,Goede, duidelijke oefentoets voor beginners, niveau MAVO/MBO 1. De kern van de
basiskennis rekenen heel eenvoudig uitgelegd. Ik heb ieder begrip dat als lastig kan
worden gezien nog extra uitgelegd.
30 open vragen – alle antwoorden apart laatste pagina
Hoofdstuk 1: Basisbewerkingen
1. Leg uit hoe je het verschil berekent tussen 384 en 729.
2. Hoe kun je controleren of een vermenigvuldiging zoals 24 × 36 klopt?
3. Wat is het voordeel van cijferend optellen ten opzichte van hoofdrekenen?
Cijferend optellen: Je schrijft de getallen onder elkaar en telt per kolom op. Je schrijft
alles op.
Hoofdrekenen: Je telt de getallen in je hoofd, zonder iets op te schrijven.
4. Geef een situatie waarin je handig delen toepast.
5. Waarom is 0 delen door een getal wél gedefinieerd, maar een getal delen door 0 niet?
Anders geformuleerd: Waarom mag je nul (0) delen door een getal (bijvoorbeeld 0 ÷ 5) en is
dat een duidelijke wiskundige handeling die een antwoord geeft?
Maar waarom mag je niet een getal delen door nul (bijvoorbeeld 5 ÷ 0), en is dat geen
geldige bewerking in de wiskunde?
Hoofdstuk 2: Breuken, procenten en verhoudingen
6. Leg uit hoe je 5/8 optelt bij 3/4.
7. Wat is het verschil tussen een breuk en een verhouding?
8. Hoe bereken je hoeveel procent 37 is van 185?
9. Een prijs daalt van €120 naar €90. Hoeveel procent korting is dat?
10. Waarom is 150% van een getal groter dan het oorspronkelijke getal?
Hoofdstuk 3: Kommagetallen en afronden
11. Hoe vermenigvuldig je 2,4 met 3,1 zonder rekenmachine?
12. Wat betekent afronden op één decimaal? Geef een voorbeeld.
13. Waarom is het belangrijk om het aantal decimalen te vermelden bij geldbedragen?
14. Leg uit hoe je het verschil tussen 7,345 en 5,98 kunt berekenen.
15. Waarom levert afronden vóór de berekening soms een ander resultaat op dan afronden
na afloop?
, Hoofdstuk 4: Maten en eenheden
16. Leg uit hoe je kilometer per uur omzet naar meter per seconde.
17. Hoe bereken je de inhoud van een cilinder?
Een cilinder is een soort vorm. Het ziet eruit als een blikje of een rol.
Het heeft twee ronde kanten, boven en onder.
Die twee kanten zijn precies even groot en recht boven elkaar.
Tussen die ronde kanten zit een gebogen kant die alles samenhoudt.
Dus een cilinder is een vorm met twee ronde kanten en een rechte zijkant eromheen.
Bijvoorbeeld een blikje frisdrank is een cilinder.
18. Een kamer is 5,4 meter lang en 3,2 meter breed. Hoeveel m² vloerbedekking heb je
nodig?
19. Leg het verschil uit tussen massa en gewicht.
20. Waarom is het belangrijk om bij verhoudingen eenheid om te rekenen naar dezelfde
maat?
Hoofdstuk 5: Verbanden, tabellen en grafieken
21. Wat is het verschil tussen een lineair en exponentieel verband?