Pedagogisch-didactisch begeleiden
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 7.1 en hoofdstuk 7.2
Hoofdstuk 9
H1Observeren
Door goed te kijken naar kinderen kan leerkracht veel over kind te weten komen. Kennis over elk
kind is belangrijk om goed pedagogisch-didactisch te handelen. Goed kijken, interpreteren en
daarvan conclusies trekken, is niet eenvoudig.
Waarnemen. Algemene kennis over onwikkeling van kinderen niet toereikend. Waarnemen is iets
opmerken via zintuigen. Kijken, waarnemen, doe je altijd en overal. Van observeren spreken we als je
bewust waarneemt vanuit vraag. We kijken in onderwijs vooral naar gedrag. Wanneer leerkracht met
kinderen werkt, is het belangrijk dat hij inzicht heeft in gedrag. Een leerkracht reageert dus ook niet
alleen op gedrag, hij plaatst het ook in context.
Stimulus. Het wordt bepaald door wat eraan voorafgaat en wat erop vervolgt. WE noemen dat
stimulus en respons. We onderscheiden 2 subgroepen: innerlijke factoren en uiterlijke factoren.
- Innerlijke factoren: lichamelijke mogelijkheden en beperkingen. Geestelijke oorzaak.
- Uiterlijke factoren: fysieke omgeving. Oorzaak kan ook liggen aan sociale omgeving. Omdat er
zoveel factoren zijn die gedrag beïnvloeden, kunnen kinderen in verschillende omstandigheden
verschillend gedrag laten zien. Om gedrag te kunnen plaatsen moet leerkracht dus iets weten over
oorzaak en gevolg. Dat je toch vaak veel weet over gedrag en oorzaak komt door ervaring met kind.
Respons. Gevolg. Gedrag heeft altijd effect op omgeving. Reactie kan positief of negatief zijn. Gedrag
wordt dus beïnvloed door wat eraan voorafgaat en door wat erop volgt. Leerkracht kijkt daarom niet
alleen naar gedrag zelf, maar ook naar wat eraan voorafging en wat volgt.
Achtergronden van gedrag. Gedrag is ingewikkeld. Gedrag ontstaat niet door het heden. Iedereen
heeft een bepaalde voorgeschiedenis. Je kunt achtergronden van kind leren kennen door praten.
Selecteren van waarnemingen. Je maakt altijd selectie door prikkels. Door selectieve waarneming
loop je daardoor risico kind te positief of negatief te zien. Hoe meer ervaring, hoe beter je kunt
waarnemen.
Beeldvorming. Aan wat we zien, geven we betekenis. Je vormt indruk van elk kind. Ouders
geïnteresseerd naar prestaties, houding, betrokkenheid, welbevinden, persoonlijkheid, relatie met
leerkracht, sociale vaardigheden en omgang met anderen. Het is niet eenvoudig om betrouwbaar en
compleet beeld te krijgen van kind. Op eerste gezicht lijkt beschrijving duidelijk maar bij nader inzien
kan het subjectief en incompleet zijn. Kijken naar gedrag is nog moeilijk. Je kunt naar veel aspecten
kijken. Beeld dat we van kind vormen, beïnvloedt door verwachtingen, sociaal-culturele achtergrond,
invalshoek, gevoel en vooroordelen. Aan wat we zien geven we betekenis. Een positief gevoel over
kind zorgt er vaak voor dat gedrag rooskleuriger wordt. Vooroordelen kunnen onbewust rol spelen
bij beeldvorming.
Bewust kijken. Kijken naar kinderen en op basis daarvan beschrijven, is moeilijk. Door bewust kijken,
leer je veel over kind en over jezelf. Aandachtspunten bij kijken: gewoonte maken, kijk regelmatig
rond, kies elke dag thema, kijk naar positieve dingen, korte notities, iedere dag 2 kinderen, bedenkt
waarop je wil letten, let op omstandigheden en vraag je af waarom je iets opvalt.
, Observeren. Kijken en observeren andere dingen. Kijken is vrijblijvender. Je signaleert iets. Een
signaal kan leiden tot onderzoek en bijstellen van handelen.
Kenmerken van observeren. Doelgericht, bewust en systematisch.
- Bewust: nooit volledig objectief.
- Doelgericht: doel je met doel. Gegevens verzamelen om werk uit te voeren. Redenen:
beter leren kennen, probleem onderzoeken, rapporteren van kind of resultaat eigen aanpak.
- Planmatig: systematisch volgens plan. Concreet mogelijk. Let op geen waardeoordelen. Hier
door snel observaties subjectief en vol met meningen. Zoveel mogelijk feiten opschrijven. Bij
ontwikkelingsgericht werken observeer je handelingsgericht.
Valkuilen. Waarneming wordt beïnvloedt door verschillende factoren en dat deze waarnemingen
subjectief is. Verwoordt wat je ziet zonder mening te geven of gevoelens mee te laten spelen. Slechts
registreren en niet interpreteren.
Eigen mening observator. Beïnvloeden door eigen mening. Iets vindt een ander misschien niet.
Emotionele betrokkenheid. Zeer persoonlijk betrokken. Kan te maken hebben met situatie, met
betrokken personen of met diegene die je moet observeren.
Halo-effect en horn-effect. Wanneer je iemand sympathiek vindt, ben je eerder geneigd vooral
positieve in andere zien. Positieve waardering = halo-effect. Tegenovergestelde = horn-effect.
Vooroordeel. Observator heeft vooropgezette mening. Je gaat uit van ervaringen en
groepskenmerken = stereotypering.
Projectie. Projecteert jezelf in diegenen. Ga niet teveel uit van zelfbeeld en beschouw ander als uniek
Ook stemming en ervaring kunnen factoren hebben.
Voorbereiding. Goede voorbereiding van observatie kan er voor zorgen dat zo min mogelijk wordt
beïnvloed door subjectieve factoren. Aandachtspunten voor voorbereiding:
- aanleiding: formuleren van aanleiding. Er zijn verschillende aanleidingen.
- Observatiedoel en vraagstelling: Zo duidelijk mogelijk doel. Concrete vraag:
- wie observeer je?
- wat observeer je?
- in welke situatie?
- concreet gedrag benoemen
- observatiecategorieën: deze gedragingen uitgangspunt waarmee je gaat observeren.
Om tot juiste interpretatie te komen, beschrijf je elke categorie. Hoe beter categorieën,
hoe betrouwbaarder observatie: helder en duidelijk, uitputtend en uitsluitend.
- observatiemethoden: observatielijsten = nadeel kant-en-klaar.
- Plaats, situatie, data en tijd = meerdere keren observeren: ruimte, situatie, data, tijd,
personen.
- Algemene gegevens: persoonsgegevens, gezin, gezondheid, school, andere bijz.
Methoden. gestructureerd of minder gestructureerd.
- Participerende observatie: je neemt zelf deel aan situatie. Nadeel = eigen invloed. Voordeel = zelf
richting geven.
- Niet-participerende observatie: neemt niet deel aan waarnemingen. Kan ook met video of geluid
worden vastgelegd.
- Ongestructureerde observatie = geen regels en afspraken voor beschrijvingen.
- Gestructureerde observatie = regels en afspraken.
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 7.1 en hoofdstuk 7.2
Hoofdstuk 9
H1Observeren
Door goed te kijken naar kinderen kan leerkracht veel over kind te weten komen. Kennis over elk
kind is belangrijk om goed pedagogisch-didactisch te handelen. Goed kijken, interpreteren en
daarvan conclusies trekken, is niet eenvoudig.
Waarnemen. Algemene kennis over onwikkeling van kinderen niet toereikend. Waarnemen is iets
opmerken via zintuigen. Kijken, waarnemen, doe je altijd en overal. Van observeren spreken we als je
bewust waarneemt vanuit vraag. We kijken in onderwijs vooral naar gedrag. Wanneer leerkracht met
kinderen werkt, is het belangrijk dat hij inzicht heeft in gedrag. Een leerkracht reageert dus ook niet
alleen op gedrag, hij plaatst het ook in context.
Stimulus. Het wordt bepaald door wat eraan voorafgaat en wat erop vervolgt. WE noemen dat
stimulus en respons. We onderscheiden 2 subgroepen: innerlijke factoren en uiterlijke factoren.
- Innerlijke factoren: lichamelijke mogelijkheden en beperkingen. Geestelijke oorzaak.
- Uiterlijke factoren: fysieke omgeving. Oorzaak kan ook liggen aan sociale omgeving. Omdat er
zoveel factoren zijn die gedrag beïnvloeden, kunnen kinderen in verschillende omstandigheden
verschillend gedrag laten zien. Om gedrag te kunnen plaatsen moet leerkracht dus iets weten over
oorzaak en gevolg. Dat je toch vaak veel weet over gedrag en oorzaak komt door ervaring met kind.
Respons. Gevolg. Gedrag heeft altijd effect op omgeving. Reactie kan positief of negatief zijn. Gedrag
wordt dus beïnvloed door wat eraan voorafgaat en door wat erop volgt. Leerkracht kijkt daarom niet
alleen naar gedrag zelf, maar ook naar wat eraan voorafging en wat volgt.
Achtergronden van gedrag. Gedrag is ingewikkeld. Gedrag ontstaat niet door het heden. Iedereen
heeft een bepaalde voorgeschiedenis. Je kunt achtergronden van kind leren kennen door praten.
Selecteren van waarnemingen. Je maakt altijd selectie door prikkels. Door selectieve waarneming
loop je daardoor risico kind te positief of negatief te zien. Hoe meer ervaring, hoe beter je kunt
waarnemen.
Beeldvorming. Aan wat we zien, geven we betekenis. Je vormt indruk van elk kind. Ouders
geïnteresseerd naar prestaties, houding, betrokkenheid, welbevinden, persoonlijkheid, relatie met
leerkracht, sociale vaardigheden en omgang met anderen. Het is niet eenvoudig om betrouwbaar en
compleet beeld te krijgen van kind. Op eerste gezicht lijkt beschrijving duidelijk maar bij nader inzien
kan het subjectief en incompleet zijn. Kijken naar gedrag is nog moeilijk. Je kunt naar veel aspecten
kijken. Beeld dat we van kind vormen, beïnvloedt door verwachtingen, sociaal-culturele achtergrond,
invalshoek, gevoel en vooroordelen. Aan wat we zien geven we betekenis. Een positief gevoel over
kind zorgt er vaak voor dat gedrag rooskleuriger wordt. Vooroordelen kunnen onbewust rol spelen
bij beeldvorming.
Bewust kijken. Kijken naar kinderen en op basis daarvan beschrijven, is moeilijk. Door bewust kijken,
leer je veel over kind en over jezelf. Aandachtspunten bij kijken: gewoonte maken, kijk regelmatig
rond, kies elke dag thema, kijk naar positieve dingen, korte notities, iedere dag 2 kinderen, bedenkt
waarop je wil letten, let op omstandigheden en vraag je af waarom je iets opvalt.
, Observeren. Kijken en observeren andere dingen. Kijken is vrijblijvender. Je signaleert iets. Een
signaal kan leiden tot onderzoek en bijstellen van handelen.
Kenmerken van observeren. Doelgericht, bewust en systematisch.
- Bewust: nooit volledig objectief.
- Doelgericht: doel je met doel. Gegevens verzamelen om werk uit te voeren. Redenen:
beter leren kennen, probleem onderzoeken, rapporteren van kind of resultaat eigen aanpak.
- Planmatig: systematisch volgens plan. Concreet mogelijk. Let op geen waardeoordelen. Hier
door snel observaties subjectief en vol met meningen. Zoveel mogelijk feiten opschrijven. Bij
ontwikkelingsgericht werken observeer je handelingsgericht.
Valkuilen. Waarneming wordt beïnvloedt door verschillende factoren en dat deze waarnemingen
subjectief is. Verwoordt wat je ziet zonder mening te geven of gevoelens mee te laten spelen. Slechts
registreren en niet interpreteren.
Eigen mening observator. Beïnvloeden door eigen mening. Iets vindt een ander misschien niet.
Emotionele betrokkenheid. Zeer persoonlijk betrokken. Kan te maken hebben met situatie, met
betrokken personen of met diegene die je moet observeren.
Halo-effect en horn-effect. Wanneer je iemand sympathiek vindt, ben je eerder geneigd vooral
positieve in andere zien. Positieve waardering = halo-effect. Tegenovergestelde = horn-effect.
Vooroordeel. Observator heeft vooropgezette mening. Je gaat uit van ervaringen en
groepskenmerken = stereotypering.
Projectie. Projecteert jezelf in diegenen. Ga niet teveel uit van zelfbeeld en beschouw ander als uniek
Ook stemming en ervaring kunnen factoren hebben.
Voorbereiding. Goede voorbereiding van observatie kan er voor zorgen dat zo min mogelijk wordt
beïnvloed door subjectieve factoren. Aandachtspunten voor voorbereiding:
- aanleiding: formuleren van aanleiding. Er zijn verschillende aanleidingen.
- Observatiedoel en vraagstelling: Zo duidelijk mogelijk doel. Concrete vraag:
- wie observeer je?
- wat observeer je?
- in welke situatie?
- concreet gedrag benoemen
- observatiecategorieën: deze gedragingen uitgangspunt waarmee je gaat observeren.
Om tot juiste interpretatie te komen, beschrijf je elke categorie. Hoe beter categorieën,
hoe betrouwbaarder observatie: helder en duidelijk, uitputtend en uitsluitend.
- observatiemethoden: observatielijsten = nadeel kant-en-klaar.
- Plaats, situatie, data en tijd = meerdere keren observeren: ruimte, situatie, data, tijd,
personen.
- Algemene gegevens: persoonsgegevens, gezin, gezondheid, school, andere bijz.
Methoden. gestructureerd of minder gestructureerd.
- Participerende observatie: je neemt zelf deel aan situatie. Nadeel = eigen invloed. Voordeel = zelf
richting geven.
- Niet-participerende observatie: neemt niet deel aan waarnemingen. Kan ook met video of geluid
worden vastgelegd.
- Ongestructureerde observatie = geen regels en afspraken voor beschrijvingen.
- Gestructureerde observatie = regels en afspraken.