Wat is mijn doelstelling en wat mijn vraagstelling?
1.1
Empirisch onderzoek = Je stelt door waarneming vast wat er in de werkelijkheid afspeelt.
Probleem = Wat moet er onderzocht worden
Normatieve uitspraken = stellen van een probleem en het schetsen van een gewenste/ ideale situatie
Subjectief element = wanneer er een probleem is wat de ene partij als een probleem ziet en de
andere partij ziet dit niet als een probleem.
Probleemverheldering = dit is meestal nodig of wenselijk voordat er tot actie kan worden
overgegaan
Wanneer het probleem helder is kan er besloten worden om een onderzoek te laten uitvoeren om
antwoord te krijgen op de gestelde vragen. Wanneer directie of iemand anders besluit dat onderzoek
nodig is wordt er een onderzoeker ingeschakeld. De directeur of iemand anders wordt dan voor de
onderzoeker de opdrachtgever, diegene legt het probleem voor incl. verzamelde kennis.
Een empirisch onderzoek begint met de formulering van een onderzoeksdoelstelling en vraagstelling.
De vraagstelling krijg je van je opdrachtgever. Door deze meerder malen te herformuleren kom je op
een definitieve vraagstelling uit voor je onderzoek. De onderzoeksdoelstelling is het beantwoorden
van je vraagstelling. Een doel voor ogen hebben wat je met het onderzoek wilt bereiken.
De vraagstelling (centrale vraag) bestaat uit meerdere specifieke onderzoeksvragen (deelvragen). Het
doel van het opzetten van een onderzoek is in eerste instantie het verkrijgen van inzicht en in de
factoren die daarbij een rol spelen. In een onderzoek geef je aan wat voor gegevens je verzamelt, wie
wat doet met de informatie en wat je wilt bereiken met je informatie.
Relevantie van onderzoek = uit het onderzoek moet blijken waarom het zinvol, relevant en belangrijk
is om dit onderzoek uit te voeren. Ook moet er beschreven worden voor welke partij de informatie
relevant is.
Praktische relevantie = onderzoeksinformatie leidt tot verbeteringen in de praktijk
Theoretische relevantie = beoogt een bijdrage te leveren aan de toename van wetenschappelijke
kennis.
1.2
Drie belangrijke partijen die belang hebben bij het onderzoek zijn:
De onderzoeker
De opdrachtgever
De klanten/ werknemers
Respondent = iemand die deelneemt aan een marktonderzoek
Belangen van de respondenten en van de opdrachtgever kunnen geschaad worden door het
onderzoek.
, Gedragscode = deze wordt door beroepsorganisaties van onderzoekers opgesteld zodat
onderzoekers geen mededelingen kunnen doen aan derden zonder daar toestemming voor te
hebben.
Ethisch = als iets verband houdt met normen over wat goed en slecht is
Een onderzoeker heeft zich te houden aan de afspraken die zijn gemaakt met de respondent en met
de opdrachtgever. In het kort komt het erop neer dat een onderzoek ethisch verantwoord is
wanneer:
De respondent vrijwillig meewerkt
geen valse voorstelling van zaken wordt gegeven
de gegevens anoniem worden verwerkt
de uitkomsten geen nadelig effect voor de respondent hebben
Tegenover de opdrachtgever heeft de onderzoeker de plicht
Het onderzoek op een eerlijke en objectieve manier uit te voeren
geen gegevens aan derden te verstrekken als de opdrachtgever daar niet mee instemt
De onderzoeksmethoden van de onderzoeker worden geen eigendom van de opdrachtgever tenzij
anders is afgesproken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een onderzoeker een nieuwe
onderzoeksmethode heeft ontwikkeld om overlegstructuren zoals, vergaderingen, te analyseren en
die ook voor andere vergelijkbare onderzoeken wil gebruiken.
1.3
Wanneer het doel en de ethische verantwoordelijkheid is vastgesteld kan er verdergegaan worden
met de onderzoeksopzet. Hier ga je uit van het probleem wat gesteld is door de opdrachtgever en
door middel van onderzoek kom je bij antwoorden die een bijdrage kunnen leveren voor de
oplossing.
Onderzoeksvragen = vragen die je helpen bij het uitvoeren van je onderzoek
Een onderzoeksvraag wordt meestal niet in ene keer goed gekeurd. Er gaat een heel denkproces aan
vooraf zodat de onderzoeksvraag van globaal en vaag veranderd in een concretere en beter
uitvoerbardere vraag.
Oriënteren = Om iets te kunnen onderzoeken moet je je erin gaan verdiepen via collega's,
opdrachtgever, literatuur, internet etc.
Reductie vraagstelling = De meeste vraagstellingen zijn erg breed en roepen vragen op die niet
allemaal tegelijk beantwoord kunnen worden. Deze vragen worden onderverdeeld in specifieke
onderzoeksvragen.
Bij een onderzoek doen moet je tot een besluit komen samen met je opdrachtgever over welke
onderzoeksvragen er gesteld moeten worden. Voor dat het zo ver is moeten er een paar zaken
gecontroleerd worden.
Beleidsvragen = dit zijn de hoe - vragen. Hoe kunnen we .... Hoe kan ik ..... Met deze vragen moet je
oppassen. Ze geven nooit een directe oplossing.