Giep Hagoort, Cultureel ondernemerschap, Oratie 6 juni 2007
De centrale vraag in de oratie: Welke betekenis heeft nu het universitaire vakgebied Kunst en
economie, in het bijzonder gericht op Cultureel ondernemerschap binnen zijn historische en actuele
context?
Een verkenning: Cultureel ondernemerschap in fasen
Hagoort schetst het begrip Cultureel ondernemerschap in drie fasen:
1. Een pioniersfase, waarin het verschijnsel op de tafel van de onderzoekende professional
belandt en een eerste, open verkenning plaatsvindt;
2. Een conceptuele fase die gericht is op het onder woorden brengen van het verschijnsel en
waarbij concepten in de praktijk getoetst worden;
3. Een theoretische fase, hierin ontstaat een behoefte om de grondslagen scherper in beeld te
brengen, gekoppeld aan een meer expliciete uitwerking van te hanteren
onderzoeksmethoden.
1. De pioniersfase
- Studiedag ‘De dag van de Kunstondernemer’ (1981)
- Handboek Management Kunst en Cultuur (1990)
- Leerboek Cultureel ondernemerschap (1992) introductie van de term in het Nederlands
taalgebied
“Cultural entrepeneurship” in Amerika bestond al
- Professionalisering van de omgeving van culturele organisaties
Hoewel het denken in managementtermen binnen kunst en cultuur noodzakelijk is, gezien de
behoefte aan professionele organisaties, blijft een meer systematische verkenning van het verschil
tussen management en ondernemerschap uit, ook in Hagoort’s eigen publicaties.
In deze pioniersfase krijgt kunstmanagement een eigen herkenning. Daarbij gaat het om een expliciet
geformuleerd strategisch kunstmanagement en het op orde hebben van de functies financiën,
marketing, personeel en projectplanning. Ook een bewustzijn omtrent het hanteren van een
leiderschapsstijl treedt op. In de eerste proefschriften over culturele organisaties zoektochten naar
adequate modellen centraal staan met het oog op een professionalisering van het management van
culturele organisaties. En dat is ook de focus van het beroepsveld.
2. De conceptuele fase
- Van der Ploeg (politicus) introduceert het begrip Cultureel ondernemerschap binnen de
context van cultuurbeleid, daarbij de opkomst van de creatieve industrie betrekkend.
- Nieuwe institutionele initiatieven worden aangekondigd.
- Cultuurbeleid wordt in de praktijk voornamelijk als subsidiebeleid gezien.
Reacties
Van Dulken conceptueel kader 2005:
Cultureel ondernemerschap is het leiden van een culturele organisatie vanuit drie kenmerken: 1. Het
formuleren van een richtinggevende culturele missie, 2. Het balanceren en handelen tussen culturele
en economisch waarden, 3. De zorg hebben voor een culturele infrastructuur.
Tweetal bezwaren tegen cultureel ondernemerschap (beide sterk polemisch karakter):
1. De cultureel-normatieve benadering: kunst en cultuur enerzijds, management en economie
anderzijds.
2. De mechanisch-economische benadering: kunst is te vervangen door welk product dan ook
(management is een proces dat waardenvrij kan worden toegepast).
De centrale vraag in de oratie: Welke betekenis heeft nu het universitaire vakgebied Kunst en
economie, in het bijzonder gericht op Cultureel ondernemerschap binnen zijn historische en actuele
context?
Een verkenning: Cultureel ondernemerschap in fasen
Hagoort schetst het begrip Cultureel ondernemerschap in drie fasen:
1. Een pioniersfase, waarin het verschijnsel op de tafel van de onderzoekende professional
belandt en een eerste, open verkenning plaatsvindt;
2. Een conceptuele fase die gericht is op het onder woorden brengen van het verschijnsel en
waarbij concepten in de praktijk getoetst worden;
3. Een theoretische fase, hierin ontstaat een behoefte om de grondslagen scherper in beeld te
brengen, gekoppeld aan een meer expliciete uitwerking van te hanteren
onderzoeksmethoden.
1. De pioniersfase
- Studiedag ‘De dag van de Kunstondernemer’ (1981)
- Handboek Management Kunst en Cultuur (1990)
- Leerboek Cultureel ondernemerschap (1992) introductie van de term in het Nederlands
taalgebied
“Cultural entrepeneurship” in Amerika bestond al
- Professionalisering van de omgeving van culturele organisaties
Hoewel het denken in managementtermen binnen kunst en cultuur noodzakelijk is, gezien de
behoefte aan professionele organisaties, blijft een meer systematische verkenning van het verschil
tussen management en ondernemerschap uit, ook in Hagoort’s eigen publicaties.
In deze pioniersfase krijgt kunstmanagement een eigen herkenning. Daarbij gaat het om een expliciet
geformuleerd strategisch kunstmanagement en het op orde hebben van de functies financiën,
marketing, personeel en projectplanning. Ook een bewustzijn omtrent het hanteren van een
leiderschapsstijl treedt op. In de eerste proefschriften over culturele organisaties zoektochten naar
adequate modellen centraal staan met het oog op een professionalisering van het management van
culturele organisaties. En dat is ook de focus van het beroepsveld.
2. De conceptuele fase
- Van der Ploeg (politicus) introduceert het begrip Cultureel ondernemerschap binnen de
context van cultuurbeleid, daarbij de opkomst van de creatieve industrie betrekkend.
- Nieuwe institutionele initiatieven worden aangekondigd.
- Cultuurbeleid wordt in de praktijk voornamelijk als subsidiebeleid gezien.
Reacties
Van Dulken conceptueel kader 2005:
Cultureel ondernemerschap is het leiden van een culturele organisatie vanuit drie kenmerken: 1. Het
formuleren van een richtinggevende culturele missie, 2. Het balanceren en handelen tussen culturele
en economisch waarden, 3. De zorg hebben voor een culturele infrastructuur.
Tweetal bezwaren tegen cultureel ondernemerschap (beide sterk polemisch karakter):
1. De cultureel-normatieve benadering: kunst en cultuur enerzijds, management en economie
anderzijds.
2. De mechanisch-economische benadering: kunst is te vervangen door welk product dan ook
(management is een proces dat waardenvrij kan worden toegepast).