11.1
De begrippen:
- Politieke institutie
- Staatsvorming
- Poldermodel
- Ideologie
- Verhoudingen
- Macht
- Samenwerking
Prinsjesdag is een politieke institutie ( complex van min of meer geformaliseerde regels die
het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefeningen en
politieke besluitvorming reguleren)
Macht: Het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken
en de handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.
Samenwerking: het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun
handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.
Verhouding: verwijst naar de wijze waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en tot
elkaar verhouden en de manier waarop samenlevingen in sociale zin vorm geven aan deze
verschillen.
Ideologie: jou denkbeeld waaruit standpunten ontstaan
Poldermodel: is de naam die gegeven wordt aan het Nederlandse consensusmodel waarin
werkgevers, vakbonden en overheid met elkaar aan tafel gaan zitten om te onderhandelen
over arbeidsvoorwaarden en lonen.
Staatsvorming: de institutionalisering van politieke macht tot een staat.
Actoren
1. Regering ( koning + ministers )
2. Staten-Generaal ( 1e kamer + 2e kamer )
3. Kabinet ( ministers + staatssecretarissen )
Prinsjesdag
- Derde dinsdag van september
- Koning leest de troonrede
- Miljoenennota
- Troonrede gebaseerd op regeerakkoord
- Regering, Staten-Generaal, Kabinet
11.2
Begrippen:
- Cultuur
- Ideologie
Cultuur: het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die
mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven.
Ideologie: kijk 1.1
, Verschillende dimensies
- Links - Rechts: klassiek gezien gaat dit over de vraag hoeveel de overheid zich moet bemoeien met
de economie
- Progressief - conservatief: dit gaat vooral over moraal en dan met name de vraag hoeveel vrijheid
mensen hebben in ethische kwesties. ‘ vooruit willen ‘
- Nationalisme - internationalisme: dit gaat vooral over de rol van een land in de wereld, is het meer
op binnenland of buitenland gericht
- Materialisme - postmaterialisme: deze dimensie toont vooral verschil tussen mensen die meer
gericht zijn op tastbare zaken rondom de economie en defensie en anderen die meer abstracte
zaken als milieu en sociaal onrecht bestrijden
ideologie gaat over de volgende deelonderwerpen
- Politiek: hoe moet de macht verdeeld worden?
- Economie: hoe moeten goederen geproduceerd worden en gedistribueerd (verdeeld) worden?
- Cultuur: hoeveel vrijheid ten opzichte van de overheid mogen mensen hebben?
Communisme Socialisme Liberalisme Conservatisme Fascisme
LINKS MIDDEN RECHTS
Communisme en facisme zijn extreem dit betekent dat ze maatregels willen gebruiken niet buiten de
regels vallen om hun ideaal te bereiken
Socialisme: gelijkwaardigheid en een sterke/sturende rol van de overheid om dit te kunnen
realiseren
^^ PvdA, GroenLinks, PvdD, 50plus, Denk
Liberalisme: individuele rechten en individuele vrijheden
^^ VVD en D66
Confessionalisme: christelijke waarden, harmonie en samenwerking, aanvullende rol van overheid
^^ CDA, CU, SGP
Blz 14 doorlezen!
11.3
Begrippen
- Macht
- Gezag
Macht: het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de
handelingsmogelijkheid van anderen te beperken of te vergroten
gezag: macht die als legitiem beschouwd wordt
VB: docent op school/ politie- agent op straat
Politieke actoren met macht
1. Eerste macht / parlement
2. Tweede macht / kabinet
3. Derde macht / rechters
4. Vierde macht / ambtenaren
5. Vijfde macht / massamedia
6. Zesde macht / externe adviseurs