Doelstellingen van de cursus:...................................................................4
Hoofdstuk 1: Veiligheidsbegeerte en het probleem van de westerse
filosofie.........................................................................................................5
1.1 Wat is veiligheidsbegeerte?................................................................5
1.2 Wat is filosofie?...................................................................................7
1.2.1 Aard van de filosofische vraagstelling:.........................................7
Wie is ‘de mens’? Wat is ‘veiligheid’?.................................................7
De vraag naar het gekende:...............................................................8
De vraag naar zichzelf:.......................................................................9
1.2.2 Filosofie en veiligheid:..................................................................9
Belang van inzicht in het begrip:........................................................9
Historisch bewustzijn:.......................................................................10
1.2.3 Vraag naar het fundament:........................................................11
1.3 Historisch ontstaan van de waarheidsfilosofie:.................................12
1.3.1 De Griekse filosofie geeft vorm aan de Westerse filosofie..........14
1.3.2 Het axioma van de filosofie: “De zelfontdekking van de logos als
de plaats van de waarheid”.................................................................16
1.3.3 Parmenides: “Het zijn is en het niet-zijn is niet”.........................17
Hoofdstuk 2: De installatie van de waarheid: Buiten de mens...................18
2.1 Antieke tijd:.......................................................................................18
2.1.1 Plato VS Aristoteles:....................................................................19
2.1.2 Plato:...........................................................................................20
Plato’s reactie op Parmenides:..........................................................20
De werkelijkheid ordenen vanuit twee werelden:.............................21
Ideeën als ordeningsprincipes: Orde en het eerste principe van de
orde..................................................................................................21
De allegorie van de grot:..................................................................22
Kennis van de werkelijkheid: Meningen (Doxa) VS ware kennis
(Episteme)........................................................................................23
Denken als eros:...............................................................................25
Fundering van de moraal en de ware politieke gemeenschap:........26
2.1.3 Aristoteles:..................................................................................26
Het denken van Aristoteles als reactie op Parmenides en Plato:......27
1
, Aristoteles’ hylemorfistische visie op de mens en de werkelijkheid: 27
2.1.3 ‘Veiligheid’ vanuit het motief van de eros in de antieke tijd:......32
2.2 Christelijke middeleeuwen:...............................................................34
2.2.1 Inleiding in de nieuwe tijd:..........................................................35
Een vlucht naar de innerlijkheid:......................................................35
Het christendom: Ontstaan en invloed.............................................36
Nieuwe factor in onze cultuur: de schepping....................................37
2.2.2 Augustinus:.................................................................................37
Goddelijke Genade ipv menselijke rede:...........................................38
Plato en de neoplatonisten:..............................................................38
Drie nieuwe paradigma’s: van de christelijke filosofie......................38
2.2.3 Thomas van Aquino:...................................................................40
De volle middeleeuwen: De herontdekking van Aristoteles.............40
Geloof en rede verzoenen:...............................................................41
Middeleeuwse (aristotelische) natuurfilosofie:.................................42
Kennis van de werkelijkheid:............................................................43
Essentie en existentie:......................................................................44
2.2.4 Veiligheid vanuit het motief van agapè:.....................................44
Het christendom is een ethiek:.........................................................44
Augustinus en de ethiek:..................................................................45
Thomas en de ethiek:.......................................................................45
Agapè: liefde voor en van God.........................................................46
Hoofdstuk 3: Waarheid in de moderne tijd: Mens op de plaats van de
waarheid....................................................................................................46
3.1 Moderniteit........................................................................................46
3.1.1 Wat is moderniteit?.....................................................................47
Een oneindig wereldbeeld:...............................................................47
De geboorte van een nieuwe tijd:.....................................................48
Verlichting:........................................................................................49
Het succes van de wetenschap:.......................................................50
De dragende rol van het subject:.....................................................52
Sociaal contract-theorieën:...............................................................52
3.1.2 Descartes als vader van het moderne subjectbegrip:................54
2
, Op zoek naar een nieuw en zeker uitgangspunt:..............................54
De methodische twijfel:....................................................................54
De zekerheid van het cogito:............................................................55
Van het cogito naar de wereld:.........................................................55
Conclusies van Descartes’ nieuwe filosofie:.....................................56
3.2 Kant: Kritiek op Descartes.................................................................59
Copernicaanse revolutie in de kenleer: Kant stelt grenzen aan
rationalisme......................................................................................60
3.3 Gevolgen van de moderniteit: Hedendaagse narratieven van
gevaarbeheersing...................................................................................61
3.2.6 Vergelijking: Drie narratieven van maakbare veiligheid:............66
Hoofdstuk 4: Kritiek op waarheidsdenken..................................................68
4.1 Friedrich Nietzsche: Waarheid ontmaskerd als een leugen...............69
4.1.1 Cultuurkritiek:.............................................................................69
4.1.2 Kritiek op de platoons-christelijke metafysica:...........................70
4.1.3 Heren- en slavenmoraal:.............................................................70
4.1.4 De uitvinding van de waarheid:..................................................71
Eerste gestalte van de waarheid: de filosofie...................................71
Tweede gestalte van de waarheid: het christendom........................71
Derde gestalte van de waarheid: de natuurwetenschappen............72
4.1.5 Wille zur Macht:..........................................................................72
4.1.6 De mens en ‘de dood van God’:.................................................72
4.1.7 Nihilisme:....................................................................................73
4.2 Hannah Arendt: Nieuw niet-platoons waarheidsbegrip.....................73
4.3 Kritiek op de narratieven van de veiligheidsbegeerte vanuit Arendt:
................................................................................................................74
4.3.1 Politiek is geen ethiek:................................................................75
4.3.2 Amor mundi: liefde voor de wereld.............................................75
4.3.3 Kritiek op het motief van de Hybris:...........................................76
4.3.4 Kritiek op het motief van de Immunitas:....................................77
4.3.5 Kritiek op het motief van de Apatheia:.......................................77
4.4 Besluit:..............................................................................................77
3
, Filosofie = Geschiedenis en kritische analyse van de hedendaagse
veiligheidsbegeerte.
Inleiding
Denkvak: draait om inzicht, niet van buiten leren.
Notities: zijn de basis voor het examen.
Cursus: helpt je inzicht en redeneervermogen te ontwikkelen → maak een
mindmap.
Geen PowerPoints: beelden zijn geen leerstof, niet afprinten.
Cursus = één verhaal: hoofdstukken hangen samen, zie het als een geheel.
Doel van de cursus kennen: kan op het examen gevraagd worden.
Examentip: leer luidop, examen is mondeling.
Waarom-vragen: altijd beginnen met “omdat …”
Doelstellingen van de cursus:
In deze cursus leer je kritisch denken over de fundamenten van de Westerse
cultuur: wat is waarheid, en waarom gebeuren dingen vandaag? We onderzoeken
het Westerse denken, dat gebouwd is op waarheid – iets wat de laatste twee
filosofen in vraag zullen stellen.
De cursus heeft geen direct nut, maar helpt je later in het werkveld.
Een probleemstelling is altijd een vraag.
De drie doelstellingen van deze cursus:
1. De technische doelstellingen:
De student leert wat kritisch denken is.
Kritisch denken is afgeleid van het griekse krinein, wat ‘onderscheiden’,
‘schiften’, ‘beoordelen’ betekent.’
Filosofie is een “métier”, het is een oefening, een blijvende vaardigheid
in denken en redeneren die tijd kost.
Doelstelling van dit vak: De vaardigheid en de alertheid voor kritisch
nadenken.
Kritisch nadenken betreft:
a. Een historisch bewustzijn: Het historisch bewustzijn gebruiken
binnen het denken.
b. Het belang van de juiste definities inzien: Uitgebreide aandacht
hebben voor het afbakenen van definities.
c. Het stellen van waarom-vragen en het secuur antwoorden daarop.
d. Begrijpend lezen: Leren om aandacht te leren vasthouden om
complexere redeneringen te vatten; abstract leren denken
2. De bevindingen van de alumni uit het werkveld:
a. De opleiding is mensgericht. (We werken samen met mensen)
Mensgericht denken in filosofie: De bevragingen gaan over de
mens.
b. Zet aan tot kritisch denken:
Belang van de interpretatie kennen. (Hoe interpreteren we de
wereld rond om ons?)
Belang van de definities. (Wat bedoelen we eigenlijk?, wat
betekent voor jou genocide?)
c. Dat de opleiding inzet op het integraal kunnen denken
4