PGO BLOK 2.3 PROBLEEM 4
1. Hoe verhouden ontwikkeling en leren zich tot elkaar?
2. Hoe stel je een diagnose bij ontwikkeling en leerproblemen?
3. Wie spelen er een rol bij de diagnose?
Verheij & van Doorn (2008) – hoofdstuk 1
Ontwikkeling
Het voortgaande proces dat resulteert uit het gezond samenspel tussen biologische rijping en
omgevingsinvloeden
Een dynamisch proces dat de progressie van het systeem (vb. kind) reflecteert in
opeenvolgende reorganisatie in de context van het verzorgende systeem
Blijft bezig, is onomkeerbaar en progressief met volgorde
6 algemene principes komen terug
1. Theorie gaat uit van actief organisme
2. Verandering is gericht op een duidelijk doel waarbij de ontwikkeling verloopt in opeenvolgende
fasen
3. Onderliggend aan gedrag liggen mentale schema’s of concepten
4. Verandering is zowel kwalitatief (herstructurering/schema’s in fasen) als kwantitatief (fasen)
5. Ontwikkeling wordt niet alleen bepaald door leeftijd, maar de ervaringen en de incorporatie
daarvan in de mentale schema’s zijn belangrijker voor de verwerving van vaardigheden
6. Uitgegaan van het orthogenetisch principe: ontwikkeling bestaat uit differentiatie en integratie
dat steeds weer leidt tot organisatie op een hoger niveau
Later zijn er daar nog 4 aan toegevoegd, om het belang van de interactie tussen biologische- en
omgevingsfactoren te kunnen ondersteunen (meer individueel)
7. Omgeving wordt breder en interactiever opgevat. Het kind verandert, maar de omgeving
verandert ook
8. Om ontwikkeling volledig te bergrijpen moeten meerdere domeinen worden betrokken bij de
verklaring hiervan (niet alleen cognitie, maar ook bijvoorbeeld emotionele en sociale
domeinen)
9. Oog hebben voor individuele verschillen en individuele ontwikkelingsstijlen (cultuurfactoren)
10. Er is sprake van een intensief samenspel tussen biologische en omgevingsfactoren. De
intensiviteit ligt aan de periode/fase
4 hoofddomeinen ontwikkeling
Lichamelijk
Emotioneel
Cognitief
Sociaal
Vaak is er sprake van samenspel/interactie
voor ontwikkeling
(ontwikkelingsdifferentiatie). Wanneer een
kind op jonge leeftijd ernstige problematiek
ervaart, neemt de kans toe dat de
problematiek meerdere domeinen zal
omvatten en dus ernstiger zal zijn.
Cognitieve ontwikkeling: de actualisatie
en transformatie van de processen die
mensen in de staat stellen de wereld
waarin zij leven te begrijpen, om te gaan
met problemen en kennis en ervaring te organiseren. Cognitie is ruimer dan intelligentie. Intelligentie is
het vermogen om kennis toe te passen en/of te gebruiken.
1. Praktische intelligentie: weten hoe = procedureel
2. Academische intelligentie: weten dat = presteren in gesloten systeem
Leren
Het vermogen om te profiteren van nieuwe ervaringen, kennis en de toepassing daarvan.
Mogelijkheden en beperkingen van leren worden vormgegeven door
Noodzakelijke condities (hersenen, emoties)
Faciliterende condities (omgeving, cultuur)
, Schools leren: doel = kennisoverdracht, grote maatschappelijke relevantie en nog vele andere
factoren die van invloed zijn.
Leren is het hebben van kennis en dit vervolgens ook kunnen toepassen
Het onderscheid met cognitieve ontwikkeling is dat bij leren de toename van kennis niet gelijktijdig met
herstructurering gaat en bij cognitieve ontwikkeling wel. Maar beide kunnen niet zonder elkaar.
Cognitieve ontwikkeling en leren zijn nauw met elkaar verbonden.
Tweedeling van theorieën (kloof)
Ontwikkelingsgerichte theorieën: emotionele problemen ontstaan hieruit
Gedragstheorieën: leerproblemen ontstaan hieruit.
Het zou eigenlijk één model moeten zijn en de gehele omgeving (alles) moet meegenomen worden.
Hoofdstuk 4
Verschil tussen leren en ontwikkeling
Leren is een actief en bewust proces, terwijl ontwikkeling een rijpingsproces is waar je zelf geen
invloed op hebt.
Er zijn drie invalshoeken waar vanuit de samenhang tussen leren en ontwikkeling is beschreven.
1. Leergeschiktheid binnen normale emotioneel-sociale ontwikkeling
Veilige relatie ouder en kind is bepalend voor leergeschiktheid van het kind voor optimale
ontwikkeling moet de volwassene sensitief en responsief zijn t.o.v. het kind. Dit wordt het
afstemmingsproces genoemd.
Kwaliteit
Omgevingsbepaald (ouders)
Kindfactoren: aantal gewoonten en rituelen om dit zo goed mogelijk te laten verlopen
1e twee jaar: primaire verzorger moet goed om gaan met exploratiedrang van
het kind
Peuter: dagstructuur, kort uitstel eigen behoeften en kleine eisen aan gedrag
waarbij functioneren in 2e milieu een functie krijgt. Kind kan verwijdering van
primaire verzorger verdragen als het genoeg veiligheid ervaart.
Kleuter op school: niet schools leren, basis voor leren later
Vanaf 6e jaar: in klassikaal verband vaardigheden en kennis verwerven. Om
dit aan te kunnen zijn er leervoorwaarden (vele kenmerken van het kind,
thuissituatie en school, waarvan makkelijk of moeilijk leren op school
afhankelijk is). Dit wordt bepaald door biologisch- cognitief en emotioneel-
sociale ontwikkeling
Voortgezet onderwijs: breuk met sociale ondersteuning en meer zelfregulatie.
Er is een groepsdruk van peers i.p.v. sturing van ouders en docent. Als de
basisschool goed aansloot op de psychologische behoeften kan de eigen
identiteit en toekomstperspectief worden verwacht
2. Problematische sociaal-emotionele ontwikkeling
De problemen van de sociaal-emotionele ontwikkeling gaan vaak samen met leerproblemen.
Ze ontstaan door het cumulatieve effect van interacties tussen risicofactoren van kind en
omgeving in wisselwerking met de beschermde factoren. En niet-gedeelde omgeving heeft
een grotere invloed dan de gedeelde omgeving van het gezin.
Het bio-psycho-sociaal model als theoretisch kader voor samengestelde problematiek.
3. Leerstoornissen
Leerstoornissen in de kindertijd zijn een voorspeller van ernstige emotionele en/of
gedragsproblemen in de adolescentie. Een mogelijke verklaring hiervoor kan ‘learned
helplessness’ zijn = herhaalde stress, herhaald falen.
Primaire leerstoornis: één factor in de cognitieve ontwikkeling lijkt verantwoordelijk
voor leerproblemen. Als reactie op voortdurend falen kunnen emotionele problemen
ontstaan.
Secundaire leerstoornis: leerproblemen bij kinderen met ernstige
ontwikkelingsstoornissen, emotionele- of gedragsproblemen.
Conclusie: breder perspectief met ruimere interpretatie (veel factoren van invloed)
Hoofdstuk 6
Er zijn voor diagnoses verschillende mensen nodig
Psycholoog: onderzoekt cognitief niveau, cognitieve stijl en cognitieve stoornissen
Psycholoog: onderzoekt het emotioneel gedragsmatig, sociaal functioneren, psychosociaal
disfunctioneren en psychiatrische stoornissen
Remedial teacher: kijkt taakanalystisch naar schoolse vaardigheden
1. Hoe verhouden ontwikkeling en leren zich tot elkaar?
2. Hoe stel je een diagnose bij ontwikkeling en leerproblemen?
3. Wie spelen er een rol bij de diagnose?
Verheij & van Doorn (2008) – hoofdstuk 1
Ontwikkeling
Het voortgaande proces dat resulteert uit het gezond samenspel tussen biologische rijping en
omgevingsinvloeden
Een dynamisch proces dat de progressie van het systeem (vb. kind) reflecteert in
opeenvolgende reorganisatie in de context van het verzorgende systeem
Blijft bezig, is onomkeerbaar en progressief met volgorde
6 algemene principes komen terug
1. Theorie gaat uit van actief organisme
2. Verandering is gericht op een duidelijk doel waarbij de ontwikkeling verloopt in opeenvolgende
fasen
3. Onderliggend aan gedrag liggen mentale schema’s of concepten
4. Verandering is zowel kwalitatief (herstructurering/schema’s in fasen) als kwantitatief (fasen)
5. Ontwikkeling wordt niet alleen bepaald door leeftijd, maar de ervaringen en de incorporatie
daarvan in de mentale schema’s zijn belangrijker voor de verwerving van vaardigheden
6. Uitgegaan van het orthogenetisch principe: ontwikkeling bestaat uit differentiatie en integratie
dat steeds weer leidt tot organisatie op een hoger niveau
Later zijn er daar nog 4 aan toegevoegd, om het belang van de interactie tussen biologische- en
omgevingsfactoren te kunnen ondersteunen (meer individueel)
7. Omgeving wordt breder en interactiever opgevat. Het kind verandert, maar de omgeving
verandert ook
8. Om ontwikkeling volledig te bergrijpen moeten meerdere domeinen worden betrokken bij de
verklaring hiervan (niet alleen cognitie, maar ook bijvoorbeeld emotionele en sociale
domeinen)
9. Oog hebben voor individuele verschillen en individuele ontwikkelingsstijlen (cultuurfactoren)
10. Er is sprake van een intensief samenspel tussen biologische en omgevingsfactoren. De
intensiviteit ligt aan de periode/fase
4 hoofddomeinen ontwikkeling
Lichamelijk
Emotioneel
Cognitief
Sociaal
Vaak is er sprake van samenspel/interactie
voor ontwikkeling
(ontwikkelingsdifferentiatie). Wanneer een
kind op jonge leeftijd ernstige problematiek
ervaart, neemt de kans toe dat de
problematiek meerdere domeinen zal
omvatten en dus ernstiger zal zijn.
Cognitieve ontwikkeling: de actualisatie
en transformatie van de processen die
mensen in de staat stellen de wereld
waarin zij leven te begrijpen, om te gaan
met problemen en kennis en ervaring te organiseren. Cognitie is ruimer dan intelligentie. Intelligentie is
het vermogen om kennis toe te passen en/of te gebruiken.
1. Praktische intelligentie: weten hoe = procedureel
2. Academische intelligentie: weten dat = presteren in gesloten systeem
Leren
Het vermogen om te profiteren van nieuwe ervaringen, kennis en de toepassing daarvan.
Mogelijkheden en beperkingen van leren worden vormgegeven door
Noodzakelijke condities (hersenen, emoties)
Faciliterende condities (omgeving, cultuur)
, Schools leren: doel = kennisoverdracht, grote maatschappelijke relevantie en nog vele andere
factoren die van invloed zijn.
Leren is het hebben van kennis en dit vervolgens ook kunnen toepassen
Het onderscheid met cognitieve ontwikkeling is dat bij leren de toename van kennis niet gelijktijdig met
herstructurering gaat en bij cognitieve ontwikkeling wel. Maar beide kunnen niet zonder elkaar.
Cognitieve ontwikkeling en leren zijn nauw met elkaar verbonden.
Tweedeling van theorieën (kloof)
Ontwikkelingsgerichte theorieën: emotionele problemen ontstaan hieruit
Gedragstheorieën: leerproblemen ontstaan hieruit.
Het zou eigenlijk één model moeten zijn en de gehele omgeving (alles) moet meegenomen worden.
Hoofdstuk 4
Verschil tussen leren en ontwikkeling
Leren is een actief en bewust proces, terwijl ontwikkeling een rijpingsproces is waar je zelf geen
invloed op hebt.
Er zijn drie invalshoeken waar vanuit de samenhang tussen leren en ontwikkeling is beschreven.
1. Leergeschiktheid binnen normale emotioneel-sociale ontwikkeling
Veilige relatie ouder en kind is bepalend voor leergeschiktheid van het kind voor optimale
ontwikkeling moet de volwassene sensitief en responsief zijn t.o.v. het kind. Dit wordt het
afstemmingsproces genoemd.
Kwaliteit
Omgevingsbepaald (ouders)
Kindfactoren: aantal gewoonten en rituelen om dit zo goed mogelijk te laten verlopen
1e twee jaar: primaire verzorger moet goed om gaan met exploratiedrang van
het kind
Peuter: dagstructuur, kort uitstel eigen behoeften en kleine eisen aan gedrag
waarbij functioneren in 2e milieu een functie krijgt. Kind kan verwijdering van
primaire verzorger verdragen als het genoeg veiligheid ervaart.
Kleuter op school: niet schools leren, basis voor leren later
Vanaf 6e jaar: in klassikaal verband vaardigheden en kennis verwerven. Om
dit aan te kunnen zijn er leervoorwaarden (vele kenmerken van het kind,
thuissituatie en school, waarvan makkelijk of moeilijk leren op school
afhankelijk is). Dit wordt bepaald door biologisch- cognitief en emotioneel-
sociale ontwikkeling
Voortgezet onderwijs: breuk met sociale ondersteuning en meer zelfregulatie.
Er is een groepsdruk van peers i.p.v. sturing van ouders en docent. Als de
basisschool goed aansloot op de psychologische behoeften kan de eigen
identiteit en toekomstperspectief worden verwacht
2. Problematische sociaal-emotionele ontwikkeling
De problemen van de sociaal-emotionele ontwikkeling gaan vaak samen met leerproblemen.
Ze ontstaan door het cumulatieve effect van interacties tussen risicofactoren van kind en
omgeving in wisselwerking met de beschermde factoren. En niet-gedeelde omgeving heeft
een grotere invloed dan de gedeelde omgeving van het gezin.
Het bio-psycho-sociaal model als theoretisch kader voor samengestelde problematiek.
3. Leerstoornissen
Leerstoornissen in de kindertijd zijn een voorspeller van ernstige emotionele en/of
gedragsproblemen in de adolescentie. Een mogelijke verklaring hiervoor kan ‘learned
helplessness’ zijn = herhaalde stress, herhaald falen.
Primaire leerstoornis: één factor in de cognitieve ontwikkeling lijkt verantwoordelijk
voor leerproblemen. Als reactie op voortdurend falen kunnen emotionele problemen
ontstaan.
Secundaire leerstoornis: leerproblemen bij kinderen met ernstige
ontwikkelingsstoornissen, emotionele- of gedragsproblemen.
Conclusie: breder perspectief met ruimere interpretatie (veel factoren van invloed)
Hoofdstuk 6
Er zijn voor diagnoses verschillende mensen nodig
Psycholoog: onderzoekt cognitief niveau, cognitieve stijl en cognitieve stoornissen
Psycholoog: onderzoekt het emotioneel gedragsmatig, sociaal functioneren, psychosociaal
disfunctioneren en psychiatrische stoornissen
Remedial teacher: kijkt taakanalystisch naar schoolse vaardigheden