Blok 3: Ontwikkeling van het kind (psychologie)
Hoorcollege 1: Inleiding en lichamelijke groei
Leeftijdsfasen
Prenataal (voor de geboorte)
Baby (0-2 jaar)
Peuter (2-4 jaar)
Kleuter (4-6 jaar)
Schoolkind (6-12 jaar)
Adolescent (12-23 jaar)
Ontwikkelingsgebieden
Motorische ontwikkeling Hoe je beweegt en groeit
- Grove motoriek: grote bewegingen zoals lopen, rennen en springen
- Fijne motoriek: kleine, precieze bewegingen zoals schrijven tekenen
en het vastpakken van voorwerpen
- Zintuigen: de ontwikkeling van waarneming via de zintuigen, zoals
zien, horen, voelen, ruiken en proeven
Cognitieve ontwikkeling Hoe je leert, denkt en onthoudt
- Waarnemen, verwerken, onthouden en terughalen: Het vermogen
om informatie op te nemen, te interpreteren, te onthouden en
later weer op te roepen.
- Taalontwikkeling: Het leren begrijpen en gebruiken van taal,
zowel gesproken als geschreven.
- Creativiteit: Het vermogen om nieuwe ideeën en oplossingen te
bedenken.
Sociale ontwikkeling Beleving van jezelf in een wereld met andere
- Emotionele ontwikkeling: Het herkennen, begrijpen en reguleren
van emoties, zowel bij jezelf als bij anderen.
- Morele ontwikkeling: Het ontwikkelen van een gevoel voor goed
en kwaad en het naleven van normen en waarden.
- Identiteitsontwikkeling: Het vormen van een eigen identiteit en
zelfbeeld in relatie tot anderen.
Nurture vs. Nature (2 vragen: 1 kennis, 1 inzicht)
,Blok 3: Ontwikkeling van het kind (psychologie)
Wat betekent Nature vs. Nurture?
Nature = Alles wat je van nature meekrijgt via je genen. (Bijv. je
oogkleur, talent voor muziek, aanleg voor een hoog IQ).
Nurture = Alles wat je leert door je omgeving. (Bijv. opvoeding, school,
cultuur, vrienden).
De grote vraag is: Wat bepaalt wie je wordt? Je genen of je
omgeving?
Genen en gedrag
- Genen bepalen een basis, maar evolutie heeft ervoor gezorgd dat
deze genen nuttig zijn voor overleving.
- Darwin en natuurlijke selectie: Eigenschappen die handig zijn
voor overleving worden van generatie op generatie doorgegeven.
Wat is het verschil tussen genotype en fenotype?
Genotype = Jouw DNA, de genetische code die je van je ouders krijgt.
Fenotype = Wat je in de praktijk ziet: je uiterlijke kenmerken en gedrag
- Je fenotype wordt beïnvloed door zowel je genen (nature) als je
omgeving (nurture)
- Voorbeeld: Je hebt de genen om lang te worden (genotype), maar als
je slecht eet tijdens je jeugd, blijf je klein (fenotype)
Bekijk het zo de genen zijn de ingrediënten en de omgeving (nurture) zijn
is de oven, je hebt beide nodig om een cake te bakken.
Van Genotype naar Fenotype
Multi-factoriele overerving: betekent dat je genotype een soort
marge of basis vormt, maar je omgeving bepaalt hoe je
eigenschappen zich verder ontwikkelen (je fenotype). Dit betekent
dat je genen mogelijkheden geven, maar de omgeving bepaalt hoe
deze mogelijkheden eruitkomen.
Genotype-omgevingseffecten
,Blok 3: Ontwikkeling van het kind (psychologie)
Je genen en je omgeving beïnvloeden elkaar op verschillende manieren:
Actief: Je zoekt een omgeving die bij je genen past.
Bijv. Een extravert kind, dat van nature sociaal is, zoekt zelf vaker feestjes
op. Het kiest dus een omgeving die goed bij zijn of haar genen past.
Passief: Je ouders creëren een omgeving die past bij hun genen.
Bijv. Als de ouders sportief zijn (en dus sportieve genen hebben), zullen ze
waarschijnlijk hun kind eerder inschrijven voor sportactiviteiten zoals
voetbal, omdat ze dat zelf belangrijk vinden.
Evocatief: Je genen roepen een reactie op van anderen.
Bijv. Een extravert kind wordt vaak uitgenodigd voor feestjes omdat het
gedrag van het kind (bijvoorbeeld enthousiast en sociaal zijn) ervoor zorgt
dat anderen hen uitnodigen.
Intelligentie:
- Genen beïnvloeden je IQ, maar de invloed van je genen wordt
groter naarmate je ouder wordt.
- Je omgeving (zoals onderwijs) heeft ook een grote invloed op je IQ.
Persoonlijkheid:
- Extraversie en neuroticisme (gevoelig zijn voor negatieve
emoties) hebben een genetische invloed.
- Je omgeving (bijvoorbeeld je opvoeding) heeft ook invloed op hoe
je persoonlijkheid zich ontwikkelt.
Big five (Ocean)
Openheid vs. geslotenheid
Consciëntieusheid vs. ongeorganiseerdheid
Extraversie vs. Introversie
Aangenaam vs. ongemakkelijk in de omgang
Neuroticisme vs. emotionele stabiliteit
Lichamelijke groei
, Blok 3: Ontwikkeling van het kind (psychologie)
Motorische ontwikkeling
Reflexen een aangeboren, gestructureerde, onvrijwillige, automatische
responsen (reactie) die optreden in de aanwezigheid van bepaalde stimuli
(prikkels). Sommige reflexen blijven het hele leven zoals pupilreflectie,
ooglidreflectie andere verdwijnen in 1e levensjaar
Het is een basis voor latere meer complexe gedragspatronen
De reacties van de baby’s zijn te zwak, te sterk of te lang aanwezig.
Als dat het geval is dan is het mogelijk neurologische schade (bijv.
syndroom van down)
Hoorcollege 1: Inleiding en lichamelijke groei
Leeftijdsfasen
Prenataal (voor de geboorte)
Baby (0-2 jaar)
Peuter (2-4 jaar)
Kleuter (4-6 jaar)
Schoolkind (6-12 jaar)
Adolescent (12-23 jaar)
Ontwikkelingsgebieden
Motorische ontwikkeling Hoe je beweegt en groeit
- Grove motoriek: grote bewegingen zoals lopen, rennen en springen
- Fijne motoriek: kleine, precieze bewegingen zoals schrijven tekenen
en het vastpakken van voorwerpen
- Zintuigen: de ontwikkeling van waarneming via de zintuigen, zoals
zien, horen, voelen, ruiken en proeven
Cognitieve ontwikkeling Hoe je leert, denkt en onthoudt
- Waarnemen, verwerken, onthouden en terughalen: Het vermogen
om informatie op te nemen, te interpreteren, te onthouden en
later weer op te roepen.
- Taalontwikkeling: Het leren begrijpen en gebruiken van taal,
zowel gesproken als geschreven.
- Creativiteit: Het vermogen om nieuwe ideeën en oplossingen te
bedenken.
Sociale ontwikkeling Beleving van jezelf in een wereld met andere
- Emotionele ontwikkeling: Het herkennen, begrijpen en reguleren
van emoties, zowel bij jezelf als bij anderen.
- Morele ontwikkeling: Het ontwikkelen van een gevoel voor goed
en kwaad en het naleven van normen en waarden.
- Identiteitsontwikkeling: Het vormen van een eigen identiteit en
zelfbeeld in relatie tot anderen.
Nurture vs. Nature (2 vragen: 1 kennis, 1 inzicht)
,Blok 3: Ontwikkeling van het kind (psychologie)
Wat betekent Nature vs. Nurture?
Nature = Alles wat je van nature meekrijgt via je genen. (Bijv. je
oogkleur, talent voor muziek, aanleg voor een hoog IQ).
Nurture = Alles wat je leert door je omgeving. (Bijv. opvoeding, school,
cultuur, vrienden).
De grote vraag is: Wat bepaalt wie je wordt? Je genen of je
omgeving?
Genen en gedrag
- Genen bepalen een basis, maar evolutie heeft ervoor gezorgd dat
deze genen nuttig zijn voor overleving.
- Darwin en natuurlijke selectie: Eigenschappen die handig zijn
voor overleving worden van generatie op generatie doorgegeven.
Wat is het verschil tussen genotype en fenotype?
Genotype = Jouw DNA, de genetische code die je van je ouders krijgt.
Fenotype = Wat je in de praktijk ziet: je uiterlijke kenmerken en gedrag
- Je fenotype wordt beïnvloed door zowel je genen (nature) als je
omgeving (nurture)
- Voorbeeld: Je hebt de genen om lang te worden (genotype), maar als
je slecht eet tijdens je jeugd, blijf je klein (fenotype)
Bekijk het zo de genen zijn de ingrediënten en de omgeving (nurture) zijn
is de oven, je hebt beide nodig om een cake te bakken.
Van Genotype naar Fenotype
Multi-factoriele overerving: betekent dat je genotype een soort
marge of basis vormt, maar je omgeving bepaalt hoe je
eigenschappen zich verder ontwikkelen (je fenotype). Dit betekent
dat je genen mogelijkheden geven, maar de omgeving bepaalt hoe
deze mogelijkheden eruitkomen.
Genotype-omgevingseffecten
,Blok 3: Ontwikkeling van het kind (psychologie)
Je genen en je omgeving beïnvloeden elkaar op verschillende manieren:
Actief: Je zoekt een omgeving die bij je genen past.
Bijv. Een extravert kind, dat van nature sociaal is, zoekt zelf vaker feestjes
op. Het kiest dus een omgeving die goed bij zijn of haar genen past.
Passief: Je ouders creëren een omgeving die past bij hun genen.
Bijv. Als de ouders sportief zijn (en dus sportieve genen hebben), zullen ze
waarschijnlijk hun kind eerder inschrijven voor sportactiviteiten zoals
voetbal, omdat ze dat zelf belangrijk vinden.
Evocatief: Je genen roepen een reactie op van anderen.
Bijv. Een extravert kind wordt vaak uitgenodigd voor feestjes omdat het
gedrag van het kind (bijvoorbeeld enthousiast en sociaal zijn) ervoor zorgt
dat anderen hen uitnodigen.
Intelligentie:
- Genen beïnvloeden je IQ, maar de invloed van je genen wordt
groter naarmate je ouder wordt.
- Je omgeving (zoals onderwijs) heeft ook een grote invloed op je IQ.
Persoonlijkheid:
- Extraversie en neuroticisme (gevoelig zijn voor negatieve
emoties) hebben een genetische invloed.
- Je omgeving (bijvoorbeeld je opvoeding) heeft ook invloed op hoe
je persoonlijkheid zich ontwikkelt.
Big five (Ocean)
Openheid vs. geslotenheid
Consciëntieusheid vs. ongeorganiseerdheid
Extraversie vs. Introversie
Aangenaam vs. ongemakkelijk in de omgang
Neuroticisme vs. emotionele stabiliteit
Lichamelijke groei
, Blok 3: Ontwikkeling van het kind (psychologie)
Motorische ontwikkeling
Reflexen een aangeboren, gestructureerde, onvrijwillige, automatische
responsen (reactie) die optreden in de aanwezigheid van bepaalde stimuli
(prikkels). Sommige reflexen blijven het hele leven zoals pupilreflectie,
ooglidreflectie andere verdwijnen in 1e levensjaar
Het is een basis voor latere meer complexe gedragspatronen
De reacties van de baby’s zijn te zwak, te sterk of te lang aanwezig.
Als dat het geval is dan is het mogelijk neurologische schade (bijv.
syndroom van down)