Samenvatting Stam – Losing white privilege
Deze studie focust op het witte privilege van witte meiden van een MBO level 2 klas. Zij zijn in de
minderheid in de klas; de anderen hebben verschillende etnische achtergronden. Er wordt onderzocht of
het wit zijn functioneert als wit privilege en of het een ‘resource’ voor ze is. Een resource is iets wat ze nodig
hebben, bijvoorbeeld hulp of informatie van een leerkracht, om hun aspiraties te kunnen volbrengen. De
data komt van een tweejarige etnografische studie van een bepaalde school in Nederland.
In de Nederlandse geschiedenis zijn verschillende gebeurtenissen geweest wat betreft communicatie over
het ras. Tot aan de WOII was ras bijvoorbeeld een onderwerp in Nederlandse schoolboeken. In de jaren ‘70
ontstonden de begrippen autochtoon en allochtoon. Ook termen als ‘zwarte school’ en ‘witte vlucht’ waren
gewoon. In 2010 heerst er gemiddeld een witte minderheid in de 4 grootste steden van NL.
In NL is weinig onderzoek gedaan naar witte mensen en het wit zijn, vergeleken met het buitenland. In dit
onderzoek wordt de term ‘wit’ gebruikt en niet ‘blank’, omdat blank positief in plaats van neutraal geladen
is vanwege de associatie met schoon, kleurloos, eerlijk, etc. Ook heeft het associaties met de witte
heerschappij in het koloniale verleden.
Eerder onderzoek bij Amerikaanse studenten liet zien dat witte studenten meer positief gezien werden dan
zwarte studenten. Ook is gebleken dat wit privilege onderzocht moet worden in combinatie met andere
dimensies van identiteit, zoals sociale status. Daarom wordt in deze studie specifiek gekeken naar de
working class. De vraag is daarom ook: is witte privilege een beschikbare resource voor alle witte studenten
ongeacht hun sociale klasse en onderwijsachtergrond, of niet?
Vrouwelijke studenten zijn in dit Social & Health care programma (ouderenzorg) in de meerderheid. Dit
programma heeft een lage sociale status in de Nederlandse samenleving. Op de school zijn ongeveer 100
studenten, verdeeld over 4 klassen. Interviews werden afgenomen bij:
alle 16 witte vrouwelijke studenten van Nederlandse afkomst
acht vrouwelijke studenten van ander ras / etnische afkomst
10 schoolpersoneelleden: leerkrachten, directeur, sociaal werker en school administrator.
Data werd verzameld middels grounded theory. Daarnaast werden vier klaslokalen voor 2 dagen per week
geobserveerd, bij interviews, pauzes, activiteiten in de schoolkantine, personeelsvergaderingen,
stageplaatsingen en diploma-uitreikingen. Ook werden focusgroepen gehouden. Uit deze 3 vormen van
dataverzameling werden betekenis en gedrag van studenten en relevante contextfactoren gevonden.
De term ‘witte’ Nederlandse mensen wordt zo gebruikt, omdat de groep witte mensen niet per se een
groep is, maar je er meer verdelingen in kunt maken, zoals etniciteit, religie, taal, sociale status, etc.
De onderzoeker zelf is een zwarte vrouw van Haïtiaanse afkomst. Door haar leeftijd werd ze soms gezien als
een van de studenten. Voordelen daarvan waren dat ze een veilige sfeer creëerde voor de studenten om
persoonlijke verhalen te vertellen, voor ‘witte’ en ‘niet-witte’ studenten. Het geslacht hielp ook, omdat de
meeste studenten vrouwen waren. Een nadeel van dat ze gezien werd als student, was dat ze soms werd
betrokken bij conflicten tussen groepen studenten. Dan herinnerde ze de studenten weer aan haar
onderzoeker status.
Bij binnenkomst in een klaslokaal gaan studenten op basis van uiterlijke etnische afkomst kenmerken bij
elkaar zitten. In een klas zitten gemiddeld 3 ‘witte’ Nederlandse studenten, en zij zitten bij elkaar en dit
Deze studie focust op het witte privilege van witte meiden van een MBO level 2 klas. Zij zijn in de
minderheid in de klas; de anderen hebben verschillende etnische achtergronden. Er wordt onderzocht of
het wit zijn functioneert als wit privilege en of het een ‘resource’ voor ze is. Een resource is iets wat ze nodig
hebben, bijvoorbeeld hulp of informatie van een leerkracht, om hun aspiraties te kunnen volbrengen. De
data komt van een tweejarige etnografische studie van een bepaalde school in Nederland.
In de Nederlandse geschiedenis zijn verschillende gebeurtenissen geweest wat betreft communicatie over
het ras. Tot aan de WOII was ras bijvoorbeeld een onderwerp in Nederlandse schoolboeken. In de jaren ‘70
ontstonden de begrippen autochtoon en allochtoon. Ook termen als ‘zwarte school’ en ‘witte vlucht’ waren
gewoon. In 2010 heerst er gemiddeld een witte minderheid in de 4 grootste steden van NL.
In NL is weinig onderzoek gedaan naar witte mensen en het wit zijn, vergeleken met het buitenland. In dit
onderzoek wordt de term ‘wit’ gebruikt en niet ‘blank’, omdat blank positief in plaats van neutraal geladen
is vanwege de associatie met schoon, kleurloos, eerlijk, etc. Ook heeft het associaties met de witte
heerschappij in het koloniale verleden.
Eerder onderzoek bij Amerikaanse studenten liet zien dat witte studenten meer positief gezien werden dan
zwarte studenten. Ook is gebleken dat wit privilege onderzocht moet worden in combinatie met andere
dimensies van identiteit, zoals sociale status. Daarom wordt in deze studie specifiek gekeken naar de
working class. De vraag is daarom ook: is witte privilege een beschikbare resource voor alle witte studenten
ongeacht hun sociale klasse en onderwijsachtergrond, of niet?
Vrouwelijke studenten zijn in dit Social & Health care programma (ouderenzorg) in de meerderheid. Dit
programma heeft een lage sociale status in de Nederlandse samenleving. Op de school zijn ongeveer 100
studenten, verdeeld over 4 klassen. Interviews werden afgenomen bij:
alle 16 witte vrouwelijke studenten van Nederlandse afkomst
acht vrouwelijke studenten van ander ras / etnische afkomst
10 schoolpersoneelleden: leerkrachten, directeur, sociaal werker en school administrator.
Data werd verzameld middels grounded theory. Daarnaast werden vier klaslokalen voor 2 dagen per week
geobserveerd, bij interviews, pauzes, activiteiten in de schoolkantine, personeelsvergaderingen,
stageplaatsingen en diploma-uitreikingen. Ook werden focusgroepen gehouden. Uit deze 3 vormen van
dataverzameling werden betekenis en gedrag van studenten en relevante contextfactoren gevonden.
De term ‘witte’ Nederlandse mensen wordt zo gebruikt, omdat de groep witte mensen niet per se een
groep is, maar je er meer verdelingen in kunt maken, zoals etniciteit, religie, taal, sociale status, etc.
De onderzoeker zelf is een zwarte vrouw van Haïtiaanse afkomst. Door haar leeftijd werd ze soms gezien als
een van de studenten. Voordelen daarvan waren dat ze een veilige sfeer creëerde voor de studenten om
persoonlijke verhalen te vertellen, voor ‘witte’ en ‘niet-witte’ studenten. Het geslacht hielp ook, omdat de
meeste studenten vrouwen waren. Een nadeel van dat ze gezien werd als student, was dat ze soms werd
betrokken bij conflicten tussen groepen studenten. Dan herinnerde ze de studenten weer aan haar
onderzoeker status.
Bij binnenkomst in een klaslokaal gaan studenten op basis van uiterlijke etnische afkomst kenmerken bij
elkaar zitten. In een klas zitten gemiddeld 3 ‘witte’ Nederlandse studenten, en zij zitten bij elkaar en dit