Sociologie: kijken naar de context waarin iets gebeurd. De studie van de samenleving.
Niet heel ver terug in de tijd. Gericht op het heden en de nabije verleden (anders dan Geschiedenis).
Westerse en geïndustrialiseerde samenleving (anders dan Antropologie). Onderzoekt
samenlevingsverbanden die mensen met elkaar vormen (anders dan Psychologie).
Aandachtsgebieden sociologie zijn bijvoorbeeld arbeid, economie, godsdienst, onderwijs, cultuur of
het leven in de stad, etc.
Wat voor soort vragen stellen sociologen zich? 4 hoofdvragen:
1. Sociale orde/cohesie: wat houdt de samenleving bij elkaar?
2. Waar komt ongelijkheid vandaan? Hoe kun je de ongelijkheid begrijpen? Hoe kan die binnen
het systeem blijven bestaan? Hoe worden schaarse en begeerde zaken verdeeld?
3. Rationalisering/modernisering: hoe kan het dat rationaliseringsprocessen zich in
verschillende mate hebben voltrokken in verschillende samenlevingen?
4. Hoe moet je de ontwikkeling van het individu/identiteit begrijpen binnen maatschappelijke
verhoudingen? Wat doet dat met de poppetjes/groepen in de samenleving? Processen
binnen de samenleving die veranderen over de tijd. Hoe kun je dat begrijpen?
De wortels van de sociologie zitten in de 18e eeuw. Vanaf dan is de sociologie een zelfstandige
wetenschap. De volgende veranderingen kwam tot stand:
- Verval feodale structuren
- Landbouw, boerenbestaan
- Industriële revolutie
- Centralisering en bureaucratisering overheidsapparaat.
De bestaande sociale orde die zijn niet langer vanzelfsprekend. Die veranderingen gingen langzaam,
dus niet van de een op andere dag.
Renaissance (15e – 16e eeuw) ontdekking nieuwe werelddelen, zon is kern van het heelal.
Reformatie (16e eeuw) scheuren in katholocisme: calvinisme en protestantisme Meer eigen
ruimte. Meer oog voor de mogelijkheden van het individu.
Verlichting (17e - 18e eeuw) Geloof in de vooruitgang, de wetenschap en een maakbare
samenleving.
BMI = Body mass index. = de Queteletindex.
Adolphe Quetelet: is een van de eerste socioloog die interesse toonde in de statistiek. Hij zocht naar
de ‘gemiddelde mens’. Belangstelling voor empirie, belangstelling voor samenhang. Opsporen van
regelmaten in wat mensen doen.
Tegenverlichting: gaf commentaar op de Verlichting. Redelijk handelen zouden tot egoïsme leiden.
Religie nodig als moreel kompas in plaats van de rede. Niet iedereen heeft dezelfde kansen: hoe zit
het dan met de omstandheden waarin het individu leeft?
,Auguste Comte: heeft de sociologie letterlijk op de kaart gezet. Bracht systeem aan. Vroeg zich af hoe
er weer een maatschappelijke orde tot stand kan worden gebracht na de Franse Revolutie:
hoofdvraag 1 – sociale orde/cohesie. Stond in verlengde van de Verlichting: de wetenschap.
Durkheim: wat houdt de samenleving bij elkaar? Maakte onderscheid tussen verschillende vormen
van solidariteit:
- Mechanische solidariteit: mensen lijken op elkaar. Gewone mens werkten allemaal op het
platteland, hadden allemaal gezin, hadden allemaal een hutje. Behalve de halve procent die
vorst was. Simpele samenleving met allemaal dezelfde rollen.
- Organische solidariteit: complexer. Industrialisatie. Meer rollen en ingewikkelder om daar je
weg in te vinden. Steden. Complementariteit van toenemende specialisatie.
Anomische arbeidsdeling: het ontbreken van normen die samenwerking tussen die specialismen
reguleert. Als iedereen eigen taken heeft. We voelen ons niet meer betrokken bij wat de ander
doet. We verliezen het overzicht. De verbondenheid valt uit elkaar. Loskoppelen met de
gemeenschap = normloosheid. onderzoek naar zelfmoord. Anomische zelfmoord = mensen
weten hun plaats niet meer in de samenleving. Het losraken van de morele ankers van de
samenleving. Losgeslagen van hun ankers, dus zelfmoord. Suïcide had relatie met mate van
cohesie.
Saint-Simon bedacht een aantal termen:
- Industrialisme = geen onderdanen meer, maar medewerkers. De nieuwe samenleving is
gebaseerd op wetenschap en industrie.
- Positivisme = waarneembare feiten als basis voor verklaringen voor hoe de wereld in elkaar
zit in plaats van metafysische/religieuze veklaringen.
Comte bouwt idee van positivisme verder uit op de sociale wetenschap. Hij bedacht de wet van 3
stadia over de ontwikkeling van het menselijk denken:
1. Theologisch stadium verklaringe gezocht in het bovennatuurlijk
2. Metafysisch stadium bovennatuurlijke verklaringen over uiteindelijke oorsprong of de
‘bedoeling’ van de mens.
3. Wetenschap (positieve stadium) Op zoek naar regelmaat en wetmatigheden, zoals in de
natuurwetenschappen.
Rangorde van wetenschappen: sociologie als sluitstuk voor de positieve wetenschappen.
Comte ziet het als zijn taak om een programma voor die postieve wetenschappen te formuleren ->
sociologie.
Taak: doorgronden en formuleren van de sociale werkelijkheid:
- Wetten over orde
- Wetten over maatschappelijke vooruitgang
Het contingente en het arbitraire = mensen maken hun eigen geschiedenis. Besef dat de organisatie
van de samenleving niet langer op het conto geschreven kan worden van goddelijke wil of een
natuurlijke oorzaak. Er is variatie. Contingentie: niets is noodzakelijk of onmogelijk. Het had anders
,kunnen zijn dan het nu is. Hier is het zo, maar daar, aan de andere kant van de berg, is het anders.
Maar het contingente is niet arbitrair: dat het zo is als het is, is geen toeval. Er zijn fenomenen en dat
verschilt in samenleving A en in samenleving B.
Murdock heeft het huwelijk in verschillende samenlevingen onderzocht.
Groep = neutraal. Gemeenschap = je deelt bijvoorbeeld normen en waarden. Samenleving = ook een
locatie op de kaart. Geografische eenheid. Ook een politieke/religieuze/economische eenheid. Je als
eenheid voelen.
Taken van de socioloog. Wat is het verschil tussen sociologie en ‘common sense’.
Wat is het verschil tussen een sociaal probleem en een sociologisch probleem?
Sociaal probleem is iets wat we in de samenleving een probleem is = normatief verschijnsel – waar
wij ons druk over maken. Een sociologisch probleem is een verschijnsel wat je probeert te
beschrijven en te verklaren. Een sociaal probleem kan overgaan in een sociologisch probleem.
Het ongewone in het bekende zien en het algemene in het bijzondere zien. Patronen ontdekken. =
denormaliseren. ‘willen we wel dat dat fenomeen normaal is?’ bijv.
De socioloog als cijferaar: empirische analytische, beleidsonderzoek. Hierbij wordt gebruik gemaakt
van politiestatistiek (dader en slachtoffer), enquêtes, interviews, observaties, experimenten. Veel
meer dan bijv. antropologen.
Socioloog als de mythejager: kritische functie. Verborgen werkelijkheid aan het licht brengen.
Bijvoorbeeld Karl Marx en Sigmund Freud:
- Marx: wil je de orde begrijpen waarin wij ons bevinden, dan moet je je afvragen wie de
macht heeft en wat het belang van de machthebber is. Het belang van de dominante klasse.
- Freud: veel van wat wij doen komt uit ons onbewuste.
Socioloog als levenskunstenaar: bijvoorbeeld Nietzsche Niet alleen beschrijven en verklaren. Het is
belangrijker om je af te vragen of het zingeeft. Of de mensen daar wel iets mee opschieten. Staat
haaks op de mythejager. De mens heeft behoefte aan mythes/verhalen. Narratieven = welke
verhalen mensen elkaar vertellen. Welke samenlevingen trekken welke verhalen aan. Verhaal heeft
ook als functie: verwoord een bepaalde gedeelde ervaring. Een cultureel stempel van een groep. Je
moet proberen die mythes te begrijpen. Als je deze begrijpt, begrijp je de mensen. (volgens
Nietschsze) Iets is juist ja/nee, belangrijker is de vraag of mensen er verder mee komen. Mensen
hebben hun mythes (en religie) nodig.
Houdingen van de socioloog:
- Belangstelling voor samenhang: de gift (Mauss). Er zit een hele economie achter het geven
van cadeautjes aan elkaar. Iemand geeft een cadeau, de ander accepteert het en moet in een
redelijk termijn iets evengroots teruggeven (reciprociteit en proportionaliteit). De ontvanger.
Zo kun je de hele samenleving uiteen pellen als een totaal sociaal verschijnsel.
- Afstandelijke betrokkenheid, engagement. Weber: wetenschap als roeping en specialisme.
Iemand die de samenleving een dienst wil bewijzen met zijn werk.
, - Durkheim die zei: heel belangrijk is dat de socioloog empirisch gezind is. Hij moet zich laten
leiden door wat sociale feiten zijn. Een open blik hebben. Niet uitgaan van bepaalde
stelregels. Hij vergelijkt dit met de economie: de economie vrijwel alle economen gaan uit
van de stelling homo economicus: de mens is een wezen die voortdurend een afweging
maakt. Als ik dit doe, dan gebeurt er dan. Verlies ik er meer mee of win ik er meer mee? Door
gebruik van deze harde stelregels (axioma’s) dan kun je er flink naast zitten.
- Respectvol: (Durkheim – respect voor sociaal verschijnsel) Durkheim: Religie is een ‘feit’, dat
is als ongelovige wetenschapper goed te bestuderen, zonder te volgen of af te keuren. Je
bent niet neutraal, maar wel dichtbij.
Weber: Verstehen en Entzauberung
Verstehen: meer dan begrijpen/verklaren. Ook aanvoelen vanuit de positie van degene die jij
onderzoekt (emmick?). Wat is het perspectief van binnenuit? In de huid kunnen kruipen van.
Wetenschap van het sociale handelen. De drijfveren van mensen doorgronden.
Sociaal handelen, wat ons stuurt:
- Doelrationeel (rationeel)
- Waarderationeel (sterven voor vaderland)
- Affectief (emotionele toestand)
- Traditioneel (tradities, gebruiken)
Entzauberung: ‘onttovering’. rationele verklaringen komen in plaats van andere verklaringen.
Modernisering = rationalisering zegt hij hiermee.
Sociaal constructivisme: mensen gaan niet per se uit van feiten, maar komen met elkaar tot nieuwe
perspectieven, ervaringen komen. Zo laten ze een nieuw verhaal ontstaan. Kan ook in afbeeldingen
worden uitgebeeld: afbeeldingen die typerend voor een bepaalde periode. Ook rituelen, schilderijen,
gebouwen, films, etc.
Gereedschap van de socioloog: theorie
- Sociologie onderzoek = empirie plus theorie
o Deductie (theorie als ‘ogen’ gebruiken) = dat je uitgaat van de theorie over een
bepaald onderwerp. Er bestaat al veel lectuur over. Dit en dit weten, maar dit ene
punt weten we nog niet. Toetsend onderzoek. Theorieën geven richting aan het
onderzoek door toetsingsvragen te stellen.
o Inductie (theorie als ‘bril’ gebruiken) = er is over een bepaald veld het nodige
geschreven, maar nu zelf naar dat fenomeen toegaan, daar onderzoek te gaan doen
en door daar onderzoek te gaan doen (kwalitatieve wijze) dan vind je uit hoe het in
elkaar steekt. Je laat de data tot jou spreken. Je gebruikt theorieën als ‘bril’:
onderzoek levert hypothesen op die input vormen voor theorieontwikkeling.
Hierdoor vallen je dingen op.
Kan in de sociologie allebei.
Theorie = gedachten waarmee we proberen verschijnselen te verklaren.