Hoofdstuk 8: Formeel strafrecht - De strafprocedure (opsporing,
vervolging en berechting)
Samenvatting:
Er vindt eerst een opsporingsonderzoek plaats. Daarna zal de officier van
justitie beslissen of er ook tot vervolging wordt overgegaan. Indien dit het
geval is, dan zal uiteindelijk de zaak aan een rechter ter berechting worden
voorgelegd. Indien de rechter de verdachte schuldig acht en hem een straf
oplegt, zal ten slotte de executie van de straf plaatsvinden.
Opsporing I: Opsporing II: Onderzoek ter
Tenuitvoerlegging
Onderzoek naar Voorlopige terechtzitting en sanctie
feiten en omstan- hechtenis eindoordeel
digheden
OvJ beslist OvJ beslist
over wel/niet over wel/niet
vervolgen vervolgen
Voorbereidend onderzoek Berechting
T.u.I.
Voorbereidend onderzoek:
Het onderzoek dat aan de berechting voorafgaat.
Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek zal dan een besluit
moeten worden genomen.
Voordat de strafrechter in Nederland een strafzaak gaat berechten,
vindt er eerst een feitenonderzoek plaats door zogenoemde
opsporingsambtenaren (dus ook de officier van justitie) of
onderzoeksrechters.
De opsporing:
Het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de
officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen (art. 132a Sv).
In het geval dat wordt vermoed dat personen zich in een zekere fase
voorafgaand aan het ‘daadwerkelijk’ begaan van een ernstig misdrijf
bevinden, kan opsporing zelf voor het plegen van strafbare feiten
plaatsvinden.
Onderzoek door de rechter-commissaris:
Indien daar aanleiding toe bestaat, kan de OvJ vorderen dat
onderzoek wordt verricht door de rechter-commissaris.
, In elk voorbereidend onderzoek worden dus handelingen verricht
door een OvJ, maar niet altijd door een rechter-commissaris.
De reden dat een OvJ een onderzoekshandeling vordert, is gelegen
in het feit dat de rechter-commissaris is sommige gevallen meer
bevoegdheden heeft tot het doen van bepaald onderzoek dan de
OvJ.
Van groot belang is dat beide onderzoeken aan de berechting
voorafgaan.
De handelingen moeten worden verricht met het oog op de
opsporing van het strafbare feit.
De rechter-commissaris houdt ook toezicht op het goede verloop
van het onderzoek en de voortvarendheid daarvan.
De wet maakt onderscheid tussen:
Algemene opsporingsambtenaren (art. 141 sub a en b Sv):
De officieren van justitie;
De opsporingsambtenaren van politie;
De hulpofficieren van justitie (een tussencategorie met meer
bevoegdheden dan de normale opsporingsambtenaar, maar
minder dan de OvJ);
Officieren en onderofficieren van de Koninklijke Marechaussee en
de door de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van
Defensie aangewezen andere militairen van dit wapen (is vooral
betrokken bij opsporing op en rond de Nederlandse
landsgrenzen).
Bijzondere opsporingsambtenaren (art. 142 lid 1 Sv):
Opsporingsambtenaren van de Belastingdienst;
Gemeentelijke toezichthouders;
Boswachters;
Minister van Financiën;
Minister van Infrastructuur en Milieu;
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Verbaliseren:
Alle ambtenaren die zich bezighouden met opsporing zijn verplicht
hun bevindingen z.s.m. op te schrijven.
Dit proces-verbaal moet op ambtseed worden opgemaakt,
gedateerd en ondertekend.
De ambtenaar moet tot slot zijn ‘redenen van wetenschap’
aantonen.
Deze stukken kunnen als bewijs worden gebruikt.
Reactief rechercheren:
Het onderzoeken van feiten naar aanleiding van een bepaald
gebeurtenis (bijv. te hard rijdende auto’s die van de weg worden
gehaald).
Proactief rechercheren:
Bij deze vorm van opsporing tracht men op enige manier informatie
te verzamelen over strafbare feiten die nog moeten worden begaan
(bijv. het verzamelen van informatie omtrent een groot aantal
inbraken in een bepaalde buurt).
Opsporingsbevoegdheden:
vervolging en berechting)
Samenvatting:
Er vindt eerst een opsporingsonderzoek plaats. Daarna zal de officier van
justitie beslissen of er ook tot vervolging wordt overgegaan. Indien dit het
geval is, dan zal uiteindelijk de zaak aan een rechter ter berechting worden
voorgelegd. Indien de rechter de verdachte schuldig acht en hem een straf
oplegt, zal ten slotte de executie van de straf plaatsvinden.
Opsporing I: Opsporing II: Onderzoek ter
Tenuitvoerlegging
Onderzoek naar Voorlopige terechtzitting en sanctie
feiten en omstan- hechtenis eindoordeel
digheden
OvJ beslist OvJ beslist
over wel/niet over wel/niet
vervolgen vervolgen
Voorbereidend onderzoek Berechting
T.u.I.
Voorbereidend onderzoek:
Het onderzoek dat aan de berechting voorafgaat.
Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek zal dan een besluit
moeten worden genomen.
Voordat de strafrechter in Nederland een strafzaak gaat berechten,
vindt er eerst een feitenonderzoek plaats door zogenoemde
opsporingsambtenaren (dus ook de officier van justitie) of
onderzoeksrechters.
De opsporing:
Het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de
officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke
beslissingen (art. 132a Sv).
In het geval dat wordt vermoed dat personen zich in een zekere fase
voorafgaand aan het ‘daadwerkelijk’ begaan van een ernstig misdrijf
bevinden, kan opsporing zelf voor het plegen van strafbare feiten
plaatsvinden.
Onderzoek door de rechter-commissaris:
Indien daar aanleiding toe bestaat, kan de OvJ vorderen dat
onderzoek wordt verricht door de rechter-commissaris.
, In elk voorbereidend onderzoek worden dus handelingen verricht
door een OvJ, maar niet altijd door een rechter-commissaris.
De reden dat een OvJ een onderzoekshandeling vordert, is gelegen
in het feit dat de rechter-commissaris is sommige gevallen meer
bevoegdheden heeft tot het doen van bepaald onderzoek dan de
OvJ.
Van groot belang is dat beide onderzoeken aan de berechting
voorafgaan.
De handelingen moeten worden verricht met het oog op de
opsporing van het strafbare feit.
De rechter-commissaris houdt ook toezicht op het goede verloop
van het onderzoek en de voortvarendheid daarvan.
De wet maakt onderscheid tussen:
Algemene opsporingsambtenaren (art. 141 sub a en b Sv):
De officieren van justitie;
De opsporingsambtenaren van politie;
De hulpofficieren van justitie (een tussencategorie met meer
bevoegdheden dan de normale opsporingsambtenaar, maar
minder dan de OvJ);
Officieren en onderofficieren van de Koninklijke Marechaussee en
de door de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van
Defensie aangewezen andere militairen van dit wapen (is vooral
betrokken bij opsporing op en rond de Nederlandse
landsgrenzen).
Bijzondere opsporingsambtenaren (art. 142 lid 1 Sv):
Opsporingsambtenaren van de Belastingdienst;
Gemeentelijke toezichthouders;
Boswachters;
Minister van Financiën;
Minister van Infrastructuur en Milieu;
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Verbaliseren:
Alle ambtenaren die zich bezighouden met opsporing zijn verplicht
hun bevindingen z.s.m. op te schrijven.
Dit proces-verbaal moet op ambtseed worden opgemaakt,
gedateerd en ondertekend.
De ambtenaar moet tot slot zijn ‘redenen van wetenschap’
aantonen.
Deze stukken kunnen als bewijs worden gebruikt.
Reactief rechercheren:
Het onderzoeken van feiten naar aanleiding van een bepaald
gebeurtenis (bijv. te hard rijdende auto’s die van de weg worden
gehaald).
Proactief rechercheren:
Bij deze vorm van opsporing tracht men op enige manier informatie
te verzamelen over strafbare feiten die nog moeten worden begaan
(bijv. het verzamelen van informatie omtrent een groot aantal
inbraken in een bepaalde buurt).
Opsporingsbevoegdheden: