Bij intracutane injecties vindt de inspuiting plaats in de huid. De toepassing wordt gebruikt wanneer
er reacties op de huid zichtbaar moeten zijn. Denk hierbij aan allergietesten.
Bij subcutane injecties vindt de inspuiting plaats onder de huid. De vloeistof, bijvoorbeeld insuline,
morfine of heparine, moet langzaam geresorbeerd worden.
Bij intramusculaire injecties vindt de inspuiting plaats in de spier. Hoe groter de spiermassa, hoe
meer vloeistof de spier kan opnemen.
Bij intraveneuze injecties wordt in het perifeer bloedvat gespoten, of terwijl in de ader. Wanneer er
een injectie in een bloedvat en dan de slagader wordt gespoten is dit intra-arterieel.
Een injectie wordt vaak toegepast wanneer de opname van medicamenten via het maagdarmstelsel
langzaam verloopt, wanneer ze niet helemaal worden opgenomen of wanneer de werking van het
medicijn wordt verminderd door spijsverteringssappen.
Niet gezond weefsel is:
- Geopereerd of te opereren gebied
- Door vocht gezwollen of trombose gebied
- Verlamde ledematen
- Plaatsen die hard aanvoelen
- Plaatsen die rood of blauw zien
- Een arm of been met een infuus of shunt