,Hoofdstuk 1 - Gebouwen
Het Sfb-classificatie- en coderingssysteem vindt wereldwijd toepassing. De Nederlandse variant, het
NL/Sfb-systeem omvat drie hoofdtabellen. In Groot Brittannië (CI/Sfb), waar dit systeem ruim
toepassing vindt, zijn er nog twee tabellen aan toegevoegd. Eén daarvan is de zogenaamde tabel 0
(nul), deze geeft een systeem van codes voor landschappelijke inrichting, civiele werken, verkeer en
water, gebouwen en ruimtes in gebouwen.
Inventariseren betekent een indeling aangeven in soorten gebouwen, leeftijdsopbouw, regio,
grootteklasse, eigenaar enz.
Gebouwen kunnen op verschillende manieren onderscheiden worden:
Woningen
Agrarische gebouwen
Bedrijfsgebouwen
Handel en horeca
Gebouwen in de gezondheidszorg
Onderwijsgebouwen
Overheidsgebouwen
Overige gebouwen (kerken, kloosters en moskeeën)
Woningvoorraad kan kwantitatief als kwalitatief blijven veranderen. Woningvoorraad is de gehele,
beschikbare aanbod in koop- en huurwoningen in Nederland. Kwantitatieve veranderingen wil
zeggen dat het aantal woningen blijven toenemen. Kwalitatieve veranderingen binnen de
woningvoorraad wil zeggen dat woningen veranderen door onder andere vergrijzing van de
bevolking (meer vraag naar seniorenwoningen en aangepaste woonvormen), de verandering van de
gezinssamenstelling (kleiner wordende gezinnen, sneller zelfstandig wonen van de kinderen) en het
zelfstandig wonen van gehandicapten (aangepaste woningen en woonvormen).
Jaarlijks worden er woningen aan de voorraad onttrokken. Dit gebeurt om de volgende redenen:
Sloop.
Verbouwing, waardoor het aantal woningen minder wordt (van twee kleine woningen één
nieuwe maken).
Verandering van bestemming, waardoor een woning bijvoorbeeld een bedrijfspand wordt.
De gebouwnorm binnen de gezondheidszorg wordt gerekend in bedden. De normen van de
verschillende gebouwen in de gezondheidszorg per bed zijn:
Ziekenhuis: 95 m² bruto per bed
Verpleeghuis: 65 m² bruto per bed
Instelling geestelijke gezondheidszorg: 60 m² bruto per bed
Instelling verstandelijk-gehandicaptenzorg: 63 m² bruto per bed
Onderwijsgebouwen kunnen onderscheiden worden in de volgende schooltypen met gebouwen:
Primair onderwijs
Voortgezet onderwijs
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
Hoger onderwijs
, Overheidsgebouwen valt onder te delen in:
Centrale overheid: de centrale overheid behelst in hoofdzaak het Koninklijke Huis, het
parlement en de regering, de ministeries, de rechterlijke macht en diverse andere bestuurs-
en adviesorganen.
Decentrale overheid: de decentrale overheid behelst de provincies, gemeenten,
waterschappen, regionale samenwerkingsorganen en openbare lichamen voor bedrijf en
beroep (bedrijf- en productschappen).
Rijksgebouwen zijn onder andere kantoren (bijvoorbeeld de ministeries), rijksscholen, politiebureaus,
gerechtsgebouwen, gevangenissen en culturele gebouwen zoals musea.
De volgende eigenaars worden onderscheiden:
Particuliere eigenaars: dit zijn bijvoorbeeld gezinnen die een huis hebben gekocht en deze
ook zelf bewonen.
Particuliere beleggers: particuliere beleggers hebben onroerend goed in bezit, maar wonen
daar zelf niet in en gebruiken het ook niet als kantoor of winkel. Het onroerend goed
(woningen, bedrijfsruimten) wordt veelal verhuurd of op termijn met winst verkocht.
Overheid: de overheid heeft zeer veel onroerend goed in eigendom. Toch is er sprake van
een trend dat de overheid steeds meer gebouwen en ruimten niet in eigendom wil
verkrijgen, maar least of huurt. Het motief van de overheid om een gebouw in eigendom te
hebben, is afhankelijk van het gebouw: is het bedoeld voor het uitoefenen van
werkzaamheden (ministerie, gemeentehuis enz.) of om op gemeentelijk, provinciaal of
nationaal niveau onderdak te bieden aan een dienst die door de particuliere sector niet
verleend zou worden (schouwburg) of ter bescherming van het culturele erfgoed
(monumenten, kasteelruïnes).
Institutionele beleggers: institutionele beleggers zijn pensioenfondsen en
verzekeringsmaatschappijen die als beleggingsvorm investeren in onroerend goed. Hierbij
kan gedacht worden aan woningen (koop- en huurwoningen), bedrijfsruimten (hallen,
loodsen) en kantoren. Het motief is dat er van de institutionele belegger resultaat verlangd
wordt op het ingelegde vermogen, anders kunnen op termijn pensioenen niet meer
uitbetaald worden.
Woningbouwverenigingen- en corporaties: Voorheen had de overheid veel invloed op
woningbouwverenigingen- en corporaties, maar tegenwoordig moeten zij als echte bedrijven
vrij op de markt opereren. Behalve dat zij de zorg (van nieuwbouw, beheer en onderhoud)
van de eigen woningen hebben, mogen zij ook hun diensten aanbieden.
Ondernemingen: ondernemingen kunnen om verschillende redenen eigenaar zijn van
onroerend goed. Het hoofdmotief is vaak dat bepaalde gebouwen (fabriek, hal, kantoor enz.)
nodig zijn voor de bedrijfsuitoefening. Zeker als het gaat om specialistische bedrijfsprocessen
wordt er vaak zelf gebouwd. Eén en ander is soms ook afhankelijk van financieringskwesties.
Een andere mogelijkheid is huren of leasen.
De eigendomssituatie en de totale hoeveelheid onroerend goed dat in eigendom is, bepalen in sterke mate
de wijze van beheer. Er zijn twee mogelijkheden:
Het onroerend goed wordt gehuurd of geleaset (een ander is dus gebruiker). Hierbij worden
er afspraken gemaakt in een huur- of leasecontract, welke activiteiten er voor rekening van
de eigenaar zijn en welke voor de huurder of lessee (degene die least).
Men is zelf eigenaar en gebruiker.