Voorbereiden
Begin heb ik samengevat, daarna niet meer dus dat moet je tijdens leren nog even doorlezen maar ik
denk dat het belangrijkste bij het PR al wordt behandeld!
H57 p. 527-529
Dit is ook deel van voorbereiding WC5 virologie dus ik heb dat daarbij geplakt en wat aangepast dus
beter lees je dat
Envelop virussen kunnen geinactiveerd worden door een lipide oplosser zoals zeep achtig.
Virussen zijn gevoelig voor ultraviolet en gamma bestraling. Retrovirussen minder door hun diploide
genoom!
Envelop virussen kunnen slechter tegen hitte dan degene zonder envelop
Vermeerdering van virussen, daarvoor heb je levende cellen nodig. Je gaat een weefselculuur maken
om virussen in lab te vermeerderen.
Explant cultures = deel van weefsel
Cell culture = losse cellen, deze cultuur moet genoeg voedingsstoffen hebben, isotoon zijn en
fysiololosche pH hebben (bicarbonaat buffer!). Exposure aan lucht geeft stijging in pH dus beter
afsluiten
Je hebt celculturen die primair, semi-continueus of continueus zijn.
- Bij primair haal je uit het dier, maar afhankelijk van de levensduur van het dier waarvan de
cellen afkomstig zijn, sterven de cellen weer.
Voor de isolatie van een virus kan je het best priamire cellijnen van target tissue van het virus uit een
erg vatbaar diersoort voor dat virus halen.
,Virussen kan je ook laten groeien in cellen afkomstig van niet target tissue.
- Cellen van semi-continueus of diploide cellijnen zijn meestal van fibroblasten en kunnen
meerdere passages overleven = wanneer je de primaire celcultuur overpaatst op nieuwe
stofjes, nieuwe monolayers.
- Continueize cellijnen komt van normaal of neoplastisch weefsel en kunnen onbeperkt
passage doen. Heteroploide cellijnen. De cellen hebben abnormaal aantal chromosomen.
Detectie van virussen in celcultuur kan door met lichtmicroscoop te kijken naar schade van cellen =
cytopathic effect (CPE): verandering in celvorm, cel detachment, syncytium, de aanwezigheid van
inclusion bodies, celdood. Inclusion bodies are aggregates of virus particles or virus-induced proteins
or special structures characteristic of infection by viruses either in the cytoplasm or the nucleus.
Je kan ook staining doen, vooral van inclusion bodies.
Over inclusion bodies:
Intracytoplasmisch:
- Poxvirussen
- Reovirussen
- Rabies
- Paramyxovirussen
Intranucleair:
- Adenovirus
- Herpesvirus
- Parvovirus
Sommige zoals canine distemper virus hebben beide.
Non-cytopathic virussen hebben ander methode van detectie nodig.
Syncytia:
- Lentivirussen
- Paramyxovirussen
- Sommuge herpes virussen
Haemadsorptie (binding van ery's aan opp geinfecteerde cellen door virussen die erys kunnen
klonteren = haemagglutinatie) op plekken van virion budding:
- Orthomyxovirussen
- Paramyxovirus
- Togavirus
Serologische testen kan ook. Antilichaam gebruiken.
Neutralisatietest met antilichamen die cytopathische effecten blokkeren, hiermee kan je ook
virustype bepalen.
Embryo eitjes worden vaak gebruikt voor virus isolatie door er een virus in de spuiten. H59 p. 541-
545
Gedaan voor WC5 virologie
,p. 546 serum neutralization test
Aantek
Zie uitgeprinte bladen!!
Opdracht 1:
,