Werkwoordspelling
Check in welke tijd de zin en dus het werkwoord staat:
1. Is het ww gebruikt als bijvoeglijk naamwoord?
2. Staat het ww in de tegenwoordige tijd?
3. Staat het ww in de verleden tijd?
4. Is het ww een voltooid deelwoord?
Bijvoeglijk naamwoord
Zegt iets over het zelfstandig naamwoord de vergrote tafel. (Vergrote zegt iets
over de tafel)
Je schrijft het bijvoeglijk naamwoord zo kort mogelijk met zo min mogelijk letters.
! de uitspraak moet nog wel kloppen, uitzondering bijvoorbeeld: de verhitte olie !
Tegenwoordige tijd
Uitzonderingen op de regels:
1. Willen: hij wil, zij wil (hij wilT kan niet)
Jij wil / jij wilt is beide goed
2. Je schrijft de ik-vorm als het woord je direct achter de persoonsvorm staat
en je je kunt vervangen door jij. Je moet dus het onderwerp zijn.
Als je de betekenis is van jou (meewerkend voorwerp) schrijf je de ik-vorm
+ -t
Onderwerp Persoonsvorm Voorbeeld
Ik (enkelvoud, 1e persoon) Ik-vorm Ik vind
Je/jij/u (enkelvoud, 2e Ik-vorm + t Jij/u vindt
persoon) Vind jij / vindt u?
Hij/zij/het (enkelvoud, 3e Ik-vorm + t Hij/zij/het vindt
persoon)
We/wij (meervoud, 1e Hele werkwoord Wij vinden
persoon)
Jullie (enkelvoud, 2e persoon) Hele werkwoord Jullie vinden
Ze/zij (enkelvoud, 3e persoon) Hele werkwoord Zij vinden
Tip: vervang het werkwoord door loop / loopt om te kijken of er een -t hoort.
Verleden tijd
Staat het werkwoord in de verleden tijd, dan gebruiken we (x) ’t kofschip.
Je kijkt naar het hele werkwoord – en om te kijken of de laatste letter in het
kofschip staat.
Stam - en = WEL in kofschip = stam + te (ev.) + ten (mv.)
Stam - en = NIET in kofschip = stam + de (ev.) + den (mv.)
! NOOIT -dt in de verleden tijd !
Voorbeeld: beloven = belov = WEL kofschip = beloofde
,