Genotype
De informatie voor alle erfelijke eigenschappen van dat individu
Fenotype
Alle waarneembare eigenschappen van een individu.
Genotype + omgevingsfactoren
Karyotype
De rangschikking van chromosomen in een cel.
Karyogram
Die van een man
Die van een vrouw
Homologe chromosomen
Vormen samen 1 paar.
Genoom
Alle DNA-moleculen in een cel
o Autosomen: paar 1 t/m 22
o Geslachtschromosomen: XX of XY
Nucleotiden
Bestaat uit:
1
o Fosfaatgroep (1)
o Deoxyribose (2) 2
o (stikstof)base (3)
A (adenine)
T (thymine)
C (cytosine)
G (guanine)
3
DNA-sequentie
Specifieke volgorde van de stikstofbasen
Allel
Variant van gen
Bv. Het allel voor de blauwe oogkleur en het allel voor de groene oogkleur
, Genenexpressie
Wanneer genen aan staan en tot uiting komen.
Inactivatie
Het uitstaan van de genen.
Modificatie
Verandering van het genotype
De informatie in de chromosomen veranderd niet.
Locus
De plaats van een gen in een chromosoom
Meervoud = loci
Homozygoot
De 2 allelen voor bv. bloedgroep zijn aan elkaar gelijk
AA (dominant) of aa (recessief)
Heterozygoot
De 2 allelen voor bv. bloedgroep zijn verschillend van elkaar
Aa
Soorten allelen
Dominant
Recessief
Onvolledig dominant
o Het recessieve allel komt toch een beetje tot uiting
Intermediair
o Beide allelen zijn ‘even sterk’
o Als ze heterozygoot zijn is het fenotype een mengvorm van beide allelen
o Bv. Ar (rood) + Aw (wit) geeft Ar (roze)
Codominantie
o Beide allelen komen tot uiting in het fenotype
o Bv. rood en wit
Recombinatie
Nakomelingen hebben een andere combinatie allelen.
Vindt plaats door meiose en geslachtelijke voortplanting
Monohybride kruising
Let maar op één eigenschap
Ouders geef je aan met de letter P
De nakomelingen geef je aan met F 1 (eerste generatie)
De nakomeling van F1 geef je aan met F2 (tweede generatie)
De informatie voor alle erfelijke eigenschappen van dat individu
Fenotype
Alle waarneembare eigenschappen van een individu.
Genotype + omgevingsfactoren
Karyotype
De rangschikking van chromosomen in een cel.
Karyogram
Die van een man
Die van een vrouw
Homologe chromosomen
Vormen samen 1 paar.
Genoom
Alle DNA-moleculen in een cel
o Autosomen: paar 1 t/m 22
o Geslachtschromosomen: XX of XY
Nucleotiden
Bestaat uit:
1
o Fosfaatgroep (1)
o Deoxyribose (2) 2
o (stikstof)base (3)
A (adenine)
T (thymine)
C (cytosine)
G (guanine)
3
DNA-sequentie
Specifieke volgorde van de stikstofbasen
Allel
Variant van gen
Bv. Het allel voor de blauwe oogkleur en het allel voor de groene oogkleur
, Genenexpressie
Wanneer genen aan staan en tot uiting komen.
Inactivatie
Het uitstaan van de genen.
Modificatie
Verandering van het genotype
De informatie in de chromosomen veranderd niet.
Locus
De plaats van een gen in een chromosoom
Meervoud = loci
Homozygoot
De 2 allelen voor bv. bloedgroep zijn aan elkaar gelijk
AA (dominant) of aa (recessief)
Heterozygoot
De 2 allelen voor bv. bloedgroep zijn verschillend van elkaar
Aa
Soorten allelen
Dominant
Recessief
Onvolledig dominant
o Het recessieve allel komt toch een beetje tot uiting
Intermediair
o Beide allelen zijn ‘even sterk’
o Als ze heterozygoot zijn is het fenotype een mengvorm van beide allelen
o Bv. Ar (rood) + Aw (wit) geeft Ar (roze)
Codominantie
o Beide allelen komen tot uiting in het fenotype
o Bv. rood en wit
Recombinatie
Nakomelingen hebben een andere combinatie allelen.
Vindt plaats door meiose en geslachtelijke voortplanting
Monohybride kruising
Let maar op één eigenschap
Ouders geef je aan met de letter P
De nakomelingen geef je aan met F 1 (eerste generatie)
De nakomeling van F1 geef je aan met F2 (tweede generatie)