regionale zaken. Ten derde is deconcentratie vaak een
compromis tussen behoefte aan decentralisatie In de regio en een
behoefte van het rijk om de touwtjes in handen te houden.
2.4 het begrip algemeen belang
De hoofdtaak van de overheid is het behartigen van algemeen belang. We
kunnen stellen dat er niet zoiets bestaat als een algemeen belang Maar
dat er sprake is van 1 grote hoeveelheid zeer uitlopende deelbelangen.
Elke overheid moet bij het behartigen van het algemeen belang dan ook
kiezen uit deelbelangen. In de praktijk zie je dat bij het bepalen van zo'n
keuze door politici en bestuurders het geld en politieke winst vaak een
doorslaggevende rol spelen.
Het verschijnsel dat individuele actoren eigen doelstellingen nastreven die
in strijd kunnen zijn met het beleid- of organisatiedoelstellingen wordt ook
wel bureaupolitiek genoemd.
2.5 Het begrip beleid
Beleid is een plan en beleid is alles wat een overheid doet. Bij een plan
gaat het erom dat een overheid van tevoren heeft uitgedacht wat er
gedaan moet worden en hoe het moet worden gedaan.
, Ook kunnen we zeggen dat het beleid alles is wat een overheid doet, maar
ook het niet opstellen van een plan kan beleid zijn.
Hoofdstuk 3 De overheid als systeem
3.1 Inleiding
De media vormt een belangrijke informatiebron voor onze
volksvertegenwoordigers. Het positieve hiervan is dat de huidige politiek
steeds meer gaat over het ‘hier en nu’.
3.2 De systeembenadering
3.2.1 Het model
Het systeembenaderings systeem is een systeem om te laten zien hoe een
besluit tot stand komt.
In dit figuur is een drietal elementen belangrijk: invoer, uitvoer en
doorvoer.
- De invoer bestaat uit eisen (demands) en steun (support). Bij eisen
kun je denken aan verlangens van bijvoorbeeld milieugroeperingen,
belangengroepen en de programma’s van politieke partijen.
Bij steun kun je denken aan het betalen van contributie, het
stemmen bij verkiezingen en het bezoeken van bijeenkomsten.
- Bij uitvoer kan je het onderscheiden in twee soorten:
gezaghebbende uitvoer (een wet of een andere maatregel) of niet-
gezaghebbende uitvoer (interview, tijdschriftartikel). In dit systeem
gaat het alleen om de gezaghebbende uitvoer.
- Doorvoer wordt ook wel de zwarte doos genoemd, omdat het niet
goed bekend is hoe de invoer nu precies in uitvoer wordt omgezet.