Leereenheid 1.................................................................................................................... 2
Samenvatting boek......................................................................................................... 2
Online les........................................................................................................................ 2
Aanvulling Brightspace................................................................................................... 5
Leereenheid 2: opsporing, de verdachte en dwangmiddelen...........................................15
Samenvatting boek....................................................................................................... 15
Verduistering crossmotor..............................................................................................24
Online les...................................................................................................................... 31
HR 9 oktober 2018, NJ 2019/24, m.nt Reijntjes (project Moerlander), m.u.v. van de
conclusie van AG Paridaens.......................................................................................... 32
Leereenheid 3 Voorarrest en het recht op rechtsbijstand................................................32
EHRM 9 februari 2021, NJ 2021/94, m.nt. Myjer (Hasselbaink t. Nederland).................45
HR 6 november 2018, NJ 2019/309, m.nt. Kooijmans (verhoor en consultatierecht).....50
Leereenheid 4 Niet-vrijheidsbenemende dwangmiddelen................................................51
Online les...................................................................................................................... 51
Samenvatting boek en brightspace...............................................................................53
HR 4 april 2017, NJ 2017/230, m.nt. Kooijmans (smartphone), m.u.v. de conclusie van
AG Bleichrodt................................................................................................................ 55
HR 13 februari 2018, NJ 2018/157, m.nt. Mevis (het balkon)........................................59
EHRM 24 april 1990, (Kruslin t. Frankrijk) NJ 1991/523, m.nt. Dommering....................64
Leereenheid 5 Vervolging................................................................................................ 65
Brightspace................................................................................................................... 66
Online les...................................................................................................................... 73
Arrest ‘De strafbeschikking’ m.nt. Schalken (administratieve fout)..............................76
Leereenheid 6 Het onderzoek ter terechtzitting en de positie van het slachtoffer...........77
Online les...................................................................................................................... 77
Brightspace en boek..................................................................................................... 79
EHRM 4 februari 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0204JUD006085815 (Alexandru Marian
Iancu t. Roemenië), par. 53 t/m 74, via Hudoc.............................................................81
HR 9 juli 2019, NJ 2020/25 – Het Aanwezigheidsrecht (Mevis) Casus (feiten)...............85
Leereenheid 7: Het bewijs................................................................................................ 96
Online les...................................................................................................................... 96
Brightspace................................................................................................................. 100
De auditu arrest.......................................................................................................... 105
Billenknijper arrest...................................................................................................... 106
Samenvatting boek..................................................................................................... 107
Leereenheid 8: Sanctionering van vormverzuimen.......................................................116
, Online Les................................................................................................................... 116
Brightspace................................................................................................................. 124
Samenvatting boek..................................................................................................... 125
HR 1 december 2020, NJ 2021/169, m.nt. Jörg (politiegeweld / geweld bij insluiting). 132
Leereenheid 9: Het rechterlijke beslissingsmodel en het vonnis....................................134
Brightspace................................................................................................................. 134
Online les: uitspraak en motivering............................................................................151
ECLI:NL:HR:2006:AU9130 (Hennepkwekerij)...............................................................151
Leereenheid 10.............................................................................................................. 152
HR 24 januari 2023, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer (Post-Jaddoe)................................156
LEEREENHEID 1
SAMENVATTING BOEK
1.1 Aard en doel van het strafproces
Het hoofddoel van het strafproces is het verzekeren van een juiste toepassing van het
abstracte materiële strafrecht. Dat doel is tweeledig:
- Enerzijds te bewerkstelligen dat de schuldigen worden gestraft;
- Anderzijds het voorkomen van bestraffing van onschuldigen.
In ons strafproces geldt het in dubio pro reo-beginsel. De rechter mag het feit blijkens
artikel 338 Sv alleen bewezen verklaren als hij zelf de overtuiging heeft bekomen dat het
feit door de verdachte is begaan.
1.1.1 Bijkomende doelen
Naast het hoofddoel staan andere die nagestreefd moeten worden zodra van een
strafproces sprake is. Hieronder worden vier bijkomende doelen onderscheiden:
a. Eerbiediging van de rechten en vrijheden van de verdachte (het doel van
strafprocesrecht moet mede zijn de vervolging van onschuldige burgers zoveel
mogelijk te voorkomen, voorkomen moet worden dat de strafrechtelijke
vervolging een disproportionele inbreuk maakt op de vrijheid van de betrokken
burger);
b. Eerbiediging van de rechten en vrijheden van andere betrokkenen (voorkomen
moet worden dat de inbreuk die aldus op huisrecht wordt ((wordt in woningen
gezocht van personen die niet als verdachte zijn aangemerkt)) gemaakt
disproportioneel is en bijv. een correcte bejegening van het slachtoffer is daarom
een vereiste van behoorlijk strafproces);
c. Procedurele rechtvaardigheid (het serieus nemen en horen van de verdachte met
een eerlijke procedure is een zelfstandig belang gemoeid, dat losstaat van het
waarborgen van een juiste beslissing. De procedurele rechtvaardigheid vormt ook
een argument om het slachtoffer bij het strafproces te betrekken);
d. Demonstratiefunctie (de terechtzitting dient openbaar te zijn). Het laten zien dat
een rechtstaat, het openbaar ministerie zich aan regels moeten houden. De
openbaarheid maakt publieke controle op de berechting mogelijk en vormt
daarmee een waarborg tegen willekeurige bestraffing het openbare strafproces
maakt zichtbaar dat de overheid zwaar tilt aan het plegen van strafbare feiten en
daarvan werk maakt. Het openbare strafproces kan demonstreren dat het
vereiste bewijs ondanks de inspanningen van de autoriteiten niet geleverd kon
worden zodat geen sprake is van corruptie of laksheid.).
ONLINE LES
,Wat is strafprocesrecht?
Het strafprocesrecht omvat het geheel aan regels over:
Hoe en door wie wordt onderzocht of een strafbaar feit is gepleegd;
Wie beslist of vervolging plaatsvindt en op basis van welke maatstaven;
Wie bepaalt welke rechtsgevolgen (zoals straf) volgen.
Doel: Het strafrecht moet op een eerlijke en ordentelijke manier worden toegepast.
Daarvoor zijn procesregels nodig.
Typering van het strafproces (I): naar doel
Er zijn twee hoofddoelen die het strafproces probeert te combineren:
1. Instrumentaliteit (daadkrachtig optreden):
Doel: "Boeven vangen".
De samenleving moet beschermd worden door effectief strafrechtelijk optreden.
2. Rechtsbescherming (grenzen stellen aan de overheid):
Voorkomen dat onschuldigen worden lastiggevallen of onterecht gestraft.
Bijvoorbeeld: niet zomaar ieders vingerafdruk afnemen.
Het strafprocesrecht zoekt voortdurend een evenwicht tussen deze twee doelen,
afhankelijk van de situatie en belangen.
Legaliteitsbeginsel (art. 1 Sv): Regel: Strafvordering mag alleen plaatsvinden op de
wijze bij wet voorzien.
"Wet" = formele wet (gemaakt door regering en Staten-Generaal).
Strafvordering = alles wat politie, OM en rechter doen in het strafproces.
Gevolg: Als een bevoegdheid niet in de wet staat, mag die niet worden toegepast.
Bronnen van het strafprocesrecht
1. Wetboek van Strafvordering (Sv)
2. Bijzondere wetten (met procesbepalingen):
Opiumwet
Wet wapens en munitie
Wet op de rechterlijke organisatie
3. Lagere regelgeving:
Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s)
Aanwijzingen van het OM
4. Rechtspraak (jurisprudentie)
5. Grondrechten & mensenrechten:
Grondwet
EVRM (Raad van Europa) – directe werking als art. 93/94 Gw van
toepassing is.
Handvest van de Grondrechten van de EU (werkt rechtstreeks,
supranationaal)
6. Beginselen van behoorlijke procesorde:
Vertrouwensbeginsel
Gelijkheidsbeginsel
Zuiverheid van oogmerk
Redelijke en billijke belangenafweging
Proportionaliteit (niet méér dan nodig)
Subsidiariteit (eerst het minst ingrijpende middel proberen)
Beginselen van behoorlijke procesorde:
Vertrouwensbeginsel
Gelijkheidsbeginsel
, Zuiverheid van oogmerk
Redelijke en billijke belangenafweging
Proportionaliteit (niet méér dan nodig)
Subsidiariteit (eerst het minst ingrijpende middel/minst schadelijkste proberen)
Fasen van het strafproces
1. Opsporingsfase (onder leiding van de OvJ)
Ruim begrip: volgens art. 132a Sv is opsporing meer dan alleen onderzoeken
na een “redelijk vermoeden van schuld”.
Ook zogeheten controlebevoegdheden kunnen opsporing starten, zelfs
zonder concrete verdenking.
Niet hetzelfde als toezicht in het bestuursrecht.
2. Vervolging (door de OvJ)
Beslissing: Gaat de OvJ dagvaarden of niet?
Betekent: het aan de rechter voorleggen van een strafzaak.
Vormen: dagvaarding, strafbeschikking.
3. Berechting (onder leiding van de rechter)
Het aanhangig maken van de strafzaak
Het onderzoek ter terechtzitting
Beraadslaging en uitspraak
4. Executie (onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie & Veiligheid)
Tenuitvoerlegging van de opgelegde straf
Grondslag: art. 6:1:1 Sv
Typering van het strafproces (II): naar procesvorm
Er zijn twee modelvormen van strafprocesvoering:
1. Inquisitoir (onderzoekend)
De verdachte is object van onderzoek.
Weinig verdedigingsrechten voor de verdachte.
De rechter is actief en leidt het onderzoek.
Doel: materiële waarheid (de werkelijke toedracht achterhalen).
2. Accusatoir (tegensprekelijk)
Partijen zijn gelijkwaardig: OM vs. verdachte.
De rechter is passief (lijdelijk) – hij oordeelt alleen over wat hem wordt
voorgelegd.
Doel: formele waarheid – de waarheid die uit het debat naar voren komt.
Verdachte heeft meer procesrechten.
Wat is Nederland? Een gemengd model
Vooronderzoek (opsporing, vervolging): inquisitoir karakter.
Terechtszitting: meer accusatoir – verdachte krijgt de kans om zich te
verdedigen.
In de praktijk: een gemengd systeem, met elementen van beide modellen. Het
draait vooral om de houding van actoren (recherche, OM, rechter).
,AANVULLING BRIGHTSPACE
Hieraan kan nog een vijfde doel worden toegevoegd: het voorkomen van eigenrichting.
Eigenrichting wil zeggen: het volgen van een niet-wettelijk geregelde
handhavingsmethode waarbij dwang of geweld wordt toegepast. Door de reactie van de
overheid op delicten wordt voorkomen dat de burgers het recht in eigen hand nemen.
Handhaving van regels door eigenrichting heeft op het eerste gezicht weliswaar iets
aantrekkelijks, doordat de overheid niet tussenbeide hoeft te komen, maar leidt vaak
door haar ongereglementeerde en onbeheersbaarheid tot hoogst ongewenste gevolgen.
Bij de handhaving van het recht heeft de overheid daarom in principe het monopolie op
dwang en geweld.
Instrumentaliteit en rechtsbescherming
Het doel van het strafproces komt ook tot uiting in de begrippen 'instrumentaliteit ' en
'rechtsbescherming'. Aan de ene kant geeft het strafproces bevoegdheden om een
strafbaar feit op te sporen teneinde de (ware) schuldige te kunnen bestraffen. Daarmee
komt het strafprocesrecht onder andere tegemoet aan de rechtvaardigde belangen van
(potentiële) slachtoffers van criminaliteit. Aan de andere kant worden onschuldige
burgers door de regels beschermd tegen het toepassen van deze bevoegdheden.
Deze twee polen binnen dit spanningsveld worden ook wel aangeduid met de termen
‘instrumentaliteit’ en ‘rechtsbescherming’. In de praktijk betekent dit veelal dat wanneer
de nadruk van het strafprocesrecht ligt op de rechtsbescherming van de burger, dit ten
koste kan gaan van de instrumentele doelstelling en andersom. Dit vergt een constante
belangenafweging, zowel op wetgevingsniveau als op uitvoeringsniveau. In het tekstboek
wordt een aantal factoren genoemd die bij deze belangenafweging een rol spelen:
beschikbare financiële middelen, de verhouding tussen de belangen van een verdachte
en de rechtswaarborgen die hem toekomen en de verhouding tussen de ernst van het
vermoedelijke strafbare feit en de aard van de onderzoeksbevoegdheden. Daarbij geldt
dat de uitkomst van de belangenafweging wel moet beantwoorden aan alle doelen die
het strafprocesrecht heeft.
In de volgende passage uit het arrest van de Hoge Raad in de zaak Jailplant (HR 9 maart
2004, E:AN9195, NJ 2004/263, m.nt. Schalken) komt deze belangenafweging duidelijk
naar voren:
"Het vorenoverwogene neemt niet weg dat toepassing van art. 126j Sv ten
aanzien van een voorlopig gehechte verdachte licht het gevaar in zich bergt dat
de verdachte op zodanige wijze feitelijk komt te verkeren in een verhoorsituatie
waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris
ontbreken, dat aldus verklaringen worden verkregen die in strijd met de in art. 29,
eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten
liggende verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Gelet daarop zal
vooreerst bij de toetsing van een zodanige toepassing van art. 126j Sv aan de
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit uitgangspunt moeten zijn dat die
toepassing eerst in aanmerking komt als de bijzondere ernst van het misdrijf zulks
rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn.
Indien aan voornoemd uitgangspunt is voldaan, kan de rechter voor de vraag
komen te staan of informatie van de verdachte niet in strijd met voormelde
bepalingen is verkregen. De beantwoording van die vraag hangt af van de
concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe
aan de proceshouding die de verdachte met betrekking tot de strafbare feiten
waarvan hij wordt verdacht heeft ingenomen en hetgeen zich in het
voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant
optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de door de informant
ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan
jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en
gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de
verdachte hebben geleid (vgl. EHRM 5 november 2002, appl. nr. 48539/99, Allan
, v. The United Kingdom, NJB 2003, p. 80, nr. 2)."
(r.o. 5.6 en 5.7)
Gesteld kan dus worden dat het strafprocesrecht twee soorten regels bevat. De eerste
soort schept bevoegdheden voor de overheid om, ter vaststelling van de waarheid,
dwang uit te oefenen op burgers (instrumentaliteit). De tweede soort schept
rechtswaarborgen voor de burger (geen bestraffing zonder bewijs, de mogelijkheid tot
tegenspraak, het recht op rechtsbijstand, recht van hoger beroep, enz.)
(rechtsbescherming). Op het eerste gezicht komt de waarborgfunctie van het
strafprocesrecht vooral in die tweede soort regels tot uitdrukking. Bij nadere
beschouwing bevat echter ook de eerste soort belangrijke waarborgen voor de burger,
omdat zij niet alleen bevoegdheden schept, maar telkens ook de gevallen waarin en de
wijze waarop die bevoegdheden mogen worden uitgeoefend, beperkt.
Instrumentaliteit = boeven vangen: bevoegdheden om feiten op te sporen en
daders te vervolgen;
Rechtsbescherming = bescherming tegen machtsmisbruik.
Zie model van Foqué & ’t Hart en Packer:
Instrumentele logica: efficiënte procedures, hoge pakkans, snelle afhandeling,
beperkte rechtsmiddelen.
Rechtsbescherming: nadruk op betrouwbare uitkomsten, bescherming van
onschuldigen, beperking staatsmacht.
De strafrechtspleging moet hier een balans in vinden; dit is geen kwestie van goed of
fout.
Voorbeeld: artikel 67 Sv over voorlopige hechtenis laat zowel instrumentaliteit
(vrijheidsbeneming) als rechtsbescherming (strikte voorwaarden) zien.
Deze vijf doelen staan vaak op gespannen voet met elkaar, wat leidt tot moeilijke
rechtspolitieke afwegingen.
1.1.3 Strafproces en waarheidsvinding
De opsporingsambtenaar die onderzoek doet naar een mogelijk gepleegd strafbaar feit,
poogt de ware toedracht te achterhalen. Het feit dat een zaak ondanks alle inspanningen
niet tot klaarheid is gebracht, is daarbij een belangrijk gegeven. De overheid kan op
basis daarvan verantwoorden waarom zij geen strafvervolging instelt. De
waarheidsvinding kan niet als zelfstandig doel van strafvordering worden aangemerkt.
De waarheidsvinding vormt veeleer een afgeleide van het eigenlijke doel, te weten de
juiste toepassing van de strafwet (bestraffing van de schuldigen).
1.1.4. Strafproces en rechtsbescherming
In een rechtstaat worden de verhoudingen tussen de overheid en de burger beheerst
door de rule of law. Dat betekent dat de overheid niet boven de wet staat, maar daaraan
is onderworpen. Machtsuitoefening door de overheid mag alleen plaatsvinden op basis
van een door het recht toegekende bevoegdheid en binnen door het recht getrokken
grenzen. Zo wordt de burger beschermd tegen willekeur van autoriteiten.
In het verlengde van deze zienswijze ligt dat rechtsbescherming van de burger tegen de
straffende overheid als het doel van het strafproces wordt aangemerkt. Het hoofddoel
van het strafproces is het verzekeren van een juiste toepassing van het abstracte
materiële strafrecht.
1.1.5. Noodzakelijke afwegingen
Door de gegeven specificatie wordt zichtbaar dat met een pleidooi voor meer
rechtsbescherming weinig is gezegd. De verschillende doelen van het strafprocesrecht
staan in een moeizame spanningsverhouding tot elkaar. Dat geldt voor de beide
subdoelen van de tweeledige hoofddoelstelling. Respectering van de rechten van de
verdachte kan bijvoorbeeld ten koste gaan van de waarheidsvinding en van de rechten
van slachtoffers en derden. Meer bescherming van de een kan ten koste gaan van de
bescherming voor de ander. Daardoor moeten er dus keuzes worden gemaakt en deze
vloeien niet dwingend uit de doelen van het strafprocesrecht voort. De keuzes zijn het
,resultaat van rechtspolitieke afwegingen die soms moeizaam bevochten zijn en waarover
dan ook verschillend kan worden gedacht. De uitgangspunten:
1. Financiële middelen (aan de strafrechtspleging zijn kosten verbonden en dat
de daarvoor beschikbare financiële middelen niet onbeperkt zijn);
2. Ernst van het strafbare feit (hoe meer er voor de verdachte op het spel staat
hoe groter de waarborgen moeten zijn waarmee de berechting is omringd. De
ernst van het strafbare feit vormt dus een belangrijke afwegingsfactor);
3. Toegekende onderzoeksbevoegdheden (hoe ernstiger het vermoedelijk
gepleegde strafbare feit is en hoe groter derhalve het belang is dat aan
opheldering van het misdrijf toekomt, hoe ingrijpender de
onderzoeksbevoegdheden kunnen zijn die aan politie en justitie wordt
toegekend);
4. Realiseren van de doelen (de verschillende doelen moeten wel allemaal
worden gerealiseerd. Het zwijgrecht van de verdachte mag bijvoorbeeld onder
geen beding opgeofferd worden aan het belang van de waarheidsvinding).
→ Denk aan het arrest Jailplant (HR 9 maart 2004): proportionaliteit en subsidiariteit bij
inzet van opsporingsbevoegdheden (zoals art. 126j Sv).
→ Voorwaarde: ernstige misdrijven, geen alternatieve opsporingsmethoden.
1.2. De bronnen van het strafprocesrecht
1.2.1 Wetgeving
De bronnen van het strafprocesrecht kunnen worden onderscheiden in geschreven en
ongeschreven bronnen. De voornaamste bron van het strafprocesrecht is het Wetboek
van Strafvordering. Van cruciaal belang is artikel 1 Sv: "Strafvordering heeft alleen plaats
op de wijze bij de wet voorzien". Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook het
strafprocesrecht geschreven recht is; we zullen echter zien dat daarop nog aanzienlijk
méér valt af te dingen dan bij het materiële strafrecht. Verder leert artikel 1 ons, dat het
strafprocesrecht in de wet geschreven is, hier op te vatten als wet in formele zin. De
gevolgen hiervan bleken bijvoorbeeld uit het Muilkorfarrest (HR 12 april 1897, W 6954).
a. Het Wetboek van Strafvordering;
b. Bijzondere wetten:
Groep 1 (wetten die onderwerpen regelen die het strafprocesrecht gemeen heeft
met andere rechtsgebieden): Wet op de rechterlijke organisatie, Advocatenwet,
de Politiewet 2012 en de Algemene Termijnenwet.
Groep 2 (wetten die onderwerpen regelen die aan of net over de rand van de
strafvordering liggen): de Penitentiaire beginselenwet, de Uitleveringswet en de
Wet Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
Groep 3 (wetten die voor bepaalde categorieën delicten een afwijkende of
aanvullende strafvorderlijke regeling geven): Opiumwet, Wet Wapens en Munities;
o c. De grondwet;
o d. Algemene Maatregelen van Bestuur; ministeriële beschikkingen: Artikel
1 Sv verbiedt niet dat onderwerpen van strafprocesrecht in bijzondere
wetten worden geregeld, mits dit wetten in formele zin zijn. Er zijn echter
ook regels van strafprocesrecht te vinden in bijvoorbeeld Algemene
Maatregelen van Bestuur en ministeriële beschikkingen. In hoeverre is dit
in overeenstemming met artikel 1 Sv?
De verklaring ligt hierin, dat men het geoorloofd acht dat de wetgever (in formele zin) de
nadere uitwerking van een door hem gegeven voorschrift delegeert aan een lager
orgaan. In het Wetboek van Strafvordering zijn hiervan voorbeelden te vinden,
bijvoorbeeld artikel 378 Sv, dat eerst de politierechter bevoegd verklaart mondeling
vonnis te wijzen (lid 1) en vervolgens (lid 2) aan de Minister van Justitie overlaat te
bepalen, op welke wijze zo’n vonnis (in het proces-verbaal van de terechtzitting) moet
worden vastgelegd.
,Nog verder ging de wetgever in sommige bijzondere wetten, bijvoorbeeld in het
belangrijke artikel 163 WVW 1994, dat eerst onder meer de verplichting oplegt om
(onder bepaalde omstandigheden) een ademanalyse, respectievelijk een bloedproef te
ondergaan, en vervolgens bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
nadere regels omtrent de wijze van uitvoering zullen
worden gegeven.
Het ademonderzoek en het bloedonderzoek zijn nader geregeld in dezelfde AMvB, het
Besluit alcoholonderzoeken. Het ademonderzoek vindt nadere uitwerking in de Regeling
ademanalyse en het bloedonderzoek is nader geregeld in de Regeling bloed- en
urineonderzoek.
1.2.2 Beleidsregels
Een overheidsorgaan waaraan een discretionaire bevoegdheid is toegekend stelt niet
zelden eigen beleidsregels op met betrekking tot de wijze waarop van die bevoegdheid
gebruik gemaakt dient te worden. Zo heeft het OM eigen beleidsregels en als deze op
een behoorlijke wijze zijn gepubliceerd dan zijn deze regels “recht” zijn in de zin van
artikel 79 RO.
1.2.3 Internationaal recht
a. Verdragsrecht -> het EVRM en IVBPR. Beide verdragen formuleren een aantal
grondrechten die het strafprocesrecht raken en die binnen de Nederlandse rechtsorde
rechtstreekse werking hebben art 93 en 94 GW.
b. Supranationaal recht of te wel EU-recht
1.2.4 Jurisprudentierecht
Het Nederlandse strafprocesrecht is niet te begrijpen zonder kennis te nemen van de
omvangrijke jurisprudentie van de Hoge Raad. Die jurisprudentie bestaat uit meer dan
wetsuitleg alleen. Het zou onwerkelijk zijn om de rechtspraak, en in het bijzonder die van
de Hoge Raad, de status van zelfstandige rechtsbron te ontzeggen.
→ Geen strijd met art. 1 Sv, mits de jurisprudentie bijdraagt aan
rechtsbescherming en rechtseenheid.
1.2.5. De beginselen
Enkele beginselen in het strafprocesrecht:
Het vertrouwensbeginsel; ziet erop dat een verdachte gerechtvaardigd mag
vertrouwen op mededelingen van politie en justitie.
Gelijkheidsbeginsel; gaat uit van de gelijke behandeling van gelijke gevallen.
Het beginsel van zuiverheid van oogmerk (verbod van détournement de
pouvoir); een publieke bevoegdheid niet mag worden aangewend voor een ander
doel dan waarvoor zij gegeven is.
Het beginsel van en behoorlijke en billijke afweging; hierin liggen de in het
strafrecht geldende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten
Het rechtszekerheidsbeginsel; de overheid moet duidelijke, voorspelbare en
betrouwbare regels toepassen. De burger moet weten waar hij aan toe is: geen
terugwerkende kracht, geen willekeur.
De onschuldpresumptie en het pro reo-beginsel; houdt in dat een verdachte
onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel door een rechter wordt bewezen. In
dubio pro reo: bij twijfel moet de rechter vrijspreken
Het nemo teneteur- beginsel; Niemand is verplicht mee te werken aan zijn
eigen veroordeling. Verdachten hebben het recht om te zwijgen.
Het fair trial beginsel; Elke verdachte heeft recht op een eerlijk proces, zoals
neergelegd in art. 6 EVRM. Omvat o.a. onafhankelijke rechter, bijstand advocaat,
redelijke termijn etc.
1.3. Het legaliteitsbeginsel
Art. 1 Sv: “Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.”
Bij wet voorzien
, Het woord 'wet' in artikel 1 Sv moet worden opgevat als wet in formele zin. Dat betekent
dat alleen wetten op hoogste niveau (regering en Staten-Generaal) regels van
procesrecht kunnen maken. Een dergelijke bevoegdheid komt dus niet toe aan lagere
wetgevers, zoals Provinciale Staten en de gemeenteraad.
Welke consequenties heeft het ‘legaliteitsbeginsel’ voor de activiteiten van de politie? Uit
artikel 3 Politiewet volgt dat naast strafvorderlijke taken de politie ook andere taken
heeft, zoals handhaving van de openbare orde en hulpverlening. Hoe verhoudt zich deze
algemene taakstellende bevoegdheid (zie in dat kader ook art. 141 Sv) tot het
legaliteitsbeginsel van artikel 1 Sv?
Art. 1 Sv: ‘Stafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.’ Artikel 1 Sv
kan zowel ruim als eng uitgelegd worden. In de ruime uitleg mag ter opsporing van een
strafbaar feit enkel dat gebeuren, wat de wet uitdrukkelijk toelaat. Immers, alleen dan
komt de waarborgfunctie van het strafprocesrecht volledig tot haar recht. Een dergelijke
uitleg stemt ook nauwkeurig met de letter van de wet overeen. Wanneer artikel 1 Sv eng
wordt uitgelegd, betekent dit dat artikel 1 Sv slechts bescherming biedt tegen inbreuken
op de vrijheids- of grondrechten van de burger: diens fysieke vrijheid en zijn privacy
(waaronder te begrijpen: het huisrecht, het brief- en telefoongeheim, enz.). Activiteiten,
die deze vrijheid niet aantasten, vallen niet onder artikel 1 Sv; alleen voor activiteiten,
die inbreuk maken op de vrijheidsrechten, is een wettelijke grondslag nodig.
Deze 'enge' opvatting van artikel 1 Sv heeft ook de Hoge Raad tot de zijne gemaakt. Is
geen sprake van een inbreuk of is slechts sprake van een lichte inbreuk, dan wordt
politieel handelen gegrond op de algemene taakstellende bevoegdheid van artikel 3
Politiewet en/of artikel 141 Sv. Dan is geen regeling in het WvSv vereist, omdat geen
inbreuk op grondrechten (vaak: de persoonlijke levenssfeer) van burgers wordt gemaakt.
Ordenend politieoptreden (handhaving van de openbare orde zoals mensen wegsturen
bij een evenement, iemand aanspreken op overlast) is geen strafvorderlijk optreden; het
valt dan ook niet onder het bereik van artikel 1 Sv. Heeft de overheid bij deze activiteiten
dan méér vrijheid om de grondrechten van de burger aan te tasten dan wanneer zij
strafvorderlijk optreedt? Nee. Ook bij ordenend optreden gelden vanzelfsprekend de
Grondwet en verdragen zoals vrijheid van beweging, privacy, vrijheid van meningsuiting.
De Grondwet, het EVRM en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geven regels die
bepalen wanneer en hoeveel inbreuk de politie mag maken bij zulke maatregelen.
Om de toelaatbaarheid van die inbreuken te beoordelen zal telkens afzonderlijk moeten
worden bezien of en in hoeverre Grondwet of verdrag inbreuk op het betreffende
vrijheidsrecht mogelijk maken (zie bijv. art. 8 lid 2 EVRM). Doorgaans wordt een eis
gesteld, die vergelijkbaar is met die van artikel 1 Sv; maar in het bijzonder het EVRM
gaat daarbij minder ver, en neemt genoegen met een grondslag in het recht, in plaats
van in de (formele) wet.
Hoofdstuk 2: Karakter en gang van het Nederlandse strafproces
2.1. Inleiding
2.1.1 Het inquisitoire en het accusatoire procesmodel
In de literatuur plegen twee procesmodellen te worden onderscheiden, het inquisitoire
procesmodel en het accusatoire procesmodel. Het gaat daarbij uitdrukkelijk om
modellen, om schema’s, niet om een accurate beschrijving van in werkelijkheid
bestaande processtelsels. In werkelijkheid treft men vooral mengvormen aan.
Het zijn dus modellen, geen doelen op zich, maar manieren om het strafproces vorm te
geven. Ze geven invulling aan hoe het hoofddoel en de bijkomende doelen gewogen en
uitgevoerd kunnen worden.
De belangrijkste elementen van het inquisitoire procesmodel zijn:
De rechters (gerechtelijke autoriteiten) hebben een actieve rol bij het
onderzoeken van de zaak. Zij oordelen daarbij op basis van de materiële
waarheid.
Van procespartijen is geen sprake. Vervolging en berechting zijn namelijk in één
hand verenigd: de gerechtelijke autoriteiten die de zaak onderzoeken zijn bij wijze