OVERHEIDSBELEID
EEN INLEIDING IN DE BELEIDSWETENSCHAP
10e geheel herziene druk
Samenvatting van de hoofdstukken: 1, 3, 6, 7, 8, 10, 11
HOOFDSTUK 1 BELEID, PROCESSEN EN EFFECTEN
1.1 Beleid en beleidswetenschap
Beleid
Beleid: behandelen van een zaak, gevolgde beginselen of gedragslijn en de gewenste richting, maar
ook overleg, bedachtzaamheid en omzichtigheid. Er is hierbij een kant van het besef van
wenselijkheden en een kant van et besef van mogelijkheden en onmogelijkheden.
Beleidswetenschap: elk beleid kan inzichten putten uit de wetenschap die van het beleid zelf studie
maakt.
1.2 Benadering van beleid
Binnen de empirisch-analytische benadering in de beleidswetenschap bestaan verschillende
theoretische invalshoeken:
Microbenadering: stelt het beleid van individuen en kleine groepen centraal
Mesobenadering: concentreert zich op het beleid van groepen en organisaties
Macrobenadering: beschouwt het beleid van de overheid voor een samenleving als geheel in
relatie tot het politieke stelsel
1.3 De beleidsinhoud
Beleid: het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en bepaalde
tijdskeuzes. Beleid is dus een streven (doelgericht handelen) en daartoe behoren zowel denkbeelden
over wat haalbaar en wenselijk is als activiteiten (het handelen). De doeleinden en de middelen
vormen de grondstructuur van beleid. Beleidsdenken/finaal denken is vervolgens het denken in
doeleinden en middelen.
Beleid is volgens sommigen een plan en volgens anderen een handelen.
Dat beleid altijd rationeel is, is een misverstand. Rationeel: wat redelijk is, wat op houdbare
argumenten berust. Doelrationeel: doelgericht, doeltreffend en doelmatig. Een beleid is beide dus
niet altijd.
Gezichten van beleid
,Beleid kent 2 gezichten. Het is niet alleen een samenstel van doeleinden, middelen en tijdskeuzen.
Het is tegelijk ook een antwoord op een probleem. Een samenleving kenmerkt zich ook door haar
problemen.
Probleemdefinitie
Probleem: een verschil, een afstand, tussen een maatstaf, zoals een beginsel of een norm, en een
voorstelling van een bestaande of verwachte situatie. Wat we dus als probleem zien hangt onder
meer af van onze maatstaven en onze waarneming van de situatie. Een probleem wordt een
beleidsprobleem als het op de agenda van een overheid of andere beleidsvoerders komt.
Beleidsveld
Beleidsveld: de relatie tussen een beleid en het deel van de maatschappij waarop het beleid zich
richt. Omdat een beleid een probleem in de maatschappij wil bestrijden, is kennis van dat deel van
de maatschappij onmisbaar. De beleidsmiddelen zijn van belang om te zorgen dat een beleid niet
mislukt.
Beleidsinstrumenten
Beleidsinstrument/middel: alles wat een actor gebruikt of kan gebruiken om het bereiken van een of
meer doeleinden te bevorderen. Een specifieke soort van beleidsmiddelen zijn de
bestuursinstrumenten: gericht op de coördinatie tussen de beleidsbepalende en de
beleidsuitvoerende organisaties.
Beleidstheorie
Veronderstellingen die aan een beleid ten grondslag liggen. De keuze van de beleidsinstrumenten
berust op veronderstellingen, onder meer over de kenmerken en oorzaken van het probleem waarop
het beleid zich richt.
Beleidstheorie: het geheel van veronderstellingen waarop een bepaald beleid berust. Die
veronderstellingen kunnen betrekking hebben op:
Relaties tussen doeleinden en middelen (finale relaties)
Relaties tussen oorzaken en gevolgen (causale relaties)
Relaties tussen waarden en normen (normatieve relaties)
1.4 Het beleidsproces
Beleidsproces: het verloop van de gebeurtenissen rond een beleid. Het dynamische verloop van
handelingen, argumenten en interacties met betrekking tot een beleid.
Kenmerken beleidsproces
, Dynamiek, beweging
Wederzijdse beïnvloeding of wisselwerking/interactie tussen de factoren die het proces
mede vormgeven
Er is een verloop, een opeenvolging van gebeurtenissen (een reeks)
Herkenbaar verloop, enige stabiliteit, min of meer vast patroon. Daardoor kunnen we
spreken van deelprocessen, fasen of stadia in het beleidsproces.
Deelprocessen
Binnen een beleidsproces zijn er 6 deelprocessen:
1. Agendavorming: bepalen van de agenda. Hier krijgen maatschappelijke problemen de
aandacht door het publiek en de beleidsbepalers.
2. Beleidsvoorbereiding: het verzamelen en analyseren van informatie en het formuleren van
adviezen. Ook het ontwerpen vaan een beleid hoort hierbij: het uitdenken, formuleren en
toelichten van een te voeren beleid.
3. Beleidsbepaling: het nemen van beslissingen, de besluitvorming, over de inhoud van een
beleid. Dit omvat ook het kiezen en specificeren van de doeleinden, middelen en tijdstippen.
4. In- en uitvoering van beleid, de implementatie.
5. Naleving en handhaving van het beleid.
6. Beleidsevaluatie: als de bevindingen hiervan resulteren in het bijstellen of beëindigen van
een beleid, kan je spreken van een terugkoppeling of feedback.
Het beleidsproces als onderdeel van de politieke kringloop
Een beleidsproces dat op een overheidsbeleid betrekking heeft, maakt deel uit van de politieke
kringloop/politiek systeem: geheel van opvattingen, gedragingen en posities die tot doel hebben de
inhoud, processen en effecten van overheidsbeleid te beïnvloeden.
De omgeving die voor de aanvoer/input zorgt zijn de nationale en internationale samenleving en de
fysieke omgeving. Deze aanvoer omvat twee delen: eisen (beleidsvoorkeuren, issues) en steun. De
politieke eisen komen voort uit behoeften.
De sluiswachters/poortwachters/gatekeepers spelen een belangrijke rol, deze filteren of iets wel of
niet op de agenda komt.
De genomen beleidsmaatregelen zijn te beschouwen als de beleidsprestatie, de output.
1.5 De beleidseffecten
Veldprocessen
Beleidsveld: elk deel van de samenleving waarop een beleid zich richt.
Overheidsbeleid is veelal een poging om het beleid van actoren in een beleidsveld (ondernemingen,
scholen) in een bepaalde richting te duwen of trekken. Met het oog daarop tracht een overheid dan
EEN INLEIDING IN DE BELEIDSWETENSCHAP
10e geheel herziene druk
Samenvatting van de hoofdstukken: 1, 3, 6, 7, 8, 10, 11
HOOFDSTUK 1 BELEID, PROCESSEN EN EFFECTEN
1.1 Beleid en beleidswetenschap
Beleid
Beleid: behandelen van een zaak, gevolgde beginselen of gedragslijn en de gewenste richting, maar
ook overleg, bedachtzaamheid en omzichtigheid. Er is hierbij een kant van het besef van
wenselijkheden en een kant van et besef van mogelijkheden en onmogelijkheden.
Beleidswetenschap: elk beleid kan inzichten putten uit de wetenschap die van het beleid zelf studie
maakt.
1.2 Benadering van beleid
Binnen de empirisch-analytische benadering in de beleidswetenschap bestaan verschillende
theoretische invalshoeken:
Microbenadering: stelt het beleid van individuen en kleine groepen centraal
Mesobenadering: concentreert zich op het beleid van groepen en organisaties
Macrobenadering: beschouwt het beleid van de overheid voor een samenleving als geheel in
relatie tot het politieke stelsel
1.3 De beleidsinhoud
Beleid: het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en bepaalde
tijdskeuzes. Beleid is dus een streven (doelgericht handelen) en daartoe behoren zowel denkbeelden
over wat haalbaar en wenselijk is als activiteiten (het handelen). De doeleinden en de middelen
vormen de grondstructuur van beleid. Beleidsdenken/finaal denken is vervolgens het denken in
doeleinden en middelen.
Beleid is volgens sommigen een plan en volgens anderen een handelen.
Dat beleid altijd rationeel is, is een misverstand. Rationeel: wat redelijk is, wat op houdbare
argumenten berust. Doelrationeel: doelgericht, doeltreffend en doelmatig. Een beleid is beide dus
niet altijd.
Gezichten van beleid
,Beleid kent 2 gezichten. Het is niet alleen een samenstel van doeleinden, middelen en tijdskeuzen.
Het is tegelijk ook een antwoord op een probleem. Een samenleving kenmerkt zich ook door haar
problemen.
Probleemdefinitie
Probleem: een verschil, een afstand, tussen een maatstaf, zoals een beginsel of een norm, en een
voorstelling van een bestaande of verwachte situatie. Wat we dus als probleem zien hangt onder
meer af van onze maatstaven en onze waarneming van de situatie. Een probleem wordt een
beleidsprobleem als het op de agenda van een overheid of andere beleidsvoerders komt.
Beleidsveld
Beleidsveld: de relatie tussen een beleid en het deel van de maatschappij waarop het beleid zich
richt. Omdat een beleid een probleem in de maatschappij wil bestrijden, is kennis van dat deel van
de maatschappij onmisbaar. De beleidsmiddelen zijn van belang om te zorgen dat een beleid niet
mislukt.
Beleidsinstrumenten
Beleidsinstrument/middel: alles wat een actor gebruikt of kan gebruiken om het bereiken van een of
meer doeleinden te bevorderen. Een specifieke soort van beleidsmiddelen zijn de
bestuursinstrumenten: gericht op de coördinatie tussen de beleidsbepalende en de
beleidsuitvoerende organisaties.
Beleidstheorie
Veronderstellingen die aan een beleid ten grondslag liggen. De keuze van de beleidsinstrumenten
berust op veronderstellingen, onder meer over de kenmerken en oorzaken van het probleem waarop
het beleid zich richt.
Beleidstheorie: het geheel van veronderstellingen waarop een bepaald beleid berust. Die
veronderstellingen kunnen betrekking hebben op:
Relaties tussen doeleinden en middelen (finale relaties)
Relaties tussen oorzaken en gevolgen (causale relaties)
Relaties tussen waarden en normen (normatieve relaties)
1.4 Het beleidsproces
Beleidsproces: het verloop van de gebeurtenissen rond een beleid. Het dynamische verloop van
handelingen, argumenten en interacties met betrekking tot een beleid.
Kenmerken beleidsproces
, Dynamiek, beweging
Wederzijdse beïnvloeding of wisselwerking/interactie tussen de factoren die het proces
mede vormgeven
Er is een verloop, een opeenvolging van gebeurtenissen (een reeks)
Herkenbaar verloop, enige stabiliteit, min of meer vast patroon. Daardoor kunnen we
spreken van deelprocessen, fasen of stadia in het beleidsproces.
Deelprocessen
Binnen een beleidsproces zijn er 6 deelprocessen:
1. Agendavorming: bepalen van de agenda. Hier krijgen maatschappelijke problemen de
aandacht door het publiek en de beleidsbepalers.
2. Beleidsvoorbereiding: het verzamelen en analyseren van informatie en het formuleren van
adviezen. Ook het ontwerpen vaan een beleid hoort hierbij: het uitdenken, formuleren en
toelichten van een te voeren beleid.
3. Beleidsbepaling: het nemen van beslissingen, de besluitvorming, over de inhoud van een
beleid. Dit omvat ook het kiezen en specificeren van de doeleinden, middelen en tijdstippen.
4. In- en uitvoering van beleid, de implementatie.
5. Naleving en handhaving van het beleid.
6. Beleidsevaluatie: als de bevindingen hiervan resulteren in het bijstellen of beëindigen van
een beleid, kan je spreken van een terugkoppeling of feedback.
Het beleidsproces als onderdeel van de politieke kringloop
Een beleidsproces dat op een overheidsbeleid betrekking heeft, maakt deel uit van de politieke
kringloop/politiek systeem: geheel van opvattingen, gedragingen en posities die tot doel hebben de
inhoud, processen en effecten van overheidsbeleid te beïnvloeden.
De omgeving die voor de aanvoer/input zorgt zijn de nationale en internationale samenleving en de
fysieke omgeving. Deze aanvoer omvat twee delen: eisen (beleidsvoorkeuren, issues) en steun. De
politieke eisen komen voort uit behoeften.
De sluiswachters/poortwachters/gatekeepers spelen een belangrijke rol, deze filteren of iets wel of
niet op de agenda komt.
De genomen beleidsmaatregelen zijn te beschouwen als de beleidsprestatie, de output.
1.5 De beleidseffecten
Veldprocessen
Beleidsveld: elk deel van de samenleving waarop een beleid zich richt.
Overheidsbeleid is veelal een poging om het beleid van actoren in een beleidsveld (ondernemingen,
scholen) in een bepaalde richting te duwen of trekken. Met het oog daarop tracht een overheid dan